GRIEG
 

GRIEG, EDVARD (1843 – 1907): ESSENTIEEL EEN NOORSE MINIATURIST

 

 

 

Griegs muziek bestaat in wezen uit een vaak simpele folkloristische melodiek die met behulp van een hoogst geciviliseerde harmoniek (nonenakkoorden) is gearrangeerd. Waar de componist – zoals in het beroemde pianoconcert – trachtte de formele monsters van de Midden-Europese muziek over te nemen, raakte hij – volgens Debussy – al gauw in de regionen van de ‘sacharinemuziek’, terwijl hij juist als meester van het miniatuur, zoals blijkt uit de kleinere lyrische composities voor piano en zangstem juist een meester is uit de – in dit geval – Noorse nationale school.

 

In dit verband had Hermann Kretschmar het over “muzikale gelegenheidspoëzie op het allerhoogste niveau” en waarschuwde organist Edward Power Biggs ooit waarschuwde tegen het ‘romantiseren of juist barokiseren’ van Griegs muziek. Deze componist moge dan vrijwel de enige Noorse componist van rang en naam zijn, het gaat niet aan om hem onbelangrijk te achten of erger nog slechts als randfiguur te zien. Hij gaf met Dvorak en Sibelius elders in Europa de stoot tot de ontwikkeling van muzikaal nationalisme en inspireerde menige andere componist om te gaan zoeken in de muzikale folklore van zijn eigen land op zoek naar mooi bronmateriaal.

 

In Spanje leidde die inspiratie mede tot de opkomst van componisten als Falla, Granados en Albeniz. Die invloed van Grieg is eigenlijk des te opmerkelijker omdat hij in tegenstelling tot Dvorak en Sibelius nauwelijks grootschalige werken schreef, maar een meester was in het kleine. Zijn enige pianoconcert moge dan zijn bekendste werk zijn, het is bepaald niet zijn meest kenmerkende.

 

Grieg kreeg zijn eerste muzieklessen van zijn moeder. In 1858 hoorde de toen bekende Noorse violist en folklore enthousiast Ole Bull hem pianospelen; hij overtuigde de aarzelende ouders ervan dat ze hun zoon naar Leipzig moesten sturen zodat hij daar aan het conservatorium verder kon studeren. Bull was gelukkig met de positieve beslissing, Grieg zelf niet. Hij had een hekel aan de onderneming, nam van 1858-1862 les bij E. F. Wenzel maar had het geluk dat hij daar Wagner en Clara Schumann aan het werk kon zien en horen.

 

In het voorjaar van 1861 werd een viertal pianostukken als zijn opus 1 gepubliceerd en in met 1862 vestigde hij zich in Kopenhagen waar hij een goede leidsman vond in Niels Gade, de belangrijkste Deense romantische componist uit die tijd en iemand die nauwe banden onderhield met Mendelssohn en Schumann. Gade was enthousiast over de mogelijkheden van de jonge Noor, maar zijn optimisme werd getemperd door het feit dat Grieg geen grootschalige werken schreef. Hij dwong Grieg min of meer tot het componeren van zijn eerste en enige symfonie, iets waarvoor hij technisch te weinig was toegerust en wat hem ook helemaal niet lag.

 

Kort daarop ontmoette hij zijn nichtje, de zangers Nina Hagerup, een jaar later verloofden zij zich en Grieg keerde terug naar Noorwegen waar hij bij Ole Bull woonde. Vanaf dat moment begon zijn artistieke persoonlijkheid te veranderen omdat hij ineens veel interesse ging tonen voor de schat aan muzikaal materiaal die het Noorse muzikale erfgoed uitmaakte. Tot dan toe had hij vooral onder invloed gestaan van een Deens middenklasse milieu.

 

Zijn engagement voor het Noorse nationalisme werd nog versterkt door zijn ontmoetingen met Rikard Nordraak, de Noorse hoop op het begin van een nationale school, maar jammer genoeg overleed Nordraak al op 24-jarige leeftijd nadat hij nog wel het Noorse volkslied had geschreven. Een andere grote inspiratiebron was de toneelschrijver Henrik Ibsen die hij in 1865 in Rome ontmoette; een vrucht van deze wending waren bijvoorbeeld de Humoresker voor piano op. 6.

 

Vol vertrouwen en grote plannen keerde Grieg terug naar Noorwegen en nadat hij een aantal concerten kon geven met eigen werk op het programma, werd hij al gauw erkend als een van de belangrijkste componisten van zijn land. In 1867 trouwde hij met Nina en vestigde het stel zich in Oslo, waar hij leraar en dirigent van internationale faam werd, te beginnen met zijn werk voor de Harmoniske Selskab en als oprichter van de Christiania Musikforening. Een jaar later keerden hij en zijn gezin terug naar Denemarken waar het pianoconcert in 1868 ontstond. Nog weer een jaar later toonde hij de kladversie daarvan aan Liszt die het hele werk tot zijn grote verrassing a prima vista doorspeelde en die hem met een heel positief oordeel verder aanmoedigde. Dat jaar maakte hij ook een arrangement van 25 van Lindemans volksliederen in de vorm van op. 17.

 

In 1874 was Grieg zo beroemd en zo gewaardeerd dat de Noorse regering hem een jaargeld toekende; Nadat een plan om met Bjornson een opera te maken was mislukt, vroeg Ibsen hem in 1875 om toneelmuziek te schrijven bij zijn stuk Peer Gynt. Zijn populariteit bracht Grieg verder onder meer naar Engeland waar zijn vrouw en hij regelmatig optraden en hij tot eredoctor in zowel Oxford als Cambridge werd benoemd. Gedurende de laatste twintig levensjaren hoewel zijn gezondheid achteruit ging volgde de componist een vast patroon van concerteren, componeren en vakantie houden en genoot hij het aanzien van een eerwaardige staatsman. Sinds 1885 woonde hij in het idyllische Troldhaugen bij Bergen aan de kust.

 

Eén jaar na de dood van Grieg componeerde Schönberg zijn eerste atonale werken en binnen vijf jaar was de naam Grieg synoniem met alles wat maar ouderwets was in de muziekwereld. Toegegeven moet worden dat er weinig uitdaging shuilt in zijn muziek. Zijn werken vormen doorgaans een mooie, treffende synthese tussen volkslied en gedegen Duits georiënteerde romantiek. De romantiek van Schumann, niet die van Wagner voor wiens geweldige ambities Grieg weinig begrip toonde.

 

Maar binnen die zelf opgelegde beperkingen is en blijft Grieg een van de opmerkelijkste en genietbaarste, meest lyrische componisten uit zijn tijd: een meester van de kleinschaligheid wiens beste muziek in zekere zin zijn onbeduidendste is. Maar er wordt wel eens vergeten dat Grieg ook in zijn late pianowerken en liederen vooruit liep op het impressionisme door het gebruik van bijzondere harmonieën en dissonanten.  

 

 

 

Discografie

 

Grieg zelf was een begaafde pianist en hij bleef tot op hoge leeftijd alleen of met zijn vrouw optreden. Zijn pianoconcert werd primair geschreven om zelf als solist uit te voeren en zijn talent te tonen; net als die andere enkeling van Schumann, ook in a-klein, waarmee het op lp en cd bij voorkeur wordt gecombineerd, getuigt het werk van jeugdige uitbundigheid. Het werk heeft een vaste plaats in vrijwel elk cv van een concertpianist.

 

Het werk ontstond in 1868 toen Grieg met zijn vrouw en kind vakantie vierde in Denemarken, maar wel later wel gereviseerd en tegenwoordig horen we meestal de versie uit 1907 (de oerversie is er ter vergelijking van Love Derwinger met het Norrköping symfonie orkest o.l.v. Jun-Ichi Hirokami op BIS CD 619).

 

Het werk getuigt van welbehagen en teerheid wat blijkt uit de overdaad aan treffende thematische ideeën. Het beginmotief met de paukenroffel is haast even bekend als het begin van Tschaikovsky’s eerste pianoconcert. Het is gebouwd op een dalende secunde, gevolgd door een dalende terts: intervallen die heel kenmerkend zijn voor de Noorse volksmuziek. Het adagio bevat een heel treffende melodie, somber in orkestraal gewaad, maar heel luchtig in de pianoversie. Het werk eindigt met een heel spiritueel rondo met middenin een heel teer nieuw thema dat triomfantelijk terugkeert aan het eind van het werk.

 

Bij de andere orkestwerken zijn het vooral de neobarokke Holberg suite uit 1884, de vier Symfonische dansen uit 1898, de drie orkeststukken die samen de Sigurd Jorsalfar suite vormen, de twee Elegische melodieën  uit 1881 en de 4 Noorse dansen uit 1887 die de aandacht vragen.

 

 

 

Orkestwerken

 

Complete orkestwerken. Barbara Bonney, Marianne Eklöf, Wenche Foss, Anne Gjevang, Håkan Hagegård, Carl Gustav Holmgren, Urban Malmberg, Toralv Maurstad, Kjell Magnus Sandve, Randi Stene, Tor Stokke, Rut Tellefsen en Lilya Zilberstein met het Göteborg symfonie orkest en –koor o.l.v. Neeme Järvi. DG 437.842-2 (6 cd’s).

 

Pianoconcert. Leif Ove Andsnes met het Bergens filharmonisch orkest o.l.v. Dmitri Kitaenko. Virgin 759.613-2.

 

Murray Perahia met het Symfonie orkest van de Beierse omroep o.l.v. Colin Davis. Sony 44899.

 

Stephen Kovacevich met het BBC symfonie orkest o.l.v. Colin Davis. Philips 464.702-2.

 

Noorse dansen; Lyrische suite; Symfonische dansen. Göteborg symfonie orkest o.l.v. Neeme Järvi. DG 419.431-2.

 

Bij de wieg; Volksdans; 2 Elegische melodieën; Holberg suite; 2 Melodieën. Noors kamerorkest o.l.v. Iona Brown. Virgin 562.179-2 (2 cd’s).

 

Ouverture In de herfst; ‘Erotiek’ uit Lyrische stukken; Noorse dansen; Oud-Noorse romance met variaties. IJslands symfonie orkest o.l.v. Petri Sakari. Chandos CHAN 9028.

 

 

 

Toneelmuziek

 

In 1874 besloot Henrik Ibsen om zijn toneelstuk in verzen Peer Gynt aan te passen voor een opvoering in de schouwburg in Christiania (thans Oslo). De Noorse theatertraditie was in die tijd gebaseerd op operettes en met muziek omlijste toneelstukken. Daarom leek het Ibsen verstandig om voor een soort ‘soundtrack avant la lettre’ te zorgen bij zijn stuk. Daarom vroeg hij de intussen gerenommeerde Grieg om muziek bij dat stuk.

 

Het toneelstuk ging in februari 1876 in de nieuwe vorm in première en was meteen een groot succes. Jammer genoeg gingen enige tijd later de decors en kostuums bij een brand verloren.

 

Om de muziek zelf bestaansrecht te geven los van het toneelstuk, trok Grieg twee suites uit zijn totale muziek. Deze afleggers, bekend als eerste suite op. 46 en tweede op. 54, bevatten de beste en pakkendste gedeelten zoals ‘Morgenstemming’, ‘Aase’s dood’, ‘Anitra’s dans’, ‘In de hal van de bergkoning’, ‘Ingrids klacht’, ‘Arabische dans’, ‘Peer Gynts terugkeer’ en ‘Solveigs lied’.

 

Hoogtepunten zijn de fluitsolo uit ‘Morgenstemming’ en de breekbare lyriek uit ‘Solveigs lied’.

 

 

 

Peer Gynt (compleet, in het Noors). Svein Sturla Hunges, Marita Solberg, Kari Simonsen, Håkan Hagegård en Ingebjørg Kosmo met het Bergens vocaal ensemble en het Bergens filharmonisch orkest o.l.v. Ole Kristian Ruud. BIS SACD 1441/2.

 

Peer Gynt (compleet, in het Noors); Sigurd Jorsalfar (compleet). Barbara Bonney, Marianne Eklöf, Wenche Foss, Anne Gjevang, Håkan Hagegård, Carl Gustav Holmgren, Urban Malmberg, Toralv Maurstad, Kjell Magnus Sandve, Randi Stene, Tor Stokke, het Gösta Ohlin koor, het Pro musica kamerkoor en het Göteborg symfonie orkest o.l.v. Neeme Järvi. DG 475.543-2 (2 cd’s).

 

Peer Gynt (gedeelten); Ouverture In de herfst; Oud-Noorse romance met variaties; Symfonische dans nr. 2. Ilse Hollweg, het Beecham koor en het Royal philharmonic orkest o.l.v. Thomas Beecham. EMI 566.914-2.

 

Peer Gynt suites nr. 1 en 2; Holberg suite. Berlijns filharmonisch orkest o.l.v. Herbert von Karajan. DG 439.010-2.

 

 

 

Kamermuziek

 

De kamermuziek vormt slechts een betrekkelijk klein gedeelte van zijn totale oeuvre, maar het genre is niet te veronachtzamen. Kwalitatief is sprake van hoog niveau, zeker wat de drie vioolsonates aangaat. Muziek ook die de componist zelf na aan het hart lag. Alle drie deze werken bezitten een hoge mate aan frisheid en tonen een hoge mate aan lyrische bevlogenheid. Het mooiste is de derde sonate (1886) in de dwingende toonaard c-klein; het werk getuigt van meesterlijke vormbeheersing en een grote gevoelsmatige intensiteit. Het werk heeft zo ook een vrij duister karakter.

 

Het eerste tweetal uit 1865 en 1867 behoort tot de jeugdwerken uit de jaren 1860 toen de componist op zoek was naar volksmuziek en een uitgesproken Noors karakter. Mar vergeet verder vooral ook niet het tweetal strijkkwartetten (1878 en 1891) en de cellosonate (1883) die ook vol zitten met bijzondere schatten.

 

 

 

Strijkkwartetten nr. 1 en 2. Oslo strijkkwartet. Naxos 8.550879.

 

Strijkkwartetten nr. 1 en 2. Petersen kwartet. Capriccio 10.476.

 

De 3 vioolsonates. Augustin Dumay en Maria-João Pires. DG 437.525-2.

 

Cellosonate. Oystein Birkeland en Håvard Gimse. Naxos 8.550878.

 

Cellosonate; Strijkkwartet nr. 1. Truls Mørk en Håvard Gimse. Virgin 545.05-2.

 

 

 

Pianomuziek

 

Het zijn vooral de tien bundels met Lyrische stukken die het piano oeuvre van Grieg domineren. Ze omspannen een periode van 1867 tot 1901 en reiken van korte stukjes met een duur van amper veertig seconden tot vier minuten. Binnen een paar maten wordt de sfeer bepaald, genoeg om de luisteraar in de juiste stemming te brengen. Vaak helpen de titels daar ook bij. Op hun best zijn de Lyrische stukken even treffend als de miniaturen van Chopin en zelfs wanneer ze niet veel meer zijn dan fantastische mijmeringen, dan nog zijn ze zelden minder dan melodieus innemend.

 

 

 

Pianowerken (compleet). Einar Steen-Nøkleberg. Naxos 8.550881/4  en 8.553391/400 (14 cd’s, ook afzonderlijk leverbaar).

 

Pianosonate e.a. Leif Ove Andsnes. Virgin 759.300-2.

 

Lyrische stukken (selectie). Emil Gilels. DG 449.721-2.

 

Lyrische stukken (selectie). Leif Ove Andsnes. EMI 557.296-2.

 

(Selectie). Mikhail Pletnev. DG 459.671-2.

 

 

 

Liederen

 

“Ik werd verliefd op een meisje dat een prachtige stem had en een even grote gave voor mooie interpretaties. Dat meisje werd mijn vrouw en mijn levenslange levensgezellin. Voor mij was ze – ik geef het grif toe – altijd de beste interprete van mijn liederen”.Dat schreef Grieg in 1900 aan zijn Amerikaanse biograaf Henry Fincke. Het feit dat Grieg zijn vrouw aanbad was de bron van veel liederen, feitelijk het grootste bestanddeel uit zijn oeuvre, hoewel dat in kwalitatief opzicht niet geldt voor elk van zijn 140 liederen. Maar vanaf op. 5 vertonen ze wel een gestage ontwikkeling.

 

Grieg had een uitstekend gevoel voor de expressiemogelijkheden van de menselijke stem en kon ook goed overweg met een goede vorm van begeleiding. Met name in zijn latere liederen die een bijzonder evenwicht vertonen tussen zanger en begeleider, net zoals dat bij Schubert het geval was. Ook is net als bij Schubert het emotionele gamma heel breed. Het melodisch direct aansprekende karakter van de liederen maakt dat de luisteraar meteen in de juiste sfeer wordt gebracht. Maar als deze liederen in het Noors worden gezongen is het voor de niet-verstaander van die taal wel noodzakelijk om een goede vertaling bij de hand te hebben. In tegenstelling tot bij Schubert hebben Griegs liederen meestal wel een zuiver strofisch karakter, alles in overeenkomst met hun achtergrond als volksmuziek. Vooral de cyclus Haugtussa uit 1895 verdient de aandacht van degene die een keuze wil maken.

 

 

 

Anne Sofie von Otter en Bengt Forsberg. DG 437.521-2.

 

Orkestliederen. Barbara Bonney, Haakon Hagegård met het Göteborg symfonie orkest en –koor o.l.v. Neeme Järvi. DG 469.026-2.

 
  bry med us
tucsonmeds.info
pharmaceutica diary info
medic axne
eamea med info site