BEETHOVEN: 9 SYMFONIEEN, ABBADO, KARAJAN

Beethoven: Symfonieën no. 1, 6 en 8. Berlijns filharmonisch orkest o.l.v. Claudio Abbado. TDK BPAB 168 (175’, 16:9, geluid 2.0, 5.1 en DTS 5.1, regio 0). 2001

Beethoven: Symfonieën no. 2 en 5. Berlijns filharmonisch orkest o.lv. Claudio Abbado. TDK DV-BPAB825 (dvd-v, 75’ 16:9, geluid 2.0, 5.1 en DTS 5.1, regio 0). 2001

Beethoven: Symfonieën no. 4 en 7. Berlijns filharmonisch orkest o.l.v. Claudio Abbado. TDK DV-BPAB 847 (dvd-v,107’, 16:9, geluid 2.0, 5.1 en DTS 5.1, regio 0). 2001

Beethoven: Symfonieën no. 3 en 9. Karita Mattila, Violeta Urmana, Thomas Moser, Eike Wilm Schulte met het Zweeds omroepkoor, het Eric Ericson kamerkoor en het Berlijns filharmonisch orkest o.l.v. Claudio Abbado. TDK DV-BPAB  39 (122’, 16:9, geluid 2.0, 5.1 en DTS 5.1, regio 0). 2000/1.

Beethoven: Symfonieën no. 1-9. Lella Cuberli, Helga Müller Molinari, Vinson Cole, Franz Grundheber, de Wiener Singverein en het Berlijns filharmonisch orkest o.l.v. Herbert von Karajan. Sony  SVD 46363/7 (4 dvd’s, 382’’, 4:3, geluid 2.0, regio 0). 1978

 

In het tegenwoordige filharmonische concertbedrijf, in het repertoire van orkesten en dirigenten nemen de symfonieën van Beethoven nog steeds een centrale plaats in. De 3e, 5e, 6e en 9e klinken dagelijks tig keer over de wereld gespreid. Het aantal cyclussen op cd is al boven de dertig gestegen. Naarmate dvd-v belangrijker wordt, zullen ook wel steeds meer beeldopnamen van deze werken verschijnen. Tot nu toe was alleen op vhs band, laserdisk en slechts deels op dvd-v de Berlijnse cyclus van Karajan (DG en Sony) verkrijgbaar. In hoeverre ook de Weense cyclus van Rattle door EMI letterlijk in beeld verschijnt, is nog onduidelijk, tot op heden bleef het bij enige fragmenten op een promotie dvd-v.

Stapsgewijs verscheen in 2003 Abbado’s complete Beethovencyclus op vier TDK dvd-v plaatjes. Wat tegenvallend eigenlijk heeft Abbado als Beethovenvertolker nooit een overweldigende indruk gemaakt. Natuurlijk, zijn uitvoeringen waren meer dan verdienstelijk en hadden altijd een hoog niveau, maar zijn aan het eind van zijn Weense tijd rond 1988 ontstane cyclus met het Weens filharmonisch orkest (DG 427.306-2, 6 cd’s) viel toch wat tegen gemeten aan de hoge verwachtingen en raakte al snel in vergetelheid.

Anders was dat met de reeks Berlijnse ‘live’ opnamen uit de periode december 1999 tot mei 2000 (DG 469.000-2, 5 cd’s) die een totaal gewijzigde, treffender indruk vestigen. Die bewuste opnamen ontstonden alle in eigen huis, de Philharmonie. Ze zijn niet of tenminste niet geheel identiek met de zes totnutoe op TDK uitgebrachte beelddocumenten: het eerste achttal  werd in februari 2001 in de Accademia nazionale di Sancta Cecilia in Rome opgenomen, de 9e in mei 2000 in de Philharmonie met bovendien bij de solisten Eike Wilm Schulte in plaats van Thomas Quasthof bij de solisten.

Vergeleken met die Weense reeks getuigt de Berlijnse van een nogal radicaal gewijzigde opvatting van de dirigent. Interessante, maar moeilijk te beantwoorden vraag daarbij is welke invloed het deelnemende orkest had. Een neiging tot iets meer bezadigdheid – overdreven gesteld - een spoor Gemütlichkeit, soms grenzend aan Schlamperei in Wenen tegenover Pruisische discipline en snelle vaardigheid in Berlijn? Hoe dan ook, het verschil is frappant. Dat het om gewone concertopnamen in aanwezigheid van publiek gaat, altijd een de dramatische intensiteit, spanning en inzet verhogende factor, kan ook een rol van betekenis hebben gespeeld. In hoeverre Abbado’s voortschrijdende, mogelijk fatale ziekte van invloed was (denk aan de laatste geweldige opbloei van iemand als Fricsay) kan ook van invloed zijn al oogt zijn gezicht hier nog niet zo schrikbarend ingevallen als bij de uitvoering van Verdi’s Requiem dat eind januari 2001 werd opgenomen (EMI 492.693-2).

Door zich nu te concentreren op tempi, innerlijke logica en een transparante klank (drastisch verschil met Karajan en zijn Berlijners!) trekt Abbado Beethoven nu binnen in de kring van Rossini, Ravel, Stravinsky en Prokofiev die hij zo geweldig aanvoelt. Wat zo ontstaat is ook een Beethoven met een haast licht Italiaanse tongval die de componist niet misstaat. Wat bij de pure geluidsopnamen verloren gaat, maar wanneer het orkest en sommige orkestleden worden ‘uitgelicht’ zoals op deze TDK schijfjes duidelijk blijkt, is de verjonging van het ensemble en de aanwezigheid van jonge vrouwen, soms nog wat aan de laatste lessenaars bij de strijkers, maar ook bijvoorbeeld als 2e fluitiste of 4e fagottiste. Ook schijnt van internationalisatie sprake te zijn, getuige de prominent aanwezige 1e fluitist, Emmanuel Pahud. Maar natuurlijk zijn er ook nog veel vertrouwde smoelen: de Japanse 2e concertmeester, Georg Faust bij de celli, Hans Jörg Schellenberger als 1e hoboïst.

Het lijkt wel of het huidige Berlijnse orkest een uitvergroot, verder geperfectioneerd Chamber orchestra of Europe is en of Harnoncourts nadrukkelijke aanwezigheid daar is overgewaaid naar Berlijn. Grappig ook dat hierdoor meteen het contrast met ongeveer gelijktijdig verschenen Beethovencyclussen uit Hamburg (Wand), Dresden (Davis) en Barenboim (Berlijn, Staatskapel) zo groot is. Om van Karajan en de lange traditie van Nikisch, von Bülow en Furtwängler maar te zwijgen; Ratlle met zijn eigenzinnige en nogal provocerende Weense cyclus blijft in dit gezelschap de merkwaardige odd man out. Abbado begon trouwens ooit in Wenen aan ‘zijn’ Beethoven met een 7e en een 8e in 1966/8 op Decca die oersaai en van alle spontaniteit ontdaan waren.

Echt verrassend nieuwe inzichten biedt Abbado niet, het zijn meer de logica en de perfecte afwikkeling, de snellere tempi die indruk maken. Het eerste deel van de 7e gaat na een keurig gespannen langzame inleiding razendsnel en is erg lenig, haast dartel, de finale is een felle sprint, sneller dan Beethovens hier treffende metronoomaanduiding. Karajan was in 1983 vrijwel even snel in zijn opname, maar stelt teleur vanwege de typisch overgehomogeniseerde orkestklank. Abbado is bovendien gul met herhalingen en hij baseert zich gelukkig op de correcte, door Jonathan del Mar voorbereide Bärenreiter uitgave, wat er bijvoorbeeld in de Eroica toe leidt dat hij de verkeerde Siegessymphonie maat in het coda (658) en de climax (maat 671) correct uitvoert. Overigens heeft deze Eroica  een tamelijk statisch eerste deel en niet zoveel diepgang in de treurmars, mar de slotdelen zijn spannend en het geheel komt vooral ook dankzij de prachtig reagerende orkestleden ver boven routineniveau uit.

De grote verrassing zijn de 1e, 2e en de 4e. Deze werken worden in kleinere bezetting uitgevoerd (in de 2e op basis van 3 contrabassen en 4 celli).In het lastige eerste deel van de 1e krijgt de langzame inleiding een mooi dramatisch profiel en heeft de rest van dat deel een weldadige veerkracht. De rest van het werk wordt fraai afgewikkeld. De 2e klinkt luchtig en lenig met een opvallend en heel treffend begin van het larghetto bijvoorbeeld. Met name de 4e  krijgt hier een waar vlammend Apollinisch karakter, een vooruitblik op Mendelssohn. Een hoogtepunt is de finale die misschien wat (te) snel gaat voor een Allegro ma non troppo (metronoom = 72), maar die het Allegro vivace van het 1e deel, het trio uit het 3e deel en deze finale tot een prachtige eenheid bindt. Jammer dat het harmonisch zo cruciale pianissimo in de overgang naar de recapitulatie in het 1e deel zo zwak hoorbaar (maar redelijk zichtbaar) is. Wat een pure vreugde straalt deze verklanking verder uit.

De 5e moet het hier niet van opgeklopte opwinding hebben, in tegendeel, maar de herhaling van scherzo en trio vormt wel een sterk punt; het slotakkoord van dit werk had fraaier gekund na alle voorbereiding. Maar ja, dat kan bij een concertregistratie. De 6e vormt als geheel een hoogtepunt uit de reeks met een prachtige solistische inbreng van hobo en hoorns in het scherzo, een echt dreigend onweer en voldoende dankbare opgewektheid in de finale. Het eerste deel verloopt op een blijmoedig vlotte wijze en heeft als hoogtepunt een prachtige doorwerking (in het algemeen is Abbado uitstekend in de doorwerkingen).

Over de 9e kunnen we kort zijn:  het werk krijgt op een uitermate verzorgde, pakkende wijze gestalte en wat vooral opvalt ondanks de toch ietwat globale klankwereld is het lucide karakter met duidelijk hoorbare soli en tussenstemmen in het orkest en ook de vocale soli goed in balans, waarbij vooral Karita Mattila een geweldige indruk maakt. De Zweedse koorinbreng is ook boven alle lof verheven. Als eindoordeel kan worden gezegd dat hier op het hoogste niveau wordt gemusiceerd.

De 8e klinkt hier heel gestroomlijnd, maar bezit wat weinig eigen karakter; de structuur is prachtig en het mankeert niet aan heftige contrasten, maar het raast alles vrij betekenisloos voorbij

In de 3e, 5e en 7e symfonie heeft de kijker de mogelijkheid om gebruik te maken van een “multi-angle” optie waarbij een vaste camera vanuit het orkest op de dirigent is gericht als alternatief van de verder goede beeldregie met close-ups en totalen die met inzicht is gerealiseerd. Op mijn Panasonic dvd speler heb ik die ‘angle’ optie niet kunnen vinden. De thuisopname uit Berlijn is logischer en klinkt wat beter (naar keuze in DD 5.1, DTS 5.1 of gewoon PCM stereo) dan de Romeinse opnamen waar de bloemendecoratie voorop het podium wat afleidend is.

Beide schijfjes bevatten één uitvoering – de 4e op de ene, de 9e op de andere – die alleen al de moeite van het regelmatig afspelen waard zijn. Zoals de DG cd’s uit Wenen (1987) en Berlijn (2000) bevestigen, evolueerde Abbado’s opvatingen over de symfonieën van Beethoven gestaag richting meer consistentie, in achtname van musicologische verworvenheden en consequente toepassing van herhalingen, kleinere bezettingen (de Tweede bijvoorbeeld met 3 contrabassen en 4 celli) bij de vroege symfonieën, in het algemeen strakkere, wat vlottere tempi. Gebleven is ook in 2001 toen een van zware ziekte herstelde dirigent deze gefilmde cyclus goeddeels in Rome (Santa Cecilia Accademia, alleen de Negende komt uit eigen huis in Berlijn) opnam het lucide, lyrische italianatà.

Hoe dan ook, ten opzichte van de gevisualiseerde Beethovenserie van Karajan (Sony)  zijn alle voordelen aan Abbado’s kant. Vergeleken hiermee blijft Karajans op hoge leeftijd gemaakte, van routine op hoog niveau getuigende, maar niet echt overweldigend indrukwekkende cyclus duidelijk achter, ook qua beeldregie van Ernst Wild. Alleen iets voor Karajanbewonderaars door dik en dun.

Rustige beeldregie, zinvolle, niet overdreven close-ups, heel goede geluidskwaliteit. Dit is de tot nu toe best tegen herhaling bestand zijnde Beethovencyclus.