CD Recensies

BRITTEN: YOUNG APOLLO; LACRYMAE; PRELUDE EN FUGA; SERENADE

Britten: Young Apollo op. 16; Lachrymae op. 48a; Prelude en fuga voor strijkorkest op. 29; Serenade voor tenor, hoorn en strijkorkest op. 31. Lorenzo Soulès ([). Maté Szücs (va), Richard Watkins (hrn), Allan Clayton (t) met de Aldeburgh strings o.l.v. Markus Däunert. Linn CKD 478 (54’54”). 2015

Interesse in de jonge Franse pianist Lorenzo Soulès (1992) die na te hebben gestudeerd bij Alicia de Larrocha, Tamara Stefanovich en Pierre -Laurent Aimard in 2012 alle prijzen op het Concours in Genève won, was een aanleiding om naar opnamen van hem te zoeken. Er is er eentje met Mozarts Pianoconcert nr. 24, Beethovens 32 Variaties WoO. 80, Brahms’ 3 Intermezzi op. 117 en Scriabins Pianosonate nr. 9 (La dolce volta LDV 220), maar deze Britten cd leek meer de moeite waard omdat hij een stel minder bekende werken bevat.

Bij een componist als Britten, die zelf een uitstekend pianist en begeleider was, verbaast het dat hij betrekkelijk weinig voor piano componeerde behalve een Pianoconcert, de Diversions voor de linkerhand met orkest en het zelden te horen Apollo op basis van de laatste regels uit het onvoltooide gedicht Hesperion van Keats voor piano, strijkkwartet en strijkorkest uit 1939 toen de componist het in Toronto introduceerde en direct weer terugtrok zodat het pas na zijn dood werd gepubliceerd.  Het blijkt, zeker zoals hier uitgevoerd, een bijzonder mooi en boeiend werk te zijn.

In Lachrimae voor altviool en piano uit 1950 voelen Maté Szücs aanvoerder van de altviolen uit het Berlijns filharmonisch orkest en Lorenzo Soulès heel goed de onderliggende sfeer van angst aan.

De Aldeburh Strings is een ensemble dat in 2010 werd opgericht en dat hier door Markus Dänert wordt geleid, lijkt haast te groot, te symfonisch te klinken voor de Prelude en fuga voor 18 strijkers uit 1943.

Het enige werk waarvan geduchte cd concurrentie bestaat, is de Serenade voor tenor, hoorn en strijkers uit 1943, een typerend werk van de componist met een toonzetting van de Engelse taal die hem van de fijnzinnigste kant toont. De hoorn is geen inkleurend aanhangsel, maar gelijkwaardig aan de stem. De speler vertrouwt op natuurlijke harmonieën en omlijst het werk met een proloog en een epiloog die het thema van de liederen tonen: nacht.

Daartussen bevinden zich zes van de mooiste liederen die Britten schreef met poëzie van eenn onbekende vijftiende eeuwse ‘dirge’ tot Keats’ sonnet ‘O soft embalmer of the still midnight’ in de versie van Johnson en Tennyson. Net als in Les illuminations is de begeleiding toevertrouwd aan een strijkorkest.

Allan Clayton is een Britse tenor om in de gaten te houden. Zijn stem is allerminst bleek en hij kan zowel etherisch licht als dreigend klinken, maar toont ook steeds een heldere, begripvolle tekstvoordracht. Richard Watkins beheerst de hoornpartij volledig in technisch en expressief opzicht.

Controleer maar hoe goed hier de vergelijking kan worden aangegaan m et Pears/Tuckwell.Britten (Decca 436.395-2) en Bostridge/Neunecker/Metzmacher (EMI556.871-2).

Maar het zijn vooral de overige werken en het aandeel van Lorenzo Soulès die de aandacht trekken en waard zijn.