BEETHOVEN: 9 SYMFONIEEN, KARAJAN

Beethoven: De 9 symfonieën. Gundula Janowitz, Christa Ludwig, Jess Thomas en Walter Berry met het koor van de Deutsche Oper Berlijn en het Berlijns filharmonisch orkest o.l.v. Herbert von Karajan. DG 073-4107 (3 dvd-v’s, 327’, 4:3, geluid PCM stereo en DTS 5.1, regio 0). 1967/72

 

Geleidelijk is de situatie rond Karajan en de symfonieën van Beethoven in de audio- en videomedia complexer geworden. In de jaren vijftig vorige eeuw verzorgde hij zijn eerste cyclus met het Philharmonia orkest in Londen voor EMI. Dat leverde vertolkingen op die in hoge mate in de lijn lagen van wat de oude school Midden-Europese interpreten had afgeleverd, zij het wel op heel hoog en uitstekend verzorgd peil.

Na zijn vertrek naar Berlijn en zijn training van het Berlijns filharmonisch orkest tot een homogener en virtuozer apparaat kwam hij in de jaren 1961/2 in de Jesus Christus kerk tot een leniger, plooibaarder maar ook virtuozer stijl met in de Negende Gundula Janowitz, Hilde Rössel-Majdan, Waldemar Kmennt en Walter Berry als solisten plus de Wiener Singverein als koor (DG 453.701-2 en 463.088-2). Hier toonde hij zich een vertrouwde volgeling van de Toscanischool en het resultaat is nog steeds de mooiste Karajan Beethovencyclus.

Een tweede aanloop nam hij in Berlijn ditmaal in de Philharmonie in de periode 1975-1977, nu met Anna Tomowa-Sintow, Agnes Baltsa, Peter Schreier, José van Dam en weer de Wiener Singverein voor de vocale inbreng (DG 429.089-2). Met René Kollo in plaats van Peter Schreier bracht DG die cyclus ook op vhs tape uit (DG 072-130/2-3).

En voor het nieuwe digitale tijdperk werd het in 1982/5 allemaal nog eens dunnetjes overgedaan met Janet Perry, Agnes Baltsa, Vinson Cole, José van Dam en de Wiener Singverein (DG 439.200-2). Dat is de minst geslaagde cyclus: de muziek klinkt routineuzer en mist aan scherp profiel want alles is gericht op een verzadigde totaalklank, op pure klankschoonheid.

Neem als voorbeeld de vierde symfonie die zeldzaam stralend en uitdagend klinkt. Dat de even genummerde symfonieën – zoals de historische beschrijvingen dat willen – minder dramatisch zouden zijn dan de oneven genummerde, wordt hier fraai gelogenstraft. De tweede, vierde, zesde en achtste klinken even stoer als hun buren. In de Negende is tenor Jess Thomas een nieuwe, betrouwbare verschijning Alleen de Pastorale krijgt een wat te nuchtere, te weinig poëtische behandeling. Ook kan men eventueel vraagtekens plaatsen bij het trio uit het derde deel van de Zevende (teveel een statige dans in Wagners geest) en het menuet uit de Achtste (een surrogaat langzaam deel). Maar verder is alles heerlijk vitaal.

Vermoedelijk tussen 1977 en 1982 ontstond louter voor video doeleinden ook nog een opname van het negental, nu met Lella Cuberli, Helga Müller Molinari, Vinson Cole, Franz Grundheber en de Wiener Singverein op dvd-v (Sony SVD 46343/7) nadat deze eerder in tapevorm was verschenen. Het bewuste materiaal is in Nederland niet of nauwelijks uitgebracht zodat er verder weinig over te vertellen valt. Tot zover het overzicht.

Het album met drie dvd-s dat hier aan de orde is, dateert ook uit die ‘tweedbeste’ periode 1967/2 en heeft dezelfde solisten en koor als de eerste DG lp opname. Het bewuste Unitel materiaal is in zoverre bijzonder, dat het hier niet gaat om een normale concertzaalproductie maar om een speciaal voor de film ingerichte, niet nader gespecificeerde, anonieme studioregistratie waarbij het orkest op drie vrij stijl oplopende tribunes is gezeten: links eerste en tweede violen, midden van onderaf fluiten en andere houtblazers met koper en pauken bovenaan en ter rechterzijde altviolen, celli en bovenaan bassen. De klankregie van vooral Karajans vertrouweling Michel Glotz is gelukkig van dien aard dat het in stereo redelijk natuurlijk van balans klinkt; Horant Hohlfeld, een bekende videoproducer, nam de beeldkant voor zijn rekening.

De meeste aandacht is in close-ups op de dirigent – zoals gewoonlijk met dichte ogen – gericht. Hij is vrijwel steeds van (zijn chocoladezijde) links in beeld. Het orkest speelt een anonieme rol. Soms zijn bij de strijkers wat gezichten in beeld, verder veel driftig bewegende strijkstokken, een glansrol voor de eerste fluit (maar niet voor de fluitist), roffelende paukenstokken en wat trompet- en hoornbekers.

In die zin gaat het typisch naar Karajans ideaal niet om een concertreportage, maar om een specifiek voor video geënsceneerde filmproductie. Het resultaat is best verrassend, de beeldkwaliteit is voortreffelijk en op het geluid valt eigenlijk ook niet veel af te dingen. Na zijn dood raakte Karajans werk merkwaardig snel op de achtergrond; dat hij bij alle kritiek ook prachtige dingen deed, zoals hier, is zeker het conserveren waard. Beslist ook voor de jongere generatie muziekliefhebbers die de dirigent alleen nog maar uit verhalen en anekdotes kent. Het enige belangrijke eigentijdser, slanker alternatief biedt Abbado, ook met de Berlijners (TDK dvd-v’s).