STRAVINSKY INSIDE OUT
Boekbesprekingen - S

Charles M. Joseph: Stravinsky inside out. Yale University press.

 

Bijvoorbeeld te beginnen bij Marius Monnikendams Stravinskybiografie (Gottmer, 1951) en voortgaand via Martin van Amerongens Robert Craft, Igor Stravinsky: De kroniek van een vriendschap (Arbeiderspers Privé-domein, 1976) en Het Apollinisch uurwerk van Louis Andriessen en Elmer Schönberger (Bezige Bij, 1983) is alleen al in het Nederlands heel wat over Stravinsky  gepubliceerd.

Maatgevender tot nu toe waren de zeven Engelstalige boeken, deels haast autobiografieën die Robert Craft sinds 1972 bij Knopf uitgaf. Het is goed dat er intussen ook afstandelijker, minder direct geëngageerde lectuur over Stravinsky verschijnt. De bewuste monografie van Joseph maskeert het onderwerp haast als zou het om iets minder interessants gaan. De titel suggereert meteen dat de reputatie van Stravinsky rijp is voor een afstraffing en het eerste hoofdstuk waarin wordt vastgesteld dat de componist zichzelf publicitair vermenigvuldigde belooft dat hier de waarheid van de illusie zal worden gescheiden.

Maar te beweren dat Stravinsky’s alomtegenwoordigheid in de Amerikaanse media hem als vanzelf de omschrijving van “de grootste levende componist ter wereld opleverde zonder dat hij dat wat relativeerde” is nogal dwaas. Had hij dan een persbericht moeten laten uitgaan om dat eerbetoon te dementeren? Wanneer de componist een paar bladzijden verder de les wordt gelezen dat hij in de jaren 1940 “luchtige, ijdele werken schreef die niet karakteristiek zijn” wordt gemakshalve als verzachtende omstandigheid vergeten dat hij het in die tijd financieel niet breed had. Het Scherzo à la russe wordt afgedaan als “frivole big-band swing”, hoewel de auteur elders heel goed duidelijk maakt dat daarvan geen sprake is. Maar in deze context heeft hij het echter wel bij het goede eind door erop te wijzen dat het gewoon niet klopt dat het stuk voor Paul Whiteman werd geschreven. Dat was slechts een halve waarheid, want het ging in feite om zo’n brok mislukte filmmuziek dat later ingenieus aan recycling werd onderworpen.

Het boek wisselt daarna gelukkig snel zijn karakter van een aanvalsplan en onthult zijn ware aard: het gaat om een reeks essays die zijn gebaseerd op die Alexandrische bibliotheek vol met onuitgegeven Stravinskyana uit de Paul Sacher Stichting in Bazel. Bovendien is er een boeiend hoofdstuk over Josephs leraar, Soulima Stravinsky waarin hooguit de herinnering van Soulima in twijfel kan worden getrokken waar deze beweert dat zijn vader “bang” was voor de première van de Sacre en dat hij “vreesde voor diens lot tijdens de rellen rond het ballet”. Soulima was namelijk nog geen drie jaar oud ten tijde van die première. Elders merkt Joseph interessante dingen op over Soulima, bijvoorbeeld over diens handen, die net zo enorm waren als die van zijn vader wat heel relevant kan zijn voor bepaalde kenmerkende harmonieën van pa.

Dat beeld van Soulima is ook daarom zo treffend omdat hier zo duidelijk sprake is van iemand die enerzijds vol liefde voor zijn vader was en trots op hem, maar die anderzijds wanhopig streed om aan diens schaduw te ontsnappen. Tot de zaken die Joseph verder in dat archief vond behoren Stravinsky’s betekende partituren en heel wat onuitgegeven brieven. Temidden van die brieven is er bijvoorbeeld eentje van Chester Kallman over de voorgestelde revisies van The rake’s progress en de nodige correspondentie die vooraf ging aan The flood, waaruit niet alleen blijkt dat het meeste voorbereidende werk door Robert Craft werd verricht (niet zo verwonderlijk want hij zorgde ook voor de tekst), maar ook dat hij de stijl suggereerde waarin elk gedeelte zou moeten worden gecomponeerd. Stravinsky schijnt die adviezen naast zich neer te hebben gelegd. Hoewel Craft tenslotte zijn medewerking aan dit boek introk en Joseph dus niet in staat is om hem woordelijk te citeren, onthult hij genoeg over de verschillen tussen de kladtekst voor de ‘Gesprekken tussen Stravinsky en Craft’ en de tenslotte gepubliceerde tekst. Stof genoeg voor nader onderzoek.

Joseph bekeek ook grondig het beschikbare documentaire filmmateriaal over Stravinsky en levert commentaar op het zorgvuldig opgepoetste beeld van de componist. Hij maakt zelfs een vergelijking met de figuur Johnny uit Marlon Brando’s film The wild one die als hem wordt gevraagd waar hij tegen rebelleert zo raak antwoordt: ‘What’ve you got?’

Elders beschuldigt Joseph Stravinsky tamelijk onterecht van lompheid. Dat hij ertegen protesteert dat David Diamond de componist aansprak met ‘Dear Igor’ kan niet veel meer betekenen dan dat sprake was van een oude halfbewuste oude Russische gewoonte die door een nauwelijks als intimus geldend iemand in de praktijk werd gebracht in plaats van een respectvol gebruik van de familienaam.

Wat wel heel goed wordt beschreven, is Stravinsky’s zorgvuldige cultiveren van een vriendenkring buiten de substantiële Franse en Slavische gemeenschappen in Hollywood. Dat was het begin van een proces waarin Stravinsky zich meer ging vereenzelvigen met de Anglo-Amerikaanse cultuur, hoewel zijn Engels altijd wat gebrekkig bleef.

Al met al is dit misschien geen vitale bijdrage aan de Stravinsky bibliografie, maar wel een intrigerende.