SHOSTAKOVICH
componisten portretten

SHOSTAKOVICH, DMITRI (1906-1975): TRADITIONALISCHE MODERNIST

 

Dmitri Shostakovich overleed in 1975, vier jaar na Stravinsky en hij was de laatste grote componist wiens grote kwaliteiten zowel in de werden traditionalistische- als in de modernistische muziekwereld werden erkend. In de weken na zijn dood werden overal herdenkingsconcerten gegeven en werd hij herdacht als een van de beste twintigste eeuwse componisten.

Voor velen geldt die claim nog steeds en zelfs onder hen die hem minder hoog schatten zal niemand ontkennen dat hij een fascinerende persoonlijkheid was. In tegenstelling tot Prokofiev die nog was opgegroeid in het tsaristische Rusland, bracht Shostakovich zijn hele leven door onder het Sovjet regime en hij was de eerste succesvolle componist die dankzij en niet ondanks het communistische regime een grote naam verwierf.

Shostakovich kreeg zijn eerste muzieklessen van zijn moeder, maar onderging zijn eerste belangrijke compositorische invloed van Glazoenof die de jongeman aanmoedigde toen hij aan het conservatorium in Petrograd (St. Petersburg) ging studeren in 1919.

Vier jaar later sloot hij daar zijn studie af met een pianodiploma en ging concerteren. In 1926 sloot hij zijn compositiestudie af met zijn diplomastuk, de Eerste symfonie. Deze werd zowel in Moskou als in het intussen omgedoopte Leningrad uitgevoerd en bezorgde de componist al enige beroemdheid voor zijn eenentwintigste.

De idealist Shostakovich was ervan overtuigd dat het zijn opgave was om de staat als kunstenaar te dienen en begon hij in overeenstemming met de eisen van de heersende macht ‘realistische’ muziek te schrijven. Maar dan wel met een progressief kantje.

Hij was zeer onder de indruk van de muziek van de Tweede Weense school en meer in het bijzonder van Bergs Wozzeck. Op basis daarvan ontwikkelde hij een eclectische stijl die was geworteld in de tonaliteit maar ook elementen bevatte van de ruwe Duits/Oostenrijkse avant-garde tendensen.

Hij voelde het als zijn missie om toegankelijke muziek te schrijven die niet regressief was en dat bracht hem bij herhaling in conflict met de scheidsrechters van de regering.

Twee jaar na de succesvolle première van zijn opera Lady Macbeth van Mtsensk werd in de Pravda gehakt gemaakt van dit werk onder de titel ‘Chaos in plaats van muziek’ omdat slechts sprak was van ‘een verwarde klankstroom’ en ‘goedkope bourgeois sensatiezucht’.

De staat maakte duidelijk dat ‘Sovjet kunst geen ander doel kan hebben dan de interessen van het  volk en de staat te dienen’ en hoewel Shostakovich het ten dele met dit vage dictaat eens was, was hij ontsteld over de extremen die deze staat in acht wilde laten nemen.

Wanneer een rijk over een bevolking van meer dan 180 miljoen mensen beschikt die 108 verschillende talen spreken, is het moeilijk om een gemeenschappelijk uitgangspunt te vinden. Niettemin werd de componist telkens weer gekoeioneerd vanwege zijn afdwalingen van het slecht gedefinieerde pad van het socialistische realisme.

Van 1938 tot 1955 wijdde Shostakovich zich voornamelijk aan de symfonische muziek en begon hij tevens aan zijn omvangrijke serie strijkkwartetten. Twee maanden voordat hij in oktober 1941 per vliegtuig werd bevrijd uit het belegerde Leningrad, werkte hij als brandweerman en gewondenverzorger. Nadat hij met andere kunstenaars een poos had doorgebracht in Kuibyshev vestigde hij zich in 1943 in Moskou waar hij werd genoemd tot professor in de compositie aan het conservatorium.

En hoewel hij op haast vernederende manier de richtlijnen van de partij volgde, raakte hij met vele andere prominenten onder de Russische componisten in 1948 toch weer in conflict met de regering. Beschuldigd werden zij toen van ‘formalisme’ en het scheppen van ‘anti volkskunst’. Hij werd van zijn lestaak ontheven en schreef een tijdlang haast alleen nog filmmuziek en patriottische stukken tot na Stalins dood in 1953.

De laatste twintig levensjaren verliepen een stuk rustiger. Bevrijd van staatsbemoeienis produceerde hij nog heel wat erg mooie muziek en beleefde hij de uitvoering van een aantal stukken die tijdens de Stalinistische waren geschreven.

Een van de aangename dingen was zijn hartelijke vriendschap met Benjamin Britten. Plus het groepje grote Russische musici – Nikolayeva, Oistrakh, Rostropovich – voor wie hij heel waardevolle muziek schreef.

Shostakovich’ stijl is heterogeen, maar onmiddellijk herkenbaar door een combinatie van een drietal kenmerkende eigenschappen: ‘levendige humor, introspectieve meditatie en declamatorische grandeur’ in de woorden van musicoloog Boris Schwarz.

Schwarz stelt verder dat in sommige werken een van die eigenschappen erg domineert, waardoor de muziek monotoon en langdradig kan worden. Maar in zijn beste werken, met name in de symfonieën en de strijkkwartetten slaagt hij erin om mooie expressieve, emotionele uitersten te bereiken door tragische intensiteit te plaatsen tegenover groteske humor, het sublieme tegenover het banale, volkse vrolijkheid tegenover elementaire duisternis. Dat gebeurt op een manier die aan Mahler herinnert, een componist met wie hij zich nauw verwant voelde door een identiek spanningsveld tussen individualistische gevoelens en collectief actionisme: bekentenismuziek van het zuiverste water.

De componist was ook het prototype van de overlever. Eerst de hongerperiode aan het conservatorium, daarna de woeste aanval van het partijapparaat in 1936, in 1941 de verschrikkingen van de oorlog en tot slot de cultuurpolitieke aanval van Zhdanov in 1948.

Shostakovich geldt als de laatste grote symfonicus en dat belicht meteen deels zijn anachronistische positie in de twintigste eeuwse muziek. Dat patroon zet zich tot het eind voort. Met zijn symfonie nr. 13 met de toevoeging van de duidelijk ongewenste tekst over de Jodenmoord van ‘Babi Jar’ provoceerde hij, kwam vervolgens in nr. 14 tot een requiemachtige verinnerlijking en gebruikte in nr. 15 twaalftoonreeksen plus Rossini- en Wagnercitaten.

 

Selectieve discografie

 

Symfonie nr. 1 en 6. Russisch nationaal orkest o.l.v. Vladimir Jurowski. Pentatone PTC 5186-068.

 

Symfonie nr. 4. Birmingham symfonie orkest o.l.v. Simon Rattle. EMI 555.476-2.

 

Symfonie nr. 5; Kamersymfonie op. 110a. Weens filharmonisch orkest o.l.v. Mariss Jansons. EMI 556.442-2.

 

Symfonie nr. 7. Schots nationaal orkest o.l.v. Neeme Järvi. Chandos CHAN 8623.

 

Symfonie nr. 8. Concertgebouw orkest o.l.v. Bernard Haitink. Decca 425.071-2.

 

Symfonie nr. 10. Berlijns filharmonisch orkest o.l.v. Herbert von Karajan. DG 477.5909.

 

Symfonie nr. 15. Londens filharmonisch orkest o.l.v. Bernard Haitink. Decca 425.069-2.

 

Pianoconcerten nr. 1 en 2. Dmitri Alexyev (p) en Philip Jones (tr) met het Engels kamerorkest o.l.v. Jerzy Maksimiuk. EMI CDB 762.556-2.

 

Vioolconcerten nr. 1 en 2. Lydia Mordkovitch met het Schots nationaal orkest o.l.v. Neeme Järvi. Chandos CHAN 8820.

 

Celloconcerten nr. 1 en 2. Daniel Müller-Schott met het orkest van de Beierse omroep o.l.v. Jakov Kreizberg. Orfeo 659081.

 

Pianokwintet. Elisabeth Leonskaja met het Borodin kwartet. Teldec 4509-98414-2.

 

Strijkkwartetten nr. 1-15, Emerson kwartet. DG 475.7407 (5 cd’s)

 

Vioolsonate. Lydia Mordkovitch en Clifford Benson. Chandos CHAN 8988.

 

24 Preludes en fuga’s. Tatiana Nikolayeva. Hyperion CDA 66441/3 (3 cd’s).

 

Lady Macbeth van Mtsensk. Galina Vishnevskaya, Nicolai Gedda, Dimiter Petkov, Werner Krenn, Robert Tear, Taru Valjakka e.a. met het Ambrosian operakoor en het Londens filharmonisch orkest o.l.v. Mstislav Rostropovich. EMI 567.776-2 (3 cd’s).