SAARIAHO: L'AMOUR DE LOIN

Saariaho: L’amour de loin. Gerald Finley (Jaufré Rudel), Dawn Upshaw (Clémence), Monica Groop (Le pélerin) en het koor en orkest van de Finse nationale opera o.l.v. Esa-Pekka Salonen. DG 073-4026 (dvd, 156’, NTSC, 16:9, geluid PCM stereo en DTS 5.1, regio 0). 2004

 

Ter illustratie van wat de stem die immers altijd een grote rol heeft gespeeld voor de Finse, nu in Parijs wonende componiste, vermag, is het goed ter voorbereiding op de opera L’amour de loin te wijzen op haar daar nauw aan verwante Lonh (1996) voor stem en elektronica in de uitvoering door Dawn Upshaw op Odine ODE 906-2.

Want juist dit werk geeft een goed beeld van haar poëtische en muzikale wereld. Lonh is bovendien een van haar toegankelijkste stukken, deze quasi middeleeuwse vocale toonzetting van een troubadourgedicht dat is gesuperponeerd op een ietwat bizar klingelend elektronisch ‘soundscape’. Het is meteen een goed voorbeeld van Saariaho’s recente en betrekkelijk simpele stijl, waarmee ze een effect bereikt dat gelijktijdig op een merkwaardige manier vertrouwd, maar ook verontrustend en vreemd is.

L’amour de loin is een werk op basis van het verder vrij onbekende leven van de twaalfde eeuwse Provençaalse troubadour Jaufré Rudel die als musicus/dichter een imaginaire verre geliefde bezingt die bepaald niet denkbeeldig is. Een pelgrim biecht hem op dat zij Clémence heet en gravin van Tripolis aan de Libanese kust is. De troubadour reist daarheen, treft haar en sterft gelukzalig in haar armen. Als librettoschrijver fungeerde de Libanees-Franse schrijver Amin Malouf en bij de wereldpremière in Salzburg in 2000 voerde Peter Sellars de regie. Multicultureler kan haast niet.

De drie solisten: bariton Finley als Jaufré Rudel, sopraan Upshaw als Clémence en mezzo Groop als pelgrim zijn van grote klasse en het onzichtbare, beurtelings als stimulans, trooster en geweten fungerende koor vervult deze rollen op heel passende wijze.

De muziek ontwikkelt zich traag en heeft een heel direct aansprekend melodisch en ritmisch karakter. Maar nog opvallender zijn de caleidoscopische orkest- en elektronicakleuren (gelukkig koos ze niet weer uitsluitend voor elektronica). Of in september 2004 dezelfde decors als in Salzburg werden gebruikt, is onbekend. In elk geval is de minimalistische setting van George Tsypin heel fraai, passend bij de eveneens vrij simplistische regie van Sellars. Dat alles ook in fantastische kleuren in beeld gebracht door videoregisseur Jukka Leinonen.

Zijn er ook nadelen? Best wel: het gaat om een uiterst statisch werk zonder veel handeling omdat de handeling een nu eenmaal sterk verinnerlijkt karakter – eerder cantate dan opera - heeft. In die zin is een uitvoeringsduur van 140 minuten wel aan de flink lange kant. Maar laten we blij zijn dat sprake is van een in potentie belangrijke nieuwe, onmiddellijk aansprekende opera, in dat opzicht vergelijkbaar met bijvoorbeeld Birtwistle’s The mask of Orpheus.

Aanvullend zijn nog korte interviews met Saariaho, Sellars en Salonen opgenomen.