BRITTEN: DEATH IN VENICE
DVD Recensies

Britten: Death in Venice op. 88. Marlin Miller (t), Scott Hendricks (b), Razek-François Bitar (ct), Alessandro Riga (dans) e.a. met het Ensemble van het La Fenice theater, Venetië o.l.v. Bruno Bartoletti. Dynamic 33608 (dvd, 2u. 35’). 2008

 

Heel wat gedachten en ideeën passeren de revue in Brittens laatste opera (1973). Het werd een meesterwerk dat frisse klankwerelden verkent en een vloeiende, filmische stijl van muziekdrama biedt. Het uitgangspunt van de opera wordt uiteraard gevormd door de novelle van Thomas Mann. Die leefde al lang bij de componist, maar het duurde een poos tot Myfanwy Piper daar een libretto van maakte.

De beroemde schrijver Gustav von Aschenbach gaat naar Venetië om zijn creativiteit te hervinden. Hij wordt daar betoverd door de prachtige, jonge Poolse jongen Tadzio die ook in zijn hotel logeert en met Britten deelde deze liefdevolle fascinatie tijden later met hem.

Aschenbach raakt steeds meer betoverd door de jongen en wordt natuurlijk verliefd op hem. Hij hoort ook over het gevaar van cholera in de stad, maar ken het niet opbrengen tijdig te vertrekken. Bij gevolg sterft hij aan deze ziekte.

Onder dit oppervlak verkent het verhaal diepzinnige thema’s als de beproevingen van artistieke creatie en de confrontatie tussen orde en chaos, Apollo en Dionysos, schoonheid en wijsheid.

Death in Venice bevat in menig opzicht de meest geïnspireerde, zelfs sublieme muziek. Vergeleken met het glorieuze uitzicht op Venetië vanuit Aschenbachs hotelkamer verbleken de ‘Four sea interludes’ uit Peter Grimes. Ook de gestemde slagwerkinstrumenten die Tadzio’s buitengewone schoonheid en de erotisch geladen droom weergeven en de laatste maten van de muziek tijdens welke man en jongen samen de dood ingaan, klinken prachtig.

In de inleiding zien we beelden van het Teatro La Fenice en historische plekken in Venetië en dan volgt een verfilming van de opera in de best denkbare Visconti stijl met veel zilverblauwe kleur en grijstinten. De decors zijn heel mooi in Italiaanse stijl. Veel lof dus om te beginnen voor regisseur Pier Luigi Pizzi en videoproducent Davide Mancini.

Vanaf een uit stapels boeken bestaand kerkhof komen we via het Canal Grande binnen in het wit/zwart marmeren hotel en het strand waar de spelen van Apollo plaatsvinden onder toezicht van diens meer dan levensgrote standbeeld.

Wat we horen is een gevoelige lyrische Aschenbach van Marlin Miller die zich gevoelig toont voor de poëzie van de tekst en de lange ariosi vloeiend houdt. Hooguit lijkt hij nogal jong voor zijn rol en haalt hij niet helemaal bij Pears in de oude Decca cd opname. Maar zijn toon is bepaald aangenamer, minder krijtbleek.

In de zeven rollen van zijn wreker – reiziger, oude dandy, oude gondelier, hotel manager, hotelkapper – weert Scott Hendricks zich geducht. Zoals de componist wenste, wordt de rol van Tadzio vervuld door een danser, de eerder Italiaans dan Pools ogende Alessandro Riga die met echt pubertrots optreedt.

De stem van Apollo, Razek-François Bitar klinkt wat veraf en de kleinere rollen kunnen er goed mee door. Dirigent Bartoli verzorgt de begeleiding op secure, zij het enigszins prozaïsche wijze. Maar dat zijn kleine bezwaren tegen een verder over de hele linie prachtige videoproductie waartegen die van Graeme Jenkins (ArtHaus 100.172) en Steuart Bedford (Gonzo TPDVD 176) niet goed zijn opgewassen.