NONO
 

NONO, LUIGI (1924 – 1990): ANTIFASCIST

 

 

 

Van de drie componisten – Boulez, Stockhausen e Nono – die in de jaren vijftig van de vorige eeuw de avant-garde domineerden, was Luigi Nono de enige die geloofde dat de revolutionaire muziektaal van het totale serialisme verenigbaar was met revolutionaire politieke uitingen. Zelfs in Nono’s vroegste werken, zoals de Variazioni canonichi uit 1950 is zijn Marxistisch-humanistische ideologie gekoppeld aan het zuivere formalisme van seriële technieken al wordt dat ietsje getemperd door karakteristiek Italiaanse lyriek.

 

Er schuilt ook een sterk dramatisch element in zijn muziek, die naar het theatrale zweemt. Geen wonder dus dat hij de eerste echt experimentele componist was die zich aan de opera waagde; dat genre werd door zijn modernistische collega’s verworpen en met afschuw bekeken.

 

Nono werd in Venetië geboren en ging rechten studeren aan de universiteit in Padua, maar hij nam ook compositielessen bij Malipiero in Venetië. Hermann Scherchen was de eerste dirigent van naam die zich voor zijn werk inzette in Darmstadt bij het aan moderne muziek gewijde zomerfestival in het toenmalige ideologische hoofdkwartier. Nono hing Schönbergs serialisme aan en trouwde met diens dochter Nuria, maar hij beschouwde de techniek altijd slechts als middel om politiek radicale doeleinden te bereiken. Hij was daar niet zo kieskeurig in en gebruikte ook aleatoriek, musique concrète en elektronica.

 

Zijn eerste belangrijke compositie met een duidelijk politieke boodschap was Il canto sospeso uit 1956 waarin hij de brieven van diverse veroordeelde antifascisten op muziek zette. Zijn eerste opera, Intolleranza 1960 is een aanval op het racisme, kapitalisme en kolonialisme, uitgebeeld als een montage van fragmentarische beelden en gedachten die losjes zijn gerangschikt rondom het verhaal van een gastarbeider. De première in Venetië veroorzaakte een rel.

 

In de jaren 1960 maakte Nono graag gebruik van elektronica, bij voorkeur van vooraf op de band vastgelegde geluiden die hielpen om een muziek te creëren die een opdringerig politiek karakter had en die duidelijk was verankerd in het ruwe materiaal van het arbeidersleven. Nono reageerde daarmee tegen wat hij beschouwde als het elitaire gedrag van de middenklasse en de uitvoeringen in gangbare zalen; hij liet zijn werk bij voorkeur uitvoeren in fabrieken en fabriekskantines.

 

Tenslotte, midden jaren zeventig, onderging de muziek van Nono een verrassende verandering van stijl en richting: de assertieve, schrille gebaren van zijn radicaalste statements werden vervangen door een meer introspectieve muziektaal vol dichterlijke meditatie; complexe literaire toespelingen werden vaak verpakt in een subtiel klankweefsel. Deze late stijl komt heel mooi uit in Fragmente-Stille uit 1980, een teer strijkkwartet waarin de uitvoerenden stilzwijgend teksten uit gedichten van Hölderlin moeten lezen en die in hun spel projecteren

 

Il canto sospeso is een van de meesterwerken van het naoorlogse serialisme. Het werk is voor solisten, koor en orkest in een ruwe, pointillistische stijl (de muziek klinkt namelijk meer in puntvorm dan als een reeks melodische frasen) wat precies past bij het ondraaglijke karakter van de teksten: de laatste boodschappen van verzetstrijders voordat ze worden geëxecuteerd. De geheimzinnige titel – “Het uitgestelde lied” – krijgt betekenis wanneer men het werk hoort: Nono schept de illusie van een tijd die lijkt stil te staan, een bevroren moment van zowel verschrikkelijk leed als van een enorme waardigheid. In de koorgedeelten wordt dat op opmerkelijke manier bereikt door de tekst uit te spreiden over de verschillende stemme. Soms gaat dat door het splitsen van woorden, soms ook met losse lettergrepen. Zo lijkt de tekst heen en weer te bewegen tussen het ene en het andere vocale register alsof het een gekwelde geest betreft. Er zijn ook samenhangender gedeelten, zoals in het slotgedeelte waar de solosopraan een lange, lyrische melodielijn krijgt tegen een achterrond van stemmen uit het vrouwenkoor. Het gaat hier om een moeilijk, verontrustend werk dat echter bij herhaald beluisteren zeker zijn waarde bewijst.

 

Nono’s enige werk voor strijkkwartet, Fragmente-Stille, An Diotima werd in 1980 voltooid. Het is een merkwaardig geconcipieerd en vreemd aandoenlijk werk. Nono plaatste een reeks raadselachtige citaten uit gedichten van Hölderlin boven de muzieknoten om de musici steun te bieden bij de interpretatie daarvan. De muziek dient zo als een meditatie over de tekst en waar het gangbare strijkkwartet vooral een wisselende conversatie is tussen vier gelijkberechtigde stemmen, gaat het hier eerder om een collectieve poging om gedachten te articuleren in het zicht van een overweldigende stilte.

 

De manier waarop de instrumenten spreken maakt een heel kwetsbare indruk: soms heel aarzelend, dan weer ineens heel energiek, maar wel steeds op elke inbreng noodzakelijk is. Het gaat om een spiritueel werk dat de uiterste concentratie van de uitvoerenden èn van de luisteraars vergt. Alleen dan kan het werk betekenis krijgen.

 

 

 

Selectieve discografie

 

Variazioni canonichi sulla serie dell’ op. 41 di Schönberg; Varianti; No hay caminos, Hay que caminar; Incontri. Mark Kaplan met het Bazels symfonie orkest o.l.v. Mario Venzago. Col legno WWE 31822. 2000

 

La lontananza nostalgica utopica futura; Hay que caminar. Gidon Kreker en Tatiana Grindenko. DG 435.870-2. 1991

 

Como una ola de fuerza y luz; ….. sofferte onde serene….; Contrappunto dialettico alla mente. Resp. Slavka Taskova, Maurizio Pollini en het Symfonie orkest van de Beierse omroep o.l.v. Claudio Abbado, Maurizio Pollini en Liliana Poli met het RAI kamerkoor Rome o.l.v. Nino Antonellini. DG 423.248-2. 1970/78

 

Fragmente – Stille, An Diotima. LaSalle kwartet. DG 437.720-2. 1985

 

Fragmente – Stille, An Diotima; Hay que caminar. Arditti kwartet. Auvidis Montaigne MO 789005. 1993

 

Il canto sospeso. Barbara Bonney e.a. met het Omroepkoor Berlijn en het Berlijns filharmonisch orkest o.l.v. Claudio Abbado. Sony 53360. 1992

 

Suite uit Prometeo. Solisten, Berliner Singakademie, Solistenkoor Freiburg en Berlijns filharmonisch orkest o.l.v. Claudio Abbado. Sony 53978. 1973

 

Intoleranza 1960. David Rampy, Urszula Koszut, Kathryn Harries, Jerrold van der Schaaf, Wolfgang Probst e.a. met het Ensemble van de Stuttgart Staatsopera o.l.v. Bernhard Kontarsky. Teldec 4509-97304-2. 1994