LINDBERG
 

LINDBERG, MAGNUS (1958 -    ): OPEN OREN CLUB

 

 

 

Magnus Lindberg begon zijn loopbaan als componist vanuit de gedachte dat hij met zijn muziektaal terra incognita wilde verkennen. “Alleen de extremen boeien me. Het streven naar een evenwichtig geheel is tegenwoordig een onmogelijkheid.” De muziek die hij in de jaren tachtig vorige eeuw schreef, illustreert dat uitgangspunt: deze is dicht, monolithisch en korrelig en hij roept vaak wrange en onverzettelijke beelden op. Uit zijn latere werk blijkt echter een mildere opvatting.

 

Waar zijn eerdere werk een gevoel van statische verticaliteit werkte, doet zijn recentere werk meer lineair aan met een nadruk op helderder en sonoorder klanken. Of, zoals hij het zelf omschrijft: “Vroeger hakte ik in graniet, tegenwoordig is mijn benadering zachter, vriendelijker, alsof ik met klein werk.”

 

Geboren en getogen in Helsinki studeerde Lindberg daar aan de Sibelius academie bij Rautavaara en Paavo Heininen die hem introduceerde in een breed gamma aan eigentijdse muziek. Rond 1980 leidde dat alles tot de stichting van een informele groep met de naam ‘De open oren club’

 

Met collega student Esa Pekka Salonen (destijds hoornist, thans al jaren dirigent) formeerde hij het instrumentale ensemble Toimii waarin hij piano en slagwerk speelde als middel om zijn composities nader uit te werken en uit te voeren.

 

Nadat hij was afgestudeerd reisde hij uitgebreid door Europa en studeerde hij in Parijs bij Vinko Globokar en Gérard Grisey. Zijn eerste werken waren sterk beïnvloed door het serialisme, maar hij was ook geboeid door het gebruik van de computer en in Kraft (1985), een fors brok musique concrète, gebruikte hij die om de uiterst gecompliceerde ritmische omzettingen die in dat werk voorkomen te berekenen. De slagwerkachtige opzet van Kraft, waarin gebruik wordt gemaakt van materiaal uit de schroothandel en punk inspireerde een nieuw soort bruitisme dat kenmerkend was voor de Lindberg uit die periode.

 

Zijn na Kraft ontstane werken suggereren een geleidelijke verandering van de richting waarin hij zijn klankwereld wilde vestigen. Zijn muziek krijgt meer vaart en de details van de instrumentale timbres krijgen een scherper aanzien. Tegen de jaren 1990 vond Lindberg zichzelf als het ware opnieuw uit met een verrassende regelmaat. Zo gebruikte hij eerst bijvoorbeeld de chaconne als een organisatiemethode, maar liet die gedachte weer los toen hij zich richtte op pulserende ostinati die hij mogelijk aan Stravinsky ontleende, maar dan met een zijdelingse blik op het minimalisme.

 

Aura (1994) is een van Lindbergs omvangrijkste en meest symfonische werken. Het stuk is opgedragen aan de herinnering van Lutoslawski. Het werk bestaat uit vier delen die zonder onderbreking in elkaar overgaan. De eerste twee combineren een monumentale schaal met een haast tastbare doelgerichtheid. Het stuk begint met een laag orkestraal gegrom en bonkende pauken die lijken te wijzen op iets van oerkracht met monolithisch karakter, ondermijnt Lindberg dat voortdurend door plotselinge zijwegen in te slaan en vreemde instrumentale combinaties te exploreren waaruit dan vaak weer verrassende kleurflitsen te voorschijn komen. Zoals een samengaan van glockenspiel en piano dat een rusteloze, schemerachtige uitbarsting van energie aan het eind van het tweede deel teweeg brengt.

 

Gedurende het hele werk is die spanning tussen het orkest als een enkelvoudige, massale stem en als een verzameling van een myriade individuele stemmen – elk daarvan met een heel individueel karakter – de bron van alle muzikale ontwikkeling en vaart. De finale beleeft zijn climax in een koortsachtig koor van ongebreidelde opwinding dat tenslotte zin oplossing vindt in een sereen coda waarover de geest van Sibelius lijkt te zweven.

 

De composities van Lindberg uit de jaren negentig zijn heel wat vriendelijker voor de luisteraar dan zijn vroege werken. Zij vormen dus een ideaal uitgangspunt voor degenen die zijn werk nader willen verkennen. In Corrente (1992) wordt een kijkje genomen naar een barokke dansvorm, waarbij het snelle, vloeiende karakter daarvan wordt veranderd in een caleidoscopische mêlee van gejaagde stemmen die laag voor laag wordt opgebouwd. Er is een omineuze onderstroom binnen het werk die doorloopt tot de drie duister dramatische akkoorden waarmee het werk eindigt.

 

Coyote blues (1993) was in eerste aanleg een vocaal opdrachtwerk, maar Lindbergs interesse in ritmische complexiteit maakte dat het zich al gauw ontwikkelde tot een orkestwerk, maar dan wel eentje met een voor zijn doen ongewoon lyrisch karakter. De briljante beginfanfare en de obsessief herhaalde ostinati verraden een verplichting aan Stravinsky en diens Les noces en Octet maar er schuilen ook Amerikaanse invloeden in het werk, vooral in de open klank van de slotmomenten.

 

Lindbergs ontwikkeling richting een levendiger, maar wat getemperder instrumentaal palet bereikt een hoogtepunt in Arena (1995), een opdrachtwerk voor een dirigentenconcours. Het is een van zijn rijkst klinkende werken, zelfs nog in zijn gereduceerde vorm als Arena 2. Het gebruik van herhaalde motieven, levendige kleuren en de gespannen benauwdheid uit de eerste helft, suggereren een hommage aan de meer experimentele Hollywood filmpartituren in het algemeen en aan het werk van Bernard Herrmann in het bijzonder.

 

Recenter werken als Feria (1997), Fresco (1997), Cantigas (1999), het celloconcert (1999) en Grand duo (2000) vestigden Lindbergs reputatie als belangrijke Finse componist definitief.

 

 

 

Selectieve discografie

 

‘Meet the composer’. ‘Situation’ uit Action; Signification; Kinetics; Kraft; Rittrato; Zona; Ablauf; ….De Tartuffe, je crois; Linea d’ombra; Stroke; Twine. Diverse uitvoerenden. Finlandia 0630-19765-2 (2 cd’s).

 

Aura; Engine. London sinfonietta en BBC symfonie orkest o.l.v. Oliver Knussen. DG 463.184-2.

 

Arena 2; Coyote blues; Tendenza; Corrente; Avanti!. Kamerorkest o.l.v. Sakari Oramo. Ondine ODE 882-2.