WAGNER: RING DES NIBELUNGEN, DER
CD Recensies - W

Wagner: Der Ring des Nibelungen. Birgit Nilsson (s), Wolfgang Windgassen (t), Waldemar Kmennt (t), Eberhard Wächter (b), Kirsten Flagstad (s), Dietrich Fischer-Dieskau (b), Hans Hotter (bs), George London (bs), Christa Ludwig (ms), Gustav Neidlinger (b), Gottlob Frick (bs), Sven Svanholm (t), Gerhard Stolze (b), Kurt Böhme (bs), Marga Höffgen (ms), Joan Sutherland (ms), Régine Crespin (s), James King (t), Claire Watson (s) e.a. met het Ensemble van de Weense Staatsopera o.l.v. Georg Solti. Decca 414.100-2, 455.555-2 (14 cd’s). 1958/65

 

Wagners werk over zijn Nibelungen epos ontstond in een tijd van opschudding, van revolutie. Gefrustreerd door de hofkringen in de stad van zijn keuze Dresden en beïnvloed door anarchisten rebelleerde Wagner tegen het gevestigde, oude Duitsland. Er deden allerlei kleurrijke verhalen de ronde over zijn bijdrage aan de Dresdense revolutie in 1849. Mogelijk had hij het oude operagebouw in de as gelegd zoals wel werd gesuggereerd en zeker is dat hij hielp om granaten te bestellen en aanplakbiljetten te verspreiden. Hij werd een gezocht man met een prijs op zijn hoofd; een verbanning naar Zwitserland was het gevolg.

Maar voordat hij vertrok voltooide hij de kladversie van Siegfried’s Tod uit Die Götterdämmerung. Zijn belangstelling voor het Nibelungenlied – een middeleeuws gedicht waarin het verhaal van de Nibelungen wordt verteld – was al eerder gewekt en net als menig ander Duits componist op zoek naar een nationaal epos, werd hij aangetrokken door het opera potentieel van dat gedicht. Wagners toekomst lag in de mythologie; hij vond dat die dieper in het onderbewuste was verankerd dan welk historisch onderwerp dan ook. Toen hij eenmaal de nog oudere Scandinavische versies had ontdekt, ging hij serieus aan de slag. Hij ontdekte ook het allitererende vers (Stabreim) in deze bronnen en nam dat dankbaar over in het hele libretto. Een voorbeeld. Alberich: “Garstig glatter glitschiger Glimmer”. Het stafrijm koppelde geluid en betekenis en daardoor klinkt Alberich de opstandige dwerg net zoals hij oogt.

Toen hij eenmaal Siegfried’s Tod had geschreven, vond Wagner dat een lange uitleg nodig was om uit te leggen waarom Siegfried vermoord moest worden door Hagen c.s. Hij schreef daarom een soort voorwoord, Der junge Siegfried (kladvers in 1851) waarin de opgroeiende jonge held wordt beschreven. Opnieuw was het nodig om meer uit te leggen, bijvoorbeeld waarom Brünnhilde te slapen was gelegd op een door vuur omringde rots. Daarom schreef hij in deze volgorde schetsen in proza voor Das Rheingold en Die Walküre (1851) om ons terug te voeren naar het begin.

Geconfronteerd met een gigantisch project van vier opera’s die moesten worden voorzien van passende muziek, iets wat nooit eerder op een dergelijke schaal was gebeurd, laste Wagner een lange voorbereidingstijd in. Die periode besteedde hij om prozateksten te schrijven over allerlei onderwerpen: over het Duitse volk, de revolutie, het Judentum in der Musik enzovoorts. Aan het begin van die periode probeerde hij Siegfried's Tod op muziek te zetten, maar dat lukte niet zo best.

Hij moest de kracht van zijn systeem van Leitmotive nog ontdekken. Een systeem waarin korte muziekmotieven werden geassocieerd met mensen, gevoelens en gebeurtenissen.

Ook had hij meer dan genoeg theorieën voor zijn epos. Het moest worden samengehouden met behulp van een Beethoveniaanse symfonische ontwikkeling, waarbij het orkest zich wat terugtrok als de zangers de tekst “declameerden”. Er mocht geen sprake zijn van aria’s of ensembles in de oude Italiaanse traditie en ook de verkeerde Italiaanse praktijk waarin twee zangers tegelijk over verschillende onderwerpen zongen, moest worden uitgebannen.

Volgens Wagner zelf begon het eigenlijke componeren op dramatische wijze in 1853. Terwijl hij in een hotelkamer in La Spezia in slaap viel, voelde hij “water stromen” en hoorde hij “de zuivere drieklank Es-groot” – een prachtige versie van een geboorte droom (blijkbaar is de toonaard die we bij de geboorte verwachten te horen Es). Wagner mag dat hebben aangedikt want we vernemen dit voor het eerst uit zijn autobiografie die pas veel later verscheen toen Wagners waarheidsgevoel dat nooit erg betrouwbaar was, mogelijk helemaal geen rol meer speelde. Maar wat hij beschrijft, is het begin van Das Rheingold waarin de gestage stroom van de Rijn wordt geïllustreerd in vijf minuten durende arpeggio’s in Es-groot, een van de fraaiste muzikale visies aller tijden.

Eenmaal van start, schreef Wagner in razend tempo verder en in 1857 was hij klaar op de orkestratie van de tweede akte van Siegfried na. Hij was moe, had weinig geluk en was lang niet zeker dat het enorme werk ooit zou worden uitgevoerd. Dus besloot hij een paar werken te schrijven die beloofden wel geld in het laatje te brengen in de vorm van Tristan und Isolde en Die Meistersinger. De zaken gingen van kwaad tot erger en een ramp leek nabij toen zijn tweede poging om Parijs te veroveren met een flop eindigde. Maar toen dook plotseling een ridder in een schitterende wapenrustig op in de gedaante van koning Ludwig II van Beieren, die zijn ondersteuning toezegde voor de voltooiing van de Ring. Daarmee is het verhaal van de wordingsgeschiedenis afgesloten. In 1876 werd het complete werk voor het eerst in een voor dat doel gebouwd theater op de top van een groene heuvel in Bayreuth uitgevoerd. Sindsdien wordt het beschouwd als een van de grootste verworvenheden van de menselijke geest en tevens als een muzikaal meesterwerk van een adembenemende complexiteit en schoonheid.

Zoals gezegd: de Ring gaat over hebzucht en de invloed van macht op de corruptie als tegenwicht van de liefde. In Rheingold steelt Alberich een klomp goud van de drie Rheintöchter wanneer hij hun ‘liefde’ niet kan winnen. Hij weet dat een uit dat goud gesmede ring hem de wereldheerschappij zal bezorgen. Wodan, de koning der goden, heeft een vesting voor zichzelf gebouwd en is daarbij overeengekomen dat hij daarvoor zal betalen met de zuster van zijn vrouw, die tevens de liefde vertegenwoordigt. Deze overeenkomst brengt hem in de problemen en wanneer hij hoort van de ring en Alberichs rijkdom besluit hij die ring als betaalmiddel voor zichzelf te stelen. Hij besluit om de ring terug te krijgen om zijn suprematie te garanderen.

In Die Walküre leren we dat Wodan zijn zaad royaal heeft gezaaid: in de jacht op een vrije held heeft hij een tweeling verwekt van wie Siegmund de held is. Maar de band tussen Siegmund en Sieglinde – zo blijkt in de eerste akte – is overspelig en incestueus en Wodans echtgenote, Fricka, tevens de godin der liefde, belemmert dit. Wodan die zo wordt gedwarsboomd instrueert zijn lievelingsdochter Brünnhilde als krijger om niet te ziel van Sieglinde’s man Hunding (de zielen van gestorven helden worden door de Walküren in het fort Walhalla verzameld) te incasseren, maar zijn beminde zoon Siegmund die nu dus moet sterven.

Wanneer Brünnhilde Siegmund ontmoet, ontdekt ze de kracht van de liefde en wordt ze ongehoorzaam aan haar vader. Wodan intervenieert en zorgt dat Siegmund sterft. Sieglinde is al in verwachting van een grote held, Siegfried en wordt door Brünnhilde in het bos gedreven voordat zij, Brünnhilde, wordt bestraft met het verlies van haar godheid. Ze wordt te slapen gelegd op een rots en kan door elke man worden opgeëist. Ze staat er wel op dat ze door vuur moet worden omringd zodat alleen de dapperste held – Siegfried, haar neef – haar kan redden.

In Siegfried wordt de jonge Siegfried opgevoed door een afzichtelijke dwerg: Mime, een broer van Alberich. Mime ziet in Siegfried een manier om aan de ring en het goud van de draak Fafner te komen, die dat alles bewaakt. Siegfried slaagt in zijn opdracht nadat hij de zwaarden van zijn vader heeft gesmeed uit fragmenten die na Wodans woede overbleven. Maar wanneer een vogel aan Siegfried het snode plan van Mime heeft verteld, doodt hij ook Mime. Siegfried betuigt Brünnhilde zijn liefde en verovert deze nadat hij eerst zijn grootvader, Wodan, terzijde heeft geworpen.

In Götterdämmerung, de donkerste opera van het viertal, treffen we een in hun liefde overgelukkige Brünnhilde en Siegfried aan die geschenken uitwisselen. Brünnhilde neemt de ring, Siegfried haar paard. Siegfried gaat op zoek naar avontuur en ontmoet de Gibichungs. Hagen, de halfbroer van de broer en zus  Günther en Gutrune, wil de ring en geeft Siegfried een liefdesdrank te drinken. Hij vergeet Brünnhilde en wordt verliefd op Gutrune, die op zoek is naar een echtenoot. Günther wil een vrouw, maar kan niet door het vuur naar Brünnhilde, zijn eerste keus omdat Hagen heeft ontdekt waar de ring is (zonder dat Günther daarvan weet). Siegfried, verhit door zijn nieuwe vriendschap, gaat ermee akkoord om in vermomming te gaan om Brünnhilde te veroveren. Brünnhilde die begrijpelijk genoeg furieus is, vertelt van haar verraad en Hagen merkt gewiekst dat zijn eer alleen kan worden gered door de dood van Siegfried. (Siegfried nam de ring van Brünnhilde en draagt deze nu). Siegfried wordt gedood maar wanneer Hagen tracht hem de ring te ontfutselen tilt hij zijn arm uitdagend op – een groots moment – en komt Brünnhilde ertussen. Ze vraagt de vazallen om een brandstapel te bouwen. Wanneer deze in vuur en vlam staat, voegt ze zich bij Siegfried om zo de dood in te gaan terwijl ze zingt over een nieuwe wereldorde waarin de liefde oppermachtig heerst (Brünnhilde’s zelfoffer).   

De Ring heeft altijd bloot gestaan aan talloze interpretaties. Shaw zag het werk als een allegorie van een socialistische staat en Donnington beschouwde het in termen van symbolen van Jung. Maar meer en meer werden de nationalistische elementen aanvaard en sommigen zien antisemitische tendensen in het werk. Feministen vergelijken Wagners overweldigde Brünnhilde met de onbevreesde krijgster uit het oorspronkelijke epos. Maar het is even goed mogelijk om zich in mythologische diepten te begeven, want de Ring is alomvattend en voor velerlei uitleg vatbaar.

Bij de uitvoeringen wenste Wagner dat de tekst goed te volgen moest zijn en dat het orkest daarom gedeeltelijk overdekt moest zijn (zoals in Bayreuth het geval is) om dat te vergemakkelijken. Hij spoorde de musici voortdurend aan om op een vlotte, levendige manier te spelen en maakte zangers die het tempo lieten slepen verwijten. Hij had eindeloze moeite om een geschikte bezetting te vinden want hij had rollen geschapen die uitmunten door een enorme moeilijkheidsgraad.

 

Eén gouden standaard.

Wagners monumentale ‘Bühnenfestspiel für drei Tage und einen Vorabend” werd zelfs in Bayreuth nooit zo grondig verkend als in de legendaire opname van Solti uit de jaren 1958-1965. Natuurlijk kan zelfs een cyclische studio-uitvoering van de tetralogie die bij Solti 14u, 37’50” duurt niet absoluut volmaakt zijn, maar hij benadert dat ideaal wel heel dicht en zorgde voor de feitelijk zowel naar de interpretatie als naar de klankkwaliteit gerekend mooiste registratie van het geheel. Op retorisch briljante wijze weet hij de mythische conflicten en verlangens met een dramatisch expressief stel zangers op een van vitaliteit en verve vervulde wijze te presenteren. De virtuoos-illusionistische geluidsregie van John Culshaw draagt het zijne bij aan het succes. De tussentijdse verdoeking heeft gelukkig ook iets van de scherpe randjes gehaald.

Van de in Bayreuth zelf gemaakte opnamen is het vooral die van Böhm (Philips 446.057-2) die als bijzonder in aanmerking komt. Wat verder op de achtergrond ontmoeten we Sawallisch (EMI 572.731-2), Karajan (DG 457.780-2), Haitink (EMI 764.775-2) en de historische mono uitgave uit 1953 van Furtwängler (EMI 767.123-2) en die van Knappertsbusch uit 1956 (Orfeo C 660513Y).