GILSE, VAN: SYMFONIEEN NR. 1 EN 2

Van Gilse: Symfonieën nr. 1 in F en 2 in Es. Orkest van het Oosten o.l.v. David Porcelijn. CPO 777 349-2 (66’45”). 2008      

Nederlandse (laat-) romantische muziek is een curieus vat vol parallelbewegingen via herkenbare raakpunten met erkende en gevierde meesterwerken . Zo worden Verhulst met Schumann, Zweers met Bruckner, Röntgen met Brahms en Grieg gerelateerd, Wagenaar met  o.a. Strauss en Berlioz.  Jan van Gilse (1881-1944), wiens Eerste en Tweede symfonie recentelijk op CPO zijn uitgebracht, doet daarin soms sterk aan Brahms herinneren.  Toch zou het onrechtvaardig zijn Van Gilse en andere tijdgenoten slechts als klakkeloze eclectici neer te zetten, want bij de meesten is wel degelijk van een persoonlijke “toets”sprake en een eigensoortig idioom.

Het toenmalig ontbreken van “netwerken”, zoals wij die kennen, was in feite meebepalend voor stilistische stereotypen in de muziek,  ook omdat roemruchte conservatoria als die van o.a. Leipzig en Brussel,  een min of meer gemeenschappelijk stempel op de Europese muziek in de negentiende en begin twintigste eeuw  hebben gedrukt . Toch zijn Schumann, Gade, en Verhulst de goden zij dank, niet één pot nat…Want niet alleen  Nederlandse muziekvinders hebben destijds moeite gehad  zichzelf te zijn.  Ook elders in Europa traden “Aartsvaders” als Wagner  jonge componisten op hun creatieve pad tegemoet:  als voorbeelden, wegbereiders of navigators  op al die nog te banen muzikale wegen.

Bij ons is Matthijs Vermeulen daar aardig aan ontsnapt. Een geniaal autodidactisch vinder van volstrekt innoverende thematische polyforme en harmonische ontregelingen, want ontregelen en het oproepen van tegenstellingen was zijn vak, ook als journalist, criticus en maatschappijbetrokken essayist.

Voor Jan van Gilse golden de dilemma’s in hoge mate.  Stellig de meest tragische representant van de laatromantische Nederlandse muziek.  Niet alleen door de noodlottige tol die deze heroïsche toondichter als verzetsman moest betalen aan de nazi’s die zijn beide zoons, ook verzetshelden, hebben vermoord, maar ook door de bittere strijd van Van Gilse als chef-dirigent van het toenmalige Utrechts Stedelijk Orkest tegen de vileine kritieken van collega-componist Willem Pijper.    

Van Gilse heeft zijn muzikale Duitse opleiding ondanks zijn openlijk verzet tegen de nazi’s, nooit geheel afgezworen, al heeft hij in latere werken, zoals de opera Thijl, ook andersluidende inspiratie-bronnen gekend en soms toegepast.  Wie nu zijn Eerste symfonie in F en de Tweede in Es beluistert, kan enige  ”aha Erlebnisse” soms niet bedwingen. Want  evident is Brahms’  invloed op deze kundig geschreven en eloquente partituren van de plm. 20-jarige Van Gilse.  Minder zwaarmoedig dan Brahms misschien, want zo’n Scherzo in nr 1 heeft jeugdige vitaliteit en inventieve zwier. Het Adagio biedt onmiskenbaar Brahmsachtige episoden,  en is op zichzelf  een prachtig stuk bovendien.

De Tweede symfonie, vroeger door het Gelders Orkest onder G. Octors bij Donemus op cd gezet, is solider in contrapuntisch ordenend vermogen en afwisselender van dramatische en lyrische expressie. Beide werken zijn met allure opgebouwd en georkestreerd. Dat facet van deze muziek is aan  het voor buitenlands gebruik “Netherlands Symphony Orchestra” genoemde Orkest van het Oosten  onder David Porcelijn wel toevertrouwd.  De veelbewogen historie van het orkest uit Enschede is geconsolideerd in tot over de landsgrenzen genoten erkenning en waardering.  

Deze nieuwe cd met ten onrechte verwaarloosde muziek is mede tot stand gekomen dank zij  de in 2006 opgerichte stichting De Vergeten Componist (DeVeCo)   en de BUMA, waarvan Jan van Gilse de feitelijke oprichter was.  De stichting wil komende jaren meer muziek van Van Gilse op de plaat zetten bij het Duitse “Musicologenlabel” CPO.   Deze opname, met de Tweede symfonie als primeur klinkt voortreffelijk.  

Ferd Op de Coul