BEETHOVEN: STRIJKKWARTETTEN NR. 1-6 EN 12-16, GROTE FUGA, QUATUOR MOSAÏQUES
CD Recensies - B

Beethoven: Strijkkwartetten nr. 1 in F op. 18/1 en 4 in c op. 18/4. Quatuor mosaïques. Naïve E 8899 (55’32”). 2004

 

Beethoven: Strijkkwartetten nr. 2 in G op. 18/2 en 3 in D op.18/3. Quatuor mosaïques. Naïve E 8902 (51’34”). 2005

 

Beethoven: Strijkkwartetten nr. 5 in A op.18/5 en 6 in Bes op. 18/6. Quaturor mosaïques. Naïve E 8901 (57’40”0. 1994

 

Beethoven: Strijkkwartet nr. 6 in Bes op. 18/6. Quaturor mosaïques. Auvidis E 8646 (69’19”). 1998

 

Beethoven: Strijkkwartetten nr. 12 in Es op. 127, 13 in Bes op. 130. 14 in cis op.131, 15 in a op. 132 en 16 in F op. 135; Große Fuge in Bes op. 133. Quatuor mosaïques. Naïve V 5445 (3 cd’s, 3u. 09’07”). 2014

 

Beethovens ‘late’ kwartetten bestaan uit vijf werken plus de Große Fuge, aanvankelijk bedoeld als als e finale van opus 130 en, zoals de naam aangeeft, een wilde fuga is met een onaflatende intensiteit. Sinds Bach had niemand een dergelijk strikte vorm gebruikt voor een krachtig emotioneel doel.

Wat precies is de ‘late’ Beethovenstijl? Allereerst is die stijl losser dan voorheen, vol plotselinge tegenstellingen die soms haast schizofreen overkomen, zoals het korte presto in op. 130 - voorbij voordat je dat beseft.

Andere delen, zoals het adagio van op. 127, lijken nooit te eindigen. Vervolgens lijkt de tijd stil te staan. Extremen in het register maken de luisteraar eerder bewust van de verticale structuur dan van de progressie van de muziek.

En dan is er nog het emotionele aspect. Het is goed voorstelbaar dat Beethovens doofheid hem zozeer in zijn eigen wereld had opgesloten, dat hij geen acht meer hoefde te slaan op de mening van derden. Er is voldoende schoonheid aanwezig, maar dan wel eerder als bijproduct dan als nagestreefd doel.

De waarheid lijkt belangrijker te zijn en of die de vinden is bij het Quatuor mosaïques, dat eerder prachtige opnamen maakte van kwartetten van Haydn, Mozart en het zestal op. 18 van Beethoven, met daarna zelfs Mendelssohn?

Het ensemble, dat voortkomt uit de school van Harnoncourt speelt op darmsnaren en met vroeg negentiende eeuwse strijkstokken en brengt subtiliteit en warmte in deze muziek. Hun mer dan dertigjarige ervaring op dit gebied spreekt mee. Dat blijkt meteen aan het begin van op. 127 en het ‘Heiliger Dankgesang’ uit op. 132.

Er wordt wel op moderne manier gefraseerd, het vibrato is beperkte. Voor een zekere nadrukkelijke lichtheid is vaak ook gezorgd. De Grote Fuga en de fuga van op.131 kennen mooie momenten van licht en schaduw. 

Maar er zijn ook momenten waar wat meer doortastendheid wordt gevergd zoals in de cavatine uit op. 130, maar ook in de Grote fuga. Scrupuleus spel alleen is daar niet genoeg. Er zijn dus best ook wat negatieve kanttekeningen te plaatsen bij deze set.

De belangrijkste mededinging komt van het Takács kwartet (Decca 470.849-2), dat niet op darmsnaren speelt. Opvallend is dat de uitgave van het Italiaans kwartet uit 1969 (Philips 426.050-2) zich zo goed staande houdt. Ook de separaat verkrijgbare opnamen van het Végh kwartet (Naïve  V 4405/7) en het Leipzigs kwartet (MDG) spelen een zeker nog een rol.