SHCHEDRIN
componisten portretten

SHCHEDRIN, RODION (1932 -   ): CARMEN EN MEER

 

De Nederlandse spelling van de naam van deze Russische componist van wie ook  de Engelstalige schrijfwijze Shchedrin, de Duitstalige Schtschedrin en de Franstalige Chédrine circuleren is intussen gemeengoed geworden. De ook in het Westen steeds bekender geraakte Rodion Sjtsedrin (1932) gold in de voormalige Sovjet Unie als avant-gardist, een aanduiding die nu wat belachelijk aandoet. In de eerste jaren na zijn afstuderen in 1955 (bij Joeri Sjaporin in compositieleer en Jacob Flier in de pianoklas) van het Moskouse Tschaikovsky Conservatorium werd hij met zijn puntige werken snel bekend; een titels als zijn concerten voor orkest nr. 1 Brutale orkestschetsen uit 1963, nr. 2 Klokken uit 1967 en nr. 3 Oud-Russische circusmuziek, Stalin cocktail voor klavecimbel en strijkers (1992) en de balletten Het gebochelde paardje (1956) en De dame met het schoothondje (1985) wijzen in die richting.

Terugblikkend naar de Sovjet muziekgeschiedenis bijna vijftien jaar nadat een bevrijding intrad, is het soms wat lastig om zich de enorme politieke druk voor te stellen waaraan Russische componisten blootstonden, met name gedurende het regiem van Stalin, maar ook daarna nog tijdens de ‘dooi’ periode onder Chroetsjev. “Onpolitieke’ muziek bestond vrijwel niet. Met elk werk werd een politieke positie bepaald langs de dunne demarcatielinie die de getrouwen scheidde van dissidenten, westers georiënteerde avant-gardisten en modernisten. De ene componist lukte die balanceeract beter dan de andere.

Door zijn snel – ook in het buitenland – gegroeide roem, door zijn huwelijk met Maja Plissetskaja (de opvolgster van Ulanova als prima ballerina assoluta aan het Bolshoi theater) was hij afgeschermd jegens al de drastische reglementering door Sovjet cultuur bureaucraten en kon hij een ecclecticisme bedrijven waarbij onder het humoristische oppervlak veel vinnigheid schuilgaat.

Er is al een enorme wereld van verschil tussen het eerste, virtuoosbriljante van zijn vier Concerten voor orkest uit 1963 en het tweede als klankstudie met bijna nog eigentijdse elementen van serialisme en aleatoriek. Men kan haast niet geloven dat beide werken van dezelfde componist zijn. Aanvankelijk liep Sjtsedrin braaf aan de leiband van de machthebbers, hij werd in 1973 als opvolger van Sjostakovitch zelfs voorzitter van de  componistenunie van de Russische Federatie, die wat minder dogmatisch was dan de Sovjet tegenhanger, maar niettemin.

In 1972 kreeg de componist nog de USSR Staatsprijs, maar in 1992 ook de Staatsprijs van de nieuwe democratie voor zijn oratorium De verzegelde engel. Sjtsedrin componeerde in vele genres, maar zijn belangrijkste uitingen liggen op werken voor het muziektheater en meer specifiek op balletgebied. Zijn belangrijkste werken zijn behalve dat eerste Concert voor orkest, het orkestwerk Stihira (1987), de Fresco’s van Dionysos (1981), enige pianowerken als A la Albéniz (1963), de Humoresque (1959), de 25 Polyfonische préludes (1972) en de 24 Preludes en fuga’s (1963-1970) de balletten Anna Karenina (naar Tolstoi) uit 1972, De zeemeeuw uit 1980 en het Carmen ballet reeds uit 1968. Geen wonder met zijn vrouw als gevierde balletdanseres.

Het ontstaan van Carmen berust voor een groot deel op toeval. Gevraagd was een balletmuziek te schrijven voor de Cubaanse choreograaf Alberto Alonso op het gegeven van Prosper Mérimée’s verhaal. Maar de componist was sceptisch over die idee: het onderwerp was immers al zo voortreffelijk en uitputtend door Bizet behandeld. Hij besloot tenslotte die muziek van Bizet als uitgangspunt te kiezen en materiaal uit diens opera te verwerken, plus twee gedeelten uit diens Arlésienne muziek en de opera La jolie fille de Perth. Zo ontstond een uit 13 muzieknummers bestaande suite, die briljant werd gearrangeerd voor strijkorkest, pauken en vier groepen slagwerkinstrumenten. Niet als slaafse revérence richting Bizet, doch als ontmoetingspoging van twee creatieve geesten.

Het werk ging 20 april 1967 in het Bolshoitheater in première en stuitte meteen op hevige afkeuring van de gezagsdragers die de muziek een belediging voor Bizet vonden en aanstoot namen aan de seksuele behandeling van Carmen zelf. Het kwam niet eens tot een tweede voorstelling. Niettemin werd later dankzij de interventie van Shostakovitch groen licht gegeven voor verdere opvoeringen. Dat de bijna drie kwartier vergende muziek met deeltjes als Danse, Premier entr’acte, Relève de la garde, Entrée de Carmen et Havanaise, Boléro, Toréador, Toréador et Carmen en Prophétie  in de nieuwe vorm een uitgesproken danskarakter kreeg, spreekt welhaast vanzelf!

Hoe dat verder ook zij: zigeunerliefde, torero en de arena voor stierengevechten worden hier dusdanig onweerstaanbaar muzikaal verklaard dat iedereen onmiddellijk begrijpt dat Carmen – ondanks de grillen van kismet – zich van de saaie sergeant afwendt.

Niet minder dan vijf musici zijn actief in een rijkelijk van gereedschappen voorziene slagwerkkeuken om de vertrouwde klanken van Bizet op te peppen en een elektriserende schokwerking te verlenen.

Van het werk verschenen inmiddels zo’n tien versies, waarvan de ‘authentieke’ van Rozdestvensky uit 1967  (Melodya 74321-36908-2), van Turovsky met de Musici de Montréal uit 1993 (Chandos CHAN 9288) en van het Russisch nationaal orkest onder Mikhail Pletnev uit 1998 (DG 471.136-2) tot de beste behoren. Op grond van de mooie geluidskwaliteit en het verder geheel uit werken van Sjtsedrin bestaande programma geniet de DG opname een lichte voorkeur.