SCHUMANN: CARNAVAL, DABEK
CD Recensies - S

Schumann: Carnaval op. 9; Chopin Nocturnes nr. 13 in c op. 48/1 en 14  in fis op. 48/2; Polonaises nr. 2 in es op. 26/2 en 5 in fis op. 44. Aleksandra Hortensja Dąbek. DUX DUX 1469 (69’18”). 2018 

 

In zijn eerdere Papillons uit 1831 had Schumann beelden opgeroepen van een gemaskerd bal, geïnspireerd door door de roman Flegeljahre van Jean Paul. Drie jaar later schilderde hij in de eenentwintig delen van Carnaval ook een bal af, hoewel de genodigden nu beter identifceerbaar waren. De belangrijkste gast is Ernestine von Fricken met wie Schumann op dat moment verloofd was voordat hij later met Clara Wieck trouwde.

Schumann vertaalde de letter van Ernestine’s geboortedorp Asch in de Duitse notennnamen A-Es-C-B  of A-mol-C-B. Deze motieven komen steeds weer terug en ze vormen teven s de basis van nr. 10, genaamd ASCH-SCHA.

Ernestine kreeg een eigen portret in deze stukken, evenals Schumanns alter ego’s de dichter Eusebius en de gepassioneerde Florestan. Ook aanwezig op het bal zijn figuren uit de commedia dell’arte, alsmede (in muzikale portretten) Chopin en Paganini. 

Tegen het einde, in een mars die een ondeugend walsritme heeft gekregen, roept Schumann de hulp in van de ‘Davidsbund’ (de davidsliga), een imaginaire groep van anticonservatieve revolutionairen, om het traditionele Großvaterland walsthema een halt toe te roepen.

Het resultaat is een fantasierijke droom met associaties en vluchtige herinneringen, gecontrasteerd met de formaliteit van het gemaskerde bal.

In 2006 werd een Vergelijkende Discografie aan Carnaval gewijd. Daarin werden vooral Michelangeli (Testament SBT 2088), Egorov (EMI 206.531-2) en Uchida (Philips 442.777-2) geprezen. Later kwam daar met name Hamelin als groot interpreet bij (Hyperion CDA  67120).  

Maar ook de jonge Poolse Aleksandra Hortensja Dąbek, die op menig concours onderscheidingen won, roept Schumanns gedreven karaktertekening op briljant-jeugdige wijze tot leven en schept een caleidoscoop van stemmingen en karakters.  Ze springt moeiteloos van een mysterieuze ‘Pierrot’ en een speelse ‘Arlequin’ naar een subtiele ‘Eusebius’ en een stralende ‘Florestan’. Haar virtuositeit kan ze kwijt in de snelle de snelle ‘dansbrieven’ van nr. 10 en de stortvloed van elkaar afwisselende octaven in ‘Paganini’. 

Beschouw de rustig uitgevoerde Nocturnes en trotse Polonaises van haar landgenoot Chopin maar als een aardige bijvangst.