JOSQUIN
 

DESPREZ, JOSQUIN (ca. 1455 – 1521): DOMINANT IN DE HOOGRENAISSANCE

 

 

 

Josquin Desprez, doorgaans simpelweg Josquin genoemd, domineerde het West-Europese muzieklandschap aan het eind van de vijftiende eeuw op ongeveer dezelfde manier als Dufay dat had gedaan in het midden van die eeuw. Hij was de belangrijkste componist uit de Hoog-Renaissance. Net als Dufay stamde hij uit Noord Europa, vermoedelijk uit St. Quentin in de regio Henegouwen, maar zijn reputatie was groter. Tijdgenoten vergelen hem met Michelangelo en Luther verkondigde vol bewondering: “Josquin is een meester der noten die precies doen wat hij wil, waar andere componisten moeten doen wat de noten willen”.

 

De polyfonie werd volwassen in Josquins dagen: hij consolideerde de verworvenheden van zijn grote voorgangers Dufay en Ockeghem en maakte van hun in essentie lineaire stijl iets dat harmonisch veel complexer en expressiever was. Voor het eerst werd echte aandacht besteed aan de betekenis van de tekst, maar toch blijft de pure klankschoonheid het meest frapperen. Josquin was degene die de basis legde voor de gewijde muziek uit de Renaissance door een rijk vocaal klankweefsel te ontwikkelen dat was opgebouwd uit lange, boogvormige frasen waarin een voortdurende imitatie in de stemvoering zowel een gevoel van eenheid als van progressie wekt.

 

Josquins werken werden geleidelijk in heel West-Europa bekend en dienden als voorbeeld voor menig tijdgenoot en theoreticus. Petrucci’s drie banden met zijn missen (1502-1514) illustreren hoe hoog hij werd geacht, net als Attaignants verzameling van zijn chansons uit 1550. Na zijn dood werden bekende klaagzangen voor hem geschreven, zoals Gomberts Musae Jovis en zelfs nog in 1554 betuigde Jacquet van Mantua hem eer met een motet. Hem werd alle eer betoond door bekende literaten als Castiglione en Rabelais en Luther beschouwde hem als zijn lievelingscomponist.

 

Het weinige dat bekend werd geacht over Josquins vroege jaren wordt sinds enige tijd in twijfel getrokken omdat recent musicologisch onderzoek aan het licht bracht dat hij rond 1455 werd geboren in plaats van – zoals lang aangenomen – rond 1440 en dat hij de zoon was van een zekere Gosard Lebloitte. De verwarring ontstond mede als gevolg van het bestaan van een andere Josquin, een in Milaan gevestigde zanger. Deze zong daar in het kathedraalkoor en ook de beroemde naamgenoot moet daar van 1459 tot 1472 werkzaam zijn geweest. In juli 1474 was hij een van de cantori di capella van Galeazzo Maria Sforza en van 1476-1504 in dienst van kardinaal Ascanio Sforza die hij mogelijk in 1484 naar Rome volgde. Iedere relatie tussen ‘de’ Josquin en Milaan wordt nu als suspect beschouwd. De vroegste concrete informatie waarover we thans beschikken, is dat hij in 1475 aan het hof van koning René van Anjou werkzaam was. Mogelijk had hij toen via de Sforza’s ook al contacten met het hof in Ferrara.

 

Maar belangrijker is natuurlijk zijn aanwezigheid vroeg in 1483 in de Bourgondische stad Condé-sur’l’Escaut en met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid was hij in het sterfjaar 1498 van die andere Josquin in Frankrijk, aan het hof van Lodewijk XII. In 1502 was hij heel zeker aan het hof van hertog Ercole in Ferrara met een aanbeveling van een van de talent scouts van de hertog, al werd volgens een andere bron Isaac genoemd omdat Josquin te lichtgeraakt zou zijn geweest en alleen componeerde als hij daar zin in had en daarvoor teveel honorarium vroeg.

 

Niettemin is zeker dat de hertog Josquin uitnodigde en beloond werd met een mis op zijn eigen naam. Toen de pestepidemie een jaar later Ferrara bereikte, week Josquin begrijpelijk tijdig weer naar het noorden uit (zijn opvolger, Obrecht, stierf aan de pest in 1505). Waar hij opnieuw in Condé-sur-l’Escaut werkzaam was, ditmaal als provoost van de collegiale kerk van Notre Dame, een functie die hij tot zijn dood behield. Mogelijk onderhield hij tussen 1508 en 1511 ook banden met het hof van Margareta van Oostenrijk.

 

De werken die ontstonden in Josquins vroegste periode tot ongeveer 1485 worden gekenmerkt door abstract, melismatisch contrapunt op de manier van Obrecht en door een gespannen relatie tussen tekst en muziek. In de middenperiode zo rond 1505 werd de methode van de ontwikkeling vervolmaakt en de techniek van de diepgaande imitatie ontwikkeld. Die stijl kan worden gezien als een synthese van twee tradities: de noordelijke van Dufay, Busnois en Ockeghem en de meer harmonische stijl uit Italië. In de laatste periode werd de relatie tussen tekst en muziek nog nauwer.

 

Hoewel Josquin een substantieel aantal hoofse liederen schreef, oefende hij de grootste invloed uit als componist van motetten en missen. Maar onder die chansons zijn juweeltjes aan te treffen, zoals Cela sans plus, Mille regretz en Si j’ay perdu mon ami met reeds een suggestie van Janequins stijl en aanpak.

 

In heel wat van Josquins gewijde muziek wordt de imitatietechniek, waarbij de ene stem gedeeltelijk of geheel herhaalt wat een andere zojuist heeft gezongen steeds evidenter.

 

Een ander middel dat hij graag toepast, is het uitstel, waarbij een noot in de ene stem langer wordt aangehouden, terwijl de andere stemmen overgaan op een nieuw akkoord. De disharmonie die dit procédé tot gevolg heeft, veroorzaakt een spanning die pas wordt opgeheven als aangehouden noot overgaat in de juiste noot.

 

Ook maakte Josquin nog dankbaar gebruik van de oude techniek waarin de muziek werd gebaseerd op een bestaande melodie, de cantus firmus. Dat gebeurde bijvoorbeeld in een van zijn late, bekendste missen, de Missa ‘Pange lingua’ die is gebaseerd op een Gregoriaanse ‘Corpus Christi’ hymne. Maar in plaats van speciale aandacht te vestigen op dat geleende materiaal – zoals zijn meeste tijdgenoten deden – behandelt Josquin die Gregoriaanse melodie heel vrij en vermomt hij hem binnenin het totale klankweefsel door hem over verschillende stemmen te verdelen en door de tekst zo afwisselender en gevoeliger te maken. Maar hij schreef ook missen waaraan een wereldlijke cantus firmus ten grondslag ligt; twee daarvan maken dankbaar gebruik van het destijds populaire liedje L’homme armé (de gewapende man).  

 

Motetten schreef Josquin zijn hele creatieve leven lang en de ontwikkeling van die vorm is goed te horen wanneer bijvoorbeeld het vroege vierstemmige Victimae paschali laudes uit 1502 wordt vergeleken met Planxit autem David uit de middenperiode en In principio erat verbum uit zijn late tijd.

 

Zoals gezegd: in de 18 complete missen worden elementen van de cantus firmus gecombineerd met parodie en parafrasetechnieken.

 

 

 

Selectieve discografie

 

Missa ‘L’homme armé’ sexti toni; Motetten ‘Absalom, fili mi’; ‘Ave Maria’. Oxford Camerata o.l.v. Jeremy Summerley. Naxos 8.553428. 1995

 

Missa ‘L’homme armé’ super voces musicales; Missa ‘L’homme armé’ sexti toni. Tallis scholars o.l.v. Peter Phillips. Gimell CDGIM 019. 1989

 

Missa ‘Pange lingua’; Missa ‘La sol fa re mi’. Tallis scholars o.l.v. Peter Phillips. Gimell CDGIM 009. 1986

 

Missa ‘De beata vergine’. Theatre of voices o.l.v. Paul Hillier. Harmonia Mundi HMU 90.7136. 1993

 

Missa ‘Gaudeamus’; Recordare virgo Mater; Regina caeli; Missa ‘Ave Maris stella’; Virgo salutiferi/Ave Maria. A sei voci en Maîtrise des Pays de Loire o.l.v. Bernard Fabre-Garrus. Auvidis Astrée E 8612. 1997

 

Missa ‘Faisant regretz’; 5 Motetti de passione. Clerk’s group o.l.v. Edward Wickam. ASV Gaudeamus CDGAU 302. 2001

 

Motetten. Hilliard ensemble o.l.v. Paul Hillier. Virgin 561.302-2. 1983

 

Motetten. Chapelle royale Parijs o.l.v. Phlippe Herreweghe. Hamonia Mundi HMC 90.1243. 1992

 

Chansons en instrumentale muziek van Josquin en zijn leerlingen. Belinda Sykes, John Potter, Jennie Cassidy, Robert Evans en London musica antiqua o.l.v. Philip Thorby. Signum SIGCD 025. 2000