BARTÓK: STRIJKKWARTETTEN, DIOTIMA- EN RAGAZZEKWARTET
CD Recensies - B

Bartók: Strijkkwartetten nr. 1-6. Diotima kwartet. Naïve V 5452 (3 cd’s, 2u., 44’23”). 2018

Bartók: Strijkkwartetten nr. 1 op. 7 Sz. 40, BB. 52, 2 op. 17 Sz. 67, BB. 75 en 4 Sz. 91, B B. 95. Ragazze kwartet. Channel Classics CCS 41419 (80’56”). 2018

Het autobiografische verhaal van de zes Strijkkwartetten van Barók is even krachtig als dat van Beethoven en wordt gekenmerkt door een levenslange absorptie van vorm en inhoud die leidde tot - in dit geval - zes unieke composities.

Dat gaat van het meditatieve nr. 1 uit 1909, via het rapsodische nr. 2 uit 1919 en het wrange nr. 3 uit 1929 tot het elegische nr. 6 uit 1939. Weinig andere ensembles hebben dat zo goed begrepen als het Végh kwartet (Auvidis V 4809) in 1972 (zie Vergelijkende Discografie).

Maar met een wat schaarser gebruik van ouderwets portamento en vibrato komt ook het Franse Diotima kwartet met Yun-Peng Zhao en Constance Ronzatti (v), Franck Chevalier (va) en Pierre Morlet (vc) vrij dicht in de buurt, maar bevalt uiteindelijk niet beter.

Wat meer bewondering ontstond na Rosa Arnold, Jeanita Vriens, Annemijn Bergkotte en Rebecca Wise van het Haagse Ragazze kwartet gehoord te hebben met hun eerste bijdrage aan de compleet op te nemen Bartókkwartetten. Ze kregen er drie op één cd zonder dat de heel goede opnamekwaliteit daaronder het minste te lijden heeft.

In nr. 1 laten zij het afscheid van de laatromantiek doorschemeren, in het tweede de groeiende ontdekkingen, zoals van de Hongaarse volksmuziek en in het vijfdelige vierde de coloristische effecten, o.a. veroorzaakt door bijvoorbeeld bijvoorbeeld met de achterkant van de strijkstok op de hals van de viool te kloppen. Keurig gerealiseerd in de verwachting dat het resterende drietal ook zo mooi op 1 vervolg cd past waardoor ten opzichte van de concurrentie een schijfje wordt bespaard.