SCELSI
componisten portretten

SCELSI, GIACINTO (1905 – 1988): MUZIKAAL ARISTOCRAAT

 

Graaf Giacinto Scelsi d’Ayal Valva, aristocraat, dichter en componist was een van de ongewoonste twintigste eeuwse componisten. Hij werd in 1905 geboren en bracht zijn jeugd door in het voorouderlijke familiekasteel in Valva bij Napels, waar zijn studie – volgens zijn eigen getuigenis – vooral was gericht op schermen, Latijn en schaken. In zijn jeugdige enthousiasme had de piano ook een plaats en hij kon uren doorbrengen met improviseren, wat op zijn latere componeertrant vooruitloopt. Hoewel hij nooit een echte muziekopleiding genoot, bezocht Scelsi wel regelmatig Respighi in Rome, raakte hij geboeid door de futuristische muziek van Luigi Russolo en studeerde hij korte tijd in Wenen bij een leerling van Schönberg en schreef vervolgens het eerste twaalftoons werk van een Italiaan.

Vervolgens woonde hij in Londen waar hij met een nicht van de koningin trouwde, daarna in Parijs waar hij drie bundels met surrealistische poëzie in het Frans publiceerde en kreeg hij de reputatie van een non-conformistische componist wiens invloeden varieerden van het futurisme tot Berg en Scriabin. In die periode reisde hij ook door Azië, met name naar India en Tibet. Het waren reizen die later grote invloed op zijn werk zouden hebben.

De volledige feiten over het leven van Scelsi zijn onbekend. Na de Tweede Wereldoorlog leed hij aan langdurige zenuwcrises. Volgens eigen zeggen “vergat ik in die tijd alles wat ik van muziek wist”. Gedurende zijn herstelperiodes speelde Scelsi om zijn gemoed tot rust te brengen vaak uren achter elkaar louter hele noten op de piano. Het was een vorm van muzikale zelftherapie die – hoe onwaarschijnlijk ook – de basis ging vormen van zijn latere compositiestijl. Hij werd ook Boeddhist, mediteerde uitgebreid driemaal daags en voegde een Zen symbool (een cirkeltje boven een horizontaal streepje) toe aan zijn handtekening.

In 1959 leidde zijn één-noot improvisaties tot het oorspronkelijke Quattro pezzi chiascuno su una nota sola, de eerste ondubbelzinnige manifestatie van Scelsi’s streven naar wat hij noemde “de driedimensionale geluidskwaliteit”. Elk deel heeft als begin- en eindpunt een afzonderlijke noot, een radicale beperking van het muziekthema waardoor de aandacht naar binnen wordt gericht en een manier om de luisteraar te laten horen wat een muzikale klank is, in plaats van wat deze doet. De voor de hand liggende vergelijking is die met de Oosterse muziek die Scelsi zo bewonderde, om het even of het om de Indiase raga of de Tibetaanse tantra gaat: muziek met een hypnotiserende concentratie op een enkele, elementaire klank.

Gelukkig verheft het wondere genie van Scelsi dit en later werk ver boven het niveau van banale toeristische muziek omdat hij een unieke klankwereld schiep die in geen enkele andere traditie dan in de zijne past.

Hoewel geen van Scelsi’s latere werken de enorme eenvoud bezit van deze Quattro pezzi zijn ze alle gebaseerd op wat in wezen heel karig materiaal is. Het is muziek waarin thema’s, melodie, ritme en (vaak) harmonie in feite geheel afwezig zijn, maar die de luisteraar confronteren met het fenomeen van de pure klank gedurende een schijnbaar volkomen natuurlijke en spontane evolutie. De paradox is dat Scelsi er (tenminste in zijn beste werken) in slaagt om zulke verrassend lumineuze effecten te ontlenen aan zelfs de allereenvoudigste notencombinaties.

Op latere leeftijd ontpopte Scelsi zich nog als een heel vruchtbare componist en hij schreef bij voorkeur voor strijkers, getuige zijn vijf strijkkwartetten en het prachtige ‘vioolconcert’ Anahit uit 1965. Maar hij verwaarloosde ook de blazers niet, zoals het prachtige Kya voor klarinet en 7 instrumenten (1959). Op den duur gaf hij zelfs het componeren voor piano eraan omdat hij de permanente stemming van het instrument en de uniforme klank een beperking vond.

Scelsi werd niet alleen bekend om unieke stijl, maar ook door zijn ongebruikelijke werkmethodes, waarbij de stukken eerst werden geïmproviseerd – hetzij door de componist aan de vleugel, hetzij in samenwerking met toegewijde musici samen – en pas daarna werden genoteerd door een goed geschoolde amanuensis. Later verklaarde de componist Vieru Tosatti die zo’n assistent was dat hij eigenlijk die muziek had gecomponeerd. Rond 1975 hield Scelsi op met componeren, maar hij genoot nog wel van zijn late roem.

Zoals gezegd bevat Scelsi’s latere oeuvre veel werken voor strijkers omdat strijkinstrumenten zo geschikt blijken te zijn voor zijn stijl met hun vele toonkleuren en hun vele speelwijzen (diverse strijktechnieken, effecten, pizzicati, glissandi, harmonischen) en het gemak waarmee ze microtonen kunnen spelen. Het beste werk op dit gebied is het ongeveer achttien minuten durende Anahit uit 1965 voor soloviool en 18 instrumenten met de ondertitel “Lyrisch gedicht op de naam Venus”.

Kya voor solo klarinet en klein ensemble van hoofdzakelijk blazers toont Scelsi’s bezwerende stijl op zijn mooist en overtuigendst. Het werk dateert net als de Quattro pezzi uit 1959 en is iets vrijer, losser van aard. Het verraadt met zijn meditatieve herhalingen ook wel minimalistische, statische trekken maar de manier waarop het geleidelijk uitbot is heel bijzonder. Maar ineens houdt het werk op en is het of het slechts om een fragment van een muziek gaat die al veel eerder begon en die in wezen nog lang doorgaat.

De vijf strijkkwartetten omspannen zo ongeveer de hele componeerperiode van Scelsi. Het eerste dateert uit 1944, het vijfde (tevens zijn laatste werk) uit 1984. Samen laten deze werken mooi duidelijk de evolutie van de componist horen. Het eerste kwartet laat horen hoe de veertigjarige componisten alle modernistische lessen heeft geabsorbeerd en deze tot iets eigens heeft verwerkt. De nummers 2-4 ontstonden kort na elkaar aan het begin van de jaren zestig; het zwierige tweede en het serene derde kwartet vormen een sterk contrasterend paar. Maar echt apart is het vierde kwartet. Daarin is de muziek voor elke snaar van ieder der vier instrumenten afzonderlijk genoteerd, alsof de componist zich het werk niet voorstelde als iets voor 2 violen, altviool en cello, maar als één 16-snarig instrument dat als een quasi orkest kon fungeren: een echt uniek stuk. Het vijfde kwartet is een kort, laat stuk met een sfinxkarakter. Het is een eerbetoon aan een vriend, de in 1983 overleden Franse dichter Henri Michaux.

 

Selectieve discografie

Anahit; KAI, Yamaon; I presagi; 3 Pezzi; Okanagon. Annette Bik met Klangforum Wenen o.l.v. Hans Zender. Kairos 0012032. 1995

Kya; Pranam. Rémi Lerner met het Ensemble 2E2M o.l.v. Paul Méfano. Musidisc 24311-2. 1989

De 5 strijkkwartetten. Arditti kwartet. Auvidis Montaigne MO 782042 of Salabert SCD 8904-5 (2 cd’s). 1993