GILSE, VAN: SYMFONIE NR. 4; TIJL, TREURMUZIEK; CONCERTOUVERTURE
CD Recensies - G

Gilse, van: Symfonie nr. 4 in A; Tijl, treurmuziek bij den dood van Uilenspiegel; Concertouverture. Nederlands symfonie orkest o.l.v. David Porcelijn. CPO 777.689-2 (62’33”). 2010

 

Het zijn honderdvijfennegentigste (!) bestaansjaar vierende Utrechts(ch) Studenten Concert geeft tussen 30 juni en 17 juli 2018 negen voorstellingen van Jan Van Gilse’s opera (dramatische legende) Tijl waaraan hij van 1938 tot 1940 werkte. Een in originele vorm erg lang, complex werk met een groot aantal rollen in deze verzetsopera die speelt tijdens de Spaanse overheersing van de Nederlanden in de zestiende eeuw en die in de komende opvoering van het Utrechts ensemble is teruggebracht tot twee uur en ’slechts’ twaalf rollen plus een kernkoor met 24 stemmen heeft naast een behoorlijk zwaar bezet orkest.  

In 1980 werd de opera tijdens het Holland Festival scenisch opgevoerd door Anton Kersjes met John Bröcheler (Thijl), Marilyn Tyler (Nele), Henk Smit (Lamme Goedzak) Els de Graaf (Katelijne), Lex Gorel (Uil) en het Amsterdams filharmonisch orkest en het Groot omroepkoor. Later werd het wek nog eens in iets andere bezetting door de Nederlandse Opera op het programma genomen. De AVRO heeft daar een opname van gemaakt, maar die is helaas nooit op cd verschenen.

Het was de bedoeling dat David Porcelijn, die voor CPO wel de vier symfonieën en wat andere orkestwerken met het Orkest van het oosten (hier nog Nederlands symfonie orkest genoemd) ook Tijl zou vastleggen, maar dat werd waarschijnlijk een te duur project zodat het daar helaas nooit van is gekomen.

Enige troost schuilt in het feit dat wel Thijl, treurmuziek bij den dood van Uilenspiegel, een zowat twaalf minuten durende orkestcompositie als suite uit de opera werd geregistreerd, nadat Bernard Haitink (Sound ZIE AFX 0295) en Ed Spanjaard (Olympia OCD 507) dat ook hadden gedaan.

Op de cd staan verder de als jeugdwerk gecomponeerde Concertouverture en de fijnzinnige en charmante Symfonie nr. 4 die heel fraai is georkestreerd en een naar Richard Strauss ruikend parfum heeft, hoewel het eerste deel ook iets Mahleriaans heeft mt fraaie bijdragen van de houtblazers en pittige van het koper. Op de toegewijde, gepolijste vertolkingen valt weinig aan te merken.