SULLIVAN
componisten portretten

SULLIVAN, ARTHUR (1842 – 1900): ENGELSE OPERETTE

 

Arthur Sullivan heeft als componist altijd de pech gehad dat zijn nam onlosmakelijk was verbonden met die van Gilbert als scheppers van de Engelse operette, die typisch Engelse mengeling van sociale satire en burleske, geëmancipeerde muzikale parodie. “Ze leidden hem op om Europa te laten gapen” zei G.B. Shaw in een in memoriam voor Sullivan omdat nauwelijks iemand aandacht had besteed aan Sullivans andere, echt serieuze werken.

Deze werd in 1842 in Lambeth geboren en ging aanvankelijk in Londen aan de Royal academy of music studeren. Als zoveel landgenoten toog hij daarna naar Leipzig waar hij van 1858 tot 1861 aan het conservatorium studeerde en als een soort bekroning daarvan zijn ouverture The tempest schreef, een werk dat nog duidelijk het stempel van Mendelssohn droeg. Verder schreef hij balletmuziek en bezocht hij in 1867 Wenen waar hij een verloren partituur van Schubert ontdekte. Dat deed zijn reputatie als serieuze musicus bepaald geen kwaad. Maar in datzelfde jaar ontmoette hij ook W.S. Gilbert.

De eerste opvoering van een uit hun samenwerking voortgesproten werk, Thespis, werd met gemengde gevoelens ontvangen. Aanleiding genoeg voor Sullivan om terug te keren tot het onderwijs en het schrijven van religieuze muziek – inclusief het overbekende Onward Christian soldiers. Maar een definitieve samenwerking met Gilbert werd tot stand gebracht door de impresario Richard d’Oyly Carte, die het gegeven van wat later Trial by jury uit 1875 zou worden voorstelde. Dat stuk was dermate succesvol dat de nieuwe samenwerking in een reeks van nieuwe werken uitmondde, inclusief The sorcerer (1877), HMS Pinafore (1878), The pirates of Penzance (1880), Patience (1881) en Iolanthe (1882).

In 1882 werd Sullivan in de adelstand verheven, maar alle eerbetoon ten spijt had hij genoeg gekregen van een dieet van louter muzikale frivoliteit. Dat kwam tot uiting na de opvoering van Princess Ida en Sullivan nam de benen voor een tournee op het Europese continent. Carte bracht een wapenstilstand tot stand tussen Sullivan en Gilbert en na heel wat strijd en onderhandelen kwam The mikado tot stand. Volgens Ethyl Smith was dat meteen hun grootste meesterwerk. Binnen vier jaar volgden nog The gondoliers en The yeoman of the guard.

Een volgende ruzie en een rechtsgang tussen het tweetal in 1890 leidde later wel weer tot enige verzoening, maar betekende een definitief einde van hun samenwerking. Sullivan overleed tien jaar later; volgens eigen zeggen als schaduw van wat hij echt had kunnen zijn. Een zwierige symfonie in E geeft een indruk van hoe dat had kunnen zijn wanneer Gilbert nooit ten tonele was verschenen. Feit is dat Sullivan voor vrijwel eeuwig was gelieerd met Gilbert en dat het duo een reeks geestige, pittige en moeilijk buiten Engeland te verkopen werken produceerde. Sullivan vertegenwoordigt in die zin een acceptabel gezicht van Little Englandism.

Twee voorbeelden van Sullivan op zijn best in dit genre:

De inspiratie van The pirates of Penzance is ontleend aan Stevensons boek Treasure island. Verder speelde een rol dat Gilbert in zijn jeugd was ontvoerd door een Napolitaanse bende en dat de makers weinig respect hadden voor het leger, de politie en het House of lords. Gilbert plaatste de piraten in het morele middelpunt van het werk waar zij een moed en een waardigheid tonen die volgens hem bij de autoriteiten ontbreekt. De piraten koning is een toonbeeld van fatsoen en levert fel sociaal commentaar. Zijn houding wordt gerechtvaardigd wanneer tenslotte blijkt dat de piraten eigenlijk misleide edelen zijn.

Sullivan putte graag uit Italiaanse bronnen die hij plagieerde in zijn muziek. Er komen heel wat walsen, marsen en dansmelodieën in voor.

De librettist en de componist waren op hun gevatst en verbeeldingsvolst in The mikado. Met dat werk hadden ze zoals al gezegd hun grootste succes en het beleefde ook het grootste aantal voorstellingen. Het werk ontsproot aan een tentoonstelling van Japanse producten in Knightsbridge. Maar het getoonde oriëntalisme is slechts glanzend oppervlak. De handeling is heel ingewikkeld op het absurde af en legt verband tussen lieden als Ko-Ko, de lord High Executioner, Pooh-Bah ‘the lord of everything else’, de rondreizende troubadour Nanki-Poo en de prachtige Pitti-Sing (babytaal voor ‘pretty thing’). Het gaat om een satire op de absurditeiten van de Britse maatschappij.

De esprit van Sillivans muziek blijkt bijvoorbeeld uit het feit dat hij echte Japanse melodieën gebruikt, maar ook een Engels madrigaal en een fuga van Bach terwijl het geen moment aan logische samenhang ontbreekt. Victoriaanse ballades gaan hand in hand met pastiches met een hoog zuurgehalte en het wrange van Gilberts teksten gaat mooi samen met de zonnige muziek van Sullivan. Maar een goed exportproduct is het geheel nooit geworden.

 

Selectieve discografie

Symfonie in E Irish; Suite The tempest; Ouverture In memoriam. BBC filharmonisch orkest o.l.v. Richard Hickox. Chandos CHAN 9859.

Ouvertures. Royal ballet sinfonia o.l.v. Andrew Penny. Naxos 9.554165.

The gondoliers. Richard Suart, Philip Creasy, John Rath, David Fieldsend. Alan Oke, Tim Morgan, Elizabeth Woollett, Pamela Baxter e.a. met D”Oyly Carte opera ensemble o.l.v. John Pryce-Jones. TER CDTER 1187 (2 cd’s).

The mikado. Donald Adams, Anthony Rolfe-Johnson, Richard Suart, Richard van Allen, Marie McLaughlin met het Ensemble van de Welsh national opera o.l.v. Charles Mackerras. Telarc CD 80284.

HMS Pinafore. Richard Suart, Felicity Palmer, Rebecca Evans, Thomas Allen, Michael Schade, Donald Adams, Valerie Seymour, Richard van Allan e.a. met het Ensemble van de Welsh national opera o.l.v. Charles Mackerras. Telarc CD 80374.

The pirates of Penzance. John Reed, Donald Adams, Valerie Masterson, Owen Brannigan e.a. met de D’Oyly Carte company o.l.v. Godfrey. Decca 425.196-2 (2 cd’s).