BERIO
 

BERIO, LUCIANO (1925 - 2003): DUIVELSKUNSTENAAR

 

 

 

Berio begon zijn muziekstudie thuis bij zijn vader en grootvader; beiden waren organist en componist. Hij vervolgde zijn opleiding in de late jaren 1940 bij Ghedini aan het Milanees conservatorium.

 

Luciano Berio’s werk wordt bovenal gekarakteriseerd door zijn grote voorliefde voor het theater, zijn fascinatie voor de menselijke stem en zijn voortdurende bereidheid om zich in te zetten voor de muziek uit het verleden en het heden. Inspiratie puttend uit een grote reeks invloeden die reikt van Dantes dichtkunst tot de politiek van Martin Luther King en van de opera’s van Monteverdi tot de modern jazz heeft hij eigenlijk in zijn werken altijd de belangrijkste ontwikkelingen uit die periode geïntegreerd, inclusief de elektronische muziek, minimalisme, muziektheater, aleatoriek. Ook gebruikte hij graag de collagetechniek en citaten. Met recht kan men hem dus een omnivoor noemen.

 

In 1951 ontmoette hij in Tanglewood Dallapiccola die hem verleidde om zich met het serialisme te gaan bezighouden. Het resultaat was onder andere de op teksten van Joyce gebaseerde cyclus Kamermuziek voor voor stem en trio uit 1953. Verdere stimulansen vormden zijn ontmoetingen met Maderna. Pousseur en Stockhausen in Bazel in 1954. Berio trad toe tot de belangrijke componistengroep in Darmstadt en Donaueschingen, van 1955 tot 1958 was hij leider van de elektronische studio in Milaan, maar componeerde tezelfdertijd de eerste van zijn dertien Sequenza’s in 1958. De eerste van een reeks waarin hij de solistische mogelijkheden van diverse instrumenten onderzocht.  Soms doet het resultaat half gaar aan, maar de van de verschillende instrumentalisten – achtereenvolgens fluit, harp, piano, klarinet, altsax, trombone, altviool, hobo, viool, trompet, gitaar, fagot en accordeon – wordt gevergd is een parallel met het vocale trapezewerk van Berberian. Nog in 2000 werd daar een veertiende aan toegevoegd. Begonnen in 1958 omspannen deze werken dus vrijwel de hele compositieloopbaan van Berio; ze getuigen van een voortdurende innovatieve zoektocht naar de virtuoze en dramatische mogelijkheden van de muzikale uitvoeringstechniek. Sommige Sequenza’s zoals die voor fluit (1958) en piano (1966) zijn klassieke voorbeelden van de abstracte avant-garde muziektaal uit het midden van de vorige eeuw, andere verraden een voorkeur voor het theatrale dat meer eigen is aan de componist. Voorbeelden zijn de clowneske trombone Sequenza uit 1965 en de al genoemde vocale acrobatiek uit nr. 3. Maar steeds vormt een opvallende instrumentale kleurigheid  de dominerende eigenschap van de cyclus Sequenza’s.

 

 De Sequenza’s werden gevolgd door Chemins (1966-1977) waarin de bestaande Sequenza’s aan recycling zijn onderworpen binnen nieuwe lagen van muzikale begeleiding en commentaar, zo ongeveer op de manier waarop dat derde deel uit de Sinfonia voor nieuwe lagen met vers muzikaal en verbaal commentaar rond de kern van het symfoniedeel van Mahler heeft gezorgd.

 

De muzikale mogelijkheden die inherent zijn aan de concertvorm – of tenminste aan een minder gebruikelijke versie daarvan – zijn steeds heel belangrijk geweest voor Berio en de eerste experimenten in dit genre zijn te vinden in deze cyclus Chemins. Het gaat om een groep werken waarin elke solo uit een Sequenza de solopartij wordt in een soort miniatuur ‘concert’ bij wijze van extra, commentaarlaag rond die solo.

 

Concertant van opzet en gebruik makend van de kern uit een virtuoze solo zijn ook het overpeinzende Ritorno degli snovidenia (1977), een werk dat is gebaseerd op fragmenten uit liederen uit de Russische revolutie, maar dan nu voor cello en orkest. Hierin wordt de schier eindeloze contemplatieve melodie van de solocello versierd en aangevuld door orkestinstrumenten.

 

Nog verbluffender in dit opzicht is Points on the curve to find… uit 1974 voor piano en kamerorkest. Het is een haast adembenemende studie met het perpetuum mobile als onderwerp. En Berio zou niet Berio zijn als dat gegeven niet opnieuw werd gebruikt in zijn pianoconcert met de titel Concerto II (Echoing curves) uit 1989.

 

Van de instrumentale werken nog even terug naar de vocale. Berio’s belangstelling voor vocale muziek was een gevolg van zijn in 1950 ontstane relatie met de opmerkelijke Amerikaanse zangeres Cathy Berberian voor wie hij menig vroeg werk schreef en wier vocale veelzijdigheid en charismatische toneelpersoonlijkheid dankbaar werden benut in weken als Recital 1 (1971) een stuk waarin de zenuwinstorting van een neurotische concertzangeres wordt uitgebeeld. 

 

Zoals de Berio expert David Osmond-Smith het formuleert “waren de vruchtbaarste werken uit het begin van de jaren zestig niet geschreven voor ‘de stem, maar voor de specifieke stem van Cathy Berberian”. Het Berberianstuk par excellence is Recital I (1971) waarin volledig gebruik wordt gemaakt van haar theatrale gaven om de deconstructie van een recital te realiseren. Terwijl de zangeres probeert om zich met een kamerorkest door haar repertoire te werken, levert ze meteen een Beckettachtig stream of conciousness commentaar. Dat theatrale aspect is minder evident in Circles (1960),  een lus van gedichten van e.e. cummings voor stem, harp en slagwerk waarin de ronddraaiende bewegingen die de zangeres op het toneel maakt worden weerspiegeld in een muzikale kring waarin drie gedichten van e.e. cummings steeds verder worden ontleed tot ze geheel zijn uiteengevallen in de samenstellende fonetische fragmenten om vervolgens weer tot een gewoon geheel te worden samengevoegd.

 

Sequenza III (1965), een haast surrealistisch dramatische, zij het goeddeels onbegrijpelijke stroom van gezongen, gemompelde en verdraaide fonetische fragmenten de revue passeert en (op een totaal andere manier) de aantrekkelijke 11 Folk Songs (1964, herzien in 1973), een bundel internationale volksmelodieën die tot Berio’s populairste werken is gaan behoren. Het werd een knappe en onweerstaanbaar mooi werk dat tot de populairste en toegankelijkste van Berio behoort.

 

Nog terwijl hij met die vocale exercities voor Berberian bezig was, waagde hij zich ook aan complexere interacties tussen muziek en tekst in drie belangrijke werken uit de jaren zestig vorige eeuw: Épiphanie (1961) een aleatorische reeks orkestrale en vocale delen bedoeld om verschillend muzikaal gedrag te tonen. In Épiphanie zijn onder andere teksten van Proust en Brecht op muziek gezet in een reeks vocale stijlen die gaan van haast extravagant versierd tot monotoon gesproken. Verder Laborintos 2 (1965) en Sinfonia (1965). Laborintos 2 is in de V.S. geschreven voor spreekstem, zangers, orkest en jazz musici die zich werpen op een groot aantal teksten met als kern de gedichten van Dante.

 

De Sinfonia (1968/9) voor acht versterkte stemmen en orkest maakte deel uit van een breder patroon reacties op de crisis waarin de muziekwereld in de jaren zestig verkeerde. Heel wat avant-garde componisten zochten opnieuw naar inspiratie in de muziek uit het verleden. Die richting om ‘metamuziek’ ofwel muziek-over-muziek te schrijven hing Berio in zijn Sinfonia aan. Het opmerkelijkst van al is het derde deel waarin een muzikaal en verbaal labyrint is geconstrueerd rond het derde deel van Mahlers symfonie nr. 2 en passages uit Samuel Becketts The unnamable. Ook duiken er Ravel- en Debussycitaten op.

 

De overige vier delen omlijsten deze tour de force met meer blijken van onderzoek tussen de relaties van tekst en muziek, met name in het tweede deel ‘O King’, een ontroerend eerbetoon aan Martin Luther King waarin geleidelijk vanuit de rustig voorgedragen klinkers de hele naam wordt gevormd. Een procedure die bekend is uit Circles.

 

Coro (1976) op diverse teksten voor paarsgewijs gebruikte koorstemmen, veertig in getal, en orkest behoort ook nog tot de belangrijker werken. Ook hier bestaat de basis weer uit volkspoëzie. Continuo (1990) behoort tot Berio’s verbeeldingsvolste orkestwerken begint in een vaal van opwinding en de melodie van de strijkers die daarop volgt heeft een mooi halfdoorschijnend karakter en ontwikkelt zich als een soort cantus firmus. De impuls is geheel ontleend aan het brandpunt van het klankweefsel.

 

Continuo II (1996) leeft eigenlijk onder de officiële titel Ekphrasis wat ongeveer staat voor de verbale overdenkingen over visuele fenomenen. Maar in feit gaat dit orkestwerk over de exploratie van commentaar dat kan worden gegeven op Continuo I in het algemeen en op de hele relatie tussen muziek en architectuur en hun gemeenschappelijke verantwoording met betrekking tot ruimte en dichtheid.

 

Die quasi theatrale Sinfonia werd al gauw gevolgd door de eerste van Berio’s (tot op heden) vijf opera’s. De eerste hiervan met de simpele titel Opera (1961), een studie in het verval van het genre en de Westerse burgerlijke maatschappij is de minst succesvolle. Het al genoemde Laborintus II werd gunstiger ontvangen en met La vera storia (1982) waarin hij samenwerkte met de links geëngageerde neorealist Calvino en vooral met Un re in ascolta (1981/3), een opera over de audities en repetities voor een opera en als zodanig meer een uitgebreide meditatie over de betekenis van zingen, luisteren en geheugen dan een muziekdramatisch werk, oogstte hij behoorlijk succes tijdens de door Lorin Maazel geleide wereldpremière in Salzburg zomer 1984. Cronaca del Luego uit 1999 sluit voorlopig die reeks af.

 

De grote preoccupatie met het hercomponeren en met die ‘commentaartechnieken’ uit Chemins en de Sinfonia is ook te vinden in veel van de andere, meest instrumentale werken die zijn gebaseerd op populaire- of volksmuziek. Dat gaat inderdaad terug tot de Folk songs maar het ging in de jaren zeventig en tachtig een nog belangrijker rol spelen. Bijvoorbeeld in Voci (1984), een treffende recycling van Siciliaanse volkswijsjes voor altviool en orkest. Geestig is ook de vervreemding in vier versies van Boccherini’s Rittrata notturna di Madrid uit 1975.

 

Berio’s voortdurende dialoog met de muzikale traditie is ook terug te vinden in zijn diverse orkestraties van werken van Falla, Mahler en Brahms, maar op zijn best in het aan het Concertgebouworkest opgedragen Rendering uit 1989: een typisch creatieve voltooiing van de schetsen die Schubert van zijn tiende symfonie naliet. Eén van Berio’s laatste werken is Stanze uit 2003, een cyclus orkestliederen op teksten van Celan, Sanguinetti en andere ervaringsdeskundigen op het gebied van de dood.

 

Berio heeft op dit gebied in de loop der tijd een opvallende synthese bereikt in het gebruik van uitgebreide theatertechnieken en grootschalige muzikale middelen. Dat heeft allemaal weinig meer te maken met de gangbare operamodellen, zou mogelijk ook meer in de rubriek muziektheater passen, maar zijn concentratie op een toneelmatige realisatie van inderdaad een labyrint vol tekst en muziek – dat ook al kenmerkend is in de Sinfonia – heeft wel iets bijzonders.

 

De manier waarop tekst en muziek in zoveel van Berio’s vocale en theaterstukken in elkaar zijn geschoven, is ook terug te vinden in zijn zuiver instrumentale werken.

 

 

 

Selectieve discografie

 

Sinfonia; Folk songs; Formazioni. Jard van Nes, Electric Phoenix en Concertgebouworkest o.l.v. Riccardo Chailly. Decca 425.832-2. 1989

 

Sinfonia; Ekphasis (Continuo II). London voices en Göteborgs symfonie orkest o.l.v. Peter Eötvös. DG 477.538-0. 2004

 

Rendering; Concerto II, ‘Echoing curves’; Quattro versioni originali della ‘Ritirata notturna di Madrid. Andrea Lucchesini en het Londens symfonie orkest o.l.v. Luciano Berio. RCA 09026-68894-2. 1995

 

Rendering; Stanze. Dietrich Henschel met het Orchestre de Paris o.l.v. Christoph Eschenbach. Ondine 1059-2 (63’12”). 2004

 

Continuo. Chicago symfonie orkest o.l.v. Daniel Barenboim. Telded 4509-99596-2. 1990

 

Purcell/Berio: Hornpipe; Bach/Berio: ‘Contrapunctus XIX’ uit Die Kunst der Fuge; Boccherini: ‘Quatrro versione originali della Ritirata di Madrid; Berio/Mozart: Variaties over ‘Ein Mädchen oder Weibchen’ uit de opera Die Zauberflöte; Berio/Scubert: Rendering; Berio/Brahms ‘Sonate no. 1 voor klarinet en orkest’. Fausto Ghiazzi met het Giuseppe Verdi orkest Milaan o.l.v. Riccardo Chailly. Decca 476.830 (74’57”). 2004

 

Coro. Keuls omroeporkest en –koor o.l.v. Luciano Berio. DG 423.9020-2. 1980

 

Chemins II, IV; Corale; Points on the curve to find….; Ritorno degli snovidenia. Ensemble InterContemporain o.l.v. Pierre Boulez. Sony 45862.

 

Sequenza’s I-XIII. Ensemble InterContemporain. DG 457.038-2 (3 cd’s). 1994/7

 

Recital 1 for Cathy; Folk songs. Cathy Berberian met London Sinfonietta c.q. het Juilliard ensemble. RCA 09026-62540-2. 1972