SAARIAHO: QUATRE INSTANTS; TERRA MEMORIA; ÉMILIE SUITE
CD Recensies - S

Saariaho: Quatre instants; Terra memoria; Émilie suite. Karen Vourc’h (s) met het Luxemburg filharmonisch orkest o.l.v. Marko Letterija. Ondine ODE 2255-2 (71’13”). 2014

 

Toen de opera in Lyon in 2010 de derde opera van Kaija Saariaho, het zeventig minuten durende monodrama Émilie op een libretto van de Libanees Amin Maalouf, in première bracht, maakte het werk geen diepe indruk. Het schildert de gebeurtenissen gedurende een enkele nacht toen ze 42 was en een late zwangerschap had van de achttiende eeuwse wetenschapster, de markiezin Émilie du Châtelet (1706-1749) die als mathematicus en natuurkundige tot de eersten van haar geslacht behoorde. Het jaar daarop stelde de componiste daar een suite uit samen met weglating van de elektronische transformatie en door de drie vocale gedeelten samen met twee orkestrale tussenspelen van het geheel te scheiden. De sfeer en de pasteltinten van de opera bleven behouden, maar het resterend geheel, waaraan nog wel een klavecimbel te pas komt, maakt een duidelijk positiever indruk als uitdrukking van nare voorgevoelens. Zeker wat het laatste tafereel, ‘Contre l’oublie’ (tegen vergetelheid) betreft.

Bij Terra memoria (2009) hebben we te maken met een uitbreiding voor strijkorkest van wat in opzet begon als een kleinschaliger werk voor het Emerson kwartet. Hierin worden alle coloristische  mogelijkheden van de hedendaagse strijkerstechniek verkend terwijl toch binnen de grenzen van het betamelijke wordt verbleven.

Ook in de liederencyclus Quatre instants (2002) gaat het om vier teksten van Malouf, (tevens de tekstdichter van de prachtige opera L’amour de loin, waarin melodieranken zich heel mooi rond de stem van Karen Vourc’h wikkelen. Het gaat om de erotische en sensuele teksten ‘Attente’ (verlangen), ‘Douleur; (kwelling), ‘Parfum de l’instant’ (geur van het moment) en ‘Résonances’ (echo’s) die ideaal in haar idioom blijken te passen. Het oppervlak is glanzend en in het instrumentale filigraanwerk voegt zich subtiel slagwerk. In de verte worden herinneringen opgeroepen aan de liederencyclussen van Szymanowski en Ravels Shéhérazade. Het werk was bedoeld voor Karita Mattila.

Karen Vourc’h zingt de vocale gedeelten w