CACCINI: LIBERATIONE DI RUGGIERO DALL'ISOLA DI ALCINA, LA
CD Recensies - C

Caccini: Liberatione di Ruggiero dall’isola di Alcina, La. Elena Biscuola (ms, Alcina), Mauro Borgioni (b., Ruggiero), Gabriella Martellacci (a., Melissa), Francesca Lombardi Mazzulli (s., Sirena, Una Damigella) met Allabastrina en Ensemble La Pifaresca o.l.v. Elena Sartori. Glossa GCD 92390-2 (79’10”). 

 

Iemand die mede aan het doopvont van de opera stond, was Francesca Caccini (1587-1641). Ze behoorde tot een typische familie van musici waarvan de leden regelmatig speelden en zongen aan het hof van de De Medici in Florence, inclusief opvoeringen van de eerste opera die min of meer volledig overleefde: Jacopo Peri’s Euridice, die voor het eerst in 1600 letterlijk ten tonele verscheen. Haar vader, Giulio, werkte mee aan Peri’s partituur en publiceerde zijn eigen versie van Euridice in 1602. 

Caccini zette haar eerste schreden in het muziektheater met muziek voor het carnaval La stiava in 1607 en werkte in dienst van de De Medici familie als virtuoze zangeres, dichteres, docente, instrumentaliste en componiste.

Ze werkte aan meer dan een dozijn ‘spektakels’ mee en was tenslotte de bestbetaalde musicienne aan het Florentijnse hof. Toch overleven slechts twee van haar partituren. Een bundel liederen en duetten die in 1618 werd gepubliceerd en de opera La liberatione di Ruggiero dall’isola di Alcina die in 1625 voor het eerst werd opgevoerd.

Voor deze commedia in musica kreeg ze de opdracht van de hertogin van Toscane, Maria Maddalena van Oostenrijk.

Het libretto van Ferdinando Saracinelli is gebaseerd op een episode uit Ludovico Ariosto’s epos Orlando furioso.

Daarmee is het niet alleen de eerste door een vrouw gecomponeerde opera, maar ook de eerste Italiaanse opera die buiten Italië werd opgevoerd, namelijk in Warschau in 1628.

Net als in Riccardo Broschi’s L’isola d’Alcina uit 1728 en Händels Alcina uit 1735 (Curtis, Archiv 477.7374) verhaalt de handeling over de rivaliteit van de ‘boze’ tovenares Alcina en de ‘goede’ Melissa over de minnende aandacht die zij schenken aan de jonge ridder Ruggiero die is betoverd door Alcina. Dat gebeurt op een manier die nogal wat komische momenten kent. Er klinken nogal wat echo’s uit Monteverdi’s l’Orfeo door in de 31 canzonetta’s, strofische aria’s en madrigaalachtige koren. Het gebruik van secco recitatieven en heel wat verder reikende muziek dient om de verleidingespogingen van Alcina te tonen.

Elena Sartori als klavecinst en dirigent staat een betrouwbaar ensemble en een viertal goed toegeruste solisten ter beschikking voor een heel goede, homogene, hooguit wat preutse vertolking. Gering bezwaar is hooguit de wat galmrijke opname waardoor de stem van basbariton Mauro Borgioni wat zoekraakt in de mist. De vrouwelijke solisten hebben daar minder last van.

Wel toont deze uitgave duidelijk aan dat dit werk in dramatisch opzicht heel goed op eigen voeten kan staan en de moeite waard is.