MONTEVERDI: IL RITORNO D'ULISSE, WILSON
Monteverdi: Il ritorno d’Ulisse in patria. Brian Asawa (Humana fragilità, Antinoma), Jaco Huypen (Tempo, Antino), Monica Bacelli (Fortuna, Melanto), Anthony Rolfe Johnson (Ulisse), Graciela Araya (Penelope), Toby Spence (Telemaco) e.a. met het Baroksensemble o.l.v. Glen Wilson. Opus Arte OA 0926D (dvd, 176’, 16:9, geluid PCM stereo en DTS 5.1, regio 0). 1998 

Voor bezoekers van het Amsterdamse Muziektheater die deze voorstellingen in 1994 en 1998 bijwoonden en daar terecht erg van genoten, moeten deze uitgaven een fijn feest der herkenning zijn. De meeste geïnteresseerden zullen de opvoeringen wel hebben bijgewoond en ook de uitvoerige signalementen in de pers wel hebben gevolgd en mogelijk ook bewaard, zodat we er hier kort over kunnen zijn.

Dankzij de fraaie nooit opdringerige, niet flitsend wisselende beeldregistratie van Hans Hulscher komt de strakke, sobere regie van de uiterst gestileerde en elementaire handeling prachtig tot zijn recht. Van het orkest in de bak zijn geen duidelijke beelden; alle aandacht is op het toneel gericht. Daarop ontwikkelen zich de trage handelingen die heel strak zijn geregisseerd door Pierre Audi.

Glenn Wilson heeft als vertolker weinig pretenties wat kwesties als authenticiteit aangaat. Hij maakt coupures en zorgt voor een paar omzettingen. Daar blijkt in de praktijk weinig op tegen. Aan instrumentale kant is sprake van een dominante continuo inbreng. De titelrol is in uitstekende handen bij Anthony Rolfe Johnson en deze beleeft een van zijn treffendste momenten bij de wraakneming op de gemene kerels die het op Penelope, een ontroerende rol van Graciela Araya, hadden voorzien. Ook de overige rollen zijn naar behoren ingevuld.

Zo is met Poppea erbij gerekend tweemaal sprake van uitstekende resultaten en de hele aanpak van beeld, aankleding en muziek met zijn uitgesproken ascetische karakter werpt fraaie vruchten af.

Curieus genoeg is juist wat deze werken betreft van de nodige dvd-v concurrentie sprake. Ulysses is er met name van William Christie met Les arts florissants en Kresimir Spicer plus Marijana Mijanovic in de hoofdrollen (Virgin 7243-90612-9), Poppea van het opera-ensemble Zürich onder Harnoncourt met Kasarova en Henschel (ArtHaus 100.352), van Concerto Keulen onder Jacobs met Schumann en Croft (ArtHaus 100.108) en van Les musiciens du Louvre onder Minkowski met Delunsch en Von Otter (Bel Air BAC 004). De in Glyndebourne ontstane versie onder Leppard bestond alleen op tape (Castle CV 12040).

Door de verschillen van opzet is het enigszins appels met peren vergelijken wanneer wordt gepoogd winnaars en verliezers aan te wijzen, maar een chauvinistische voorkeur voor de Amsterdamse producties is goed te rechtvaardigen, al verricht met name ook Jacobs prachtige dingen. Het wachten is nu op Wagners Ring uit Amsterdam.