TERUGBLIK
Fonografie Muziek

EEN TERUGBLIK

Kent u het Gumbril syndroom? Waarschijnlijk niet, want in de medische literatuur is er niets over te vinden. De ontdekking van dat syndroom gaat terug tot 1923 toen Aldous Huxley’s Antic Hay werd gepubliceerd. Daarin komt namelijk de vader van een der hoofdfiguren voor, de gesjeesde architect Gumbril sr. die zich op zijn oude dag onledig houdt met het inspreken van gesproken brieven op een Webster draadrecorder. Brieven die echter nooit worden verzonden, laat staan afgeluisterd.

Het door mij gemakshalve naar hem genoemde syndroom staat derhalve voor drukke en geëngageerde, maar vrij doelloze activiteiten. Overigens verslond ik medio jaren vijftig Huxley niet uit hypochondrische overwegingen, maar omdat hij zulke fraaie beschrijvingen gaf van de late pianosonates en strijkkwartetten van Beethoven waar ik me toen intensief mee bezighield aan de hand van de toen geweldige opnamen van Solomon en het Boedapest kwartet.

Al decennia lijd ik aan dat Gumbril syndroom, ben me daar op ironische wijze best van bewust en draag dit lot zelfs met het nodige plezier. Je kunt het natuurlijk veel nuchterder ook gewoon een blijk van bezigheidstherapie noemen. Waarom gaat het in mijn geval?

Dat kun je natuurlijk uit verschillende perspectieven beschouwen. Laat ik er eentje kiezen. Terugkijkend op mijn werkzame leven als middelmatig, maar ijverig journalist vonden nogal wat verschuivingen in het werk plaats. Begonnen als een soort specialist op het gebied van muziekconserven en de spullen die nodig waren om deze ten gehore te brengen – met Leo Riemens jarenlang zo ongeveer de enige fulltime professionele lp recensent in het NL taalgebied, nu lijkt me zo’n specialisatie onmogelijk (stof voor een aparte overweging) – veranderde het werkterrein van een zich voornamelijk bezighouden met de producten van de muziekindustrie naar een meer op de mensen achter die producten gerichte interesse enerzijds en naar een concentratie op de technische aspecten, ontwikkelingen en kwaliteiten van afspeelapparatuur anderzijds. 

De implicatie van alle ups en downs bij Luister, Disk (na 1961 3x herrezen en verdwenen!), Elsevier en de omroep was dat ik me met name de afgelopen twintig jaar als freelance medewerker van diverse dag-, week- en maandbladen en leraar aan de afdeling Muziekregistratie van het Haags Conservatorium door het leven moest slaan en me minder met producten en meer met mensen – lees musici – moest gaan bezighouden. Aan het eind van de rit bleek mij archief met veel gepubliceerd, maar ook nooit of slechts deels in druk verschenen materiaal te zijn gevuld. Het sluimerde daar in getypte vorm en vooral mijn omgeving vond: doe daar toch wat mee!

Dat was eenvoudiger gezegd dan gedaan. Als reeds lang in de anonimiteit verdwenen particulier miste ik feitelijk de contacten en de netwerken om eventuele publicatie te realiseren. Het zoeken naar de bevrediging van Le plaisir de se voir imprimé was ik wel voorbij. Bovendien: wat was het belang van het materiaal? Ging het om een late egotrip? In het beste geval zou je kunnen zeggen dat het materiaal samen een aardig beeld geeft van de musici die het muziekleven van de 2e helft van de 20e eeuw in hoge mate hebben gedragen.

Een eerste mogelijkheid werd in 1997 gegeven toen het mogelijk was om een selectie uit het musicimateriaal uit te geven: 32 interviews met c.q. portretten van uitvoerende musici van allerlei disciplines onder de titel Spraakmakende musici (uitg. Balkema, Rotterdam en intussen vrijwel uitverkocht). Maar het totale bestand bevatte een kleine 170 van dergelijke hoofdstukken. Wat verder te doen?

‘Gooi het op Internet’ suggereerden met name jongeren. Maar ik had geen zin om een extra en waarschijnlijk onvindbaar zandkorreltje in die oneindige Sahara te worden, terwijl ook de gedachte om mijn materiaal zomaar op straat te grabbel te gooien me tegen de borst stuitte. Bovendien had ik het er niet voor over om nog eens een groot bedrag uit te geven voor de realisatie van zo’n misschien niet geweldig plan in gedrukte vorm.

Gelukkig deed zich een bijzonder soort oplossing voor: uitgeverij Gopher die zojuist bij monde van Loes Damhof heeft aangegeven hoe de werkwijze van dit bedrijf is, opende tegen aantrekkelijke voorwaarden de mogelijkheid om de hele bulk successievelijk te publiceren. Splitsing van het materiaal bleek wel noodzakelijk. Zo verscheen 21 maart 2001 een eerste deeltje met 41 Spraakmakende dirigenten en een paar flankerende hoofdstukken. Binnen tien maanden werd het gevolgd door Spraakmakende pianisten, strijkers, zangers en blazers. Dankzij de opgeheven blokkade van de vorige uitgever werd dit project afgerond met de definitieve versie van Spraakmakende dirigenten, 52 in getal.

Opnieuw gaat het hierbij om heel heterogeen materiaal. Heterogeen is het alleen al omdat alles over een langere periode en voor verschillende doelgroepen van kenners en liefhebbers is ontstaan. Om te beginnen moet onderscheid worden gemaakt tussen de echter interviews en de portretten. Behalve de verschillen in lengte zijn er door dit alles ook verschillen in kwaliteit. De een maakte ik van tamelijk nabij en langdurig mee, de ander slechts kort in een flits of alleen via opnamen. Niet iedereen bleek een even makkelijke gesprekspartner. Over sommigen is elders al zoveel gepubliceerd dat ik er nauwelijks wat aan kon toevoegen. 

Enige voldoening geeft dat ik niet was onderworpen aan de frustrerende schraptucht van een eindredacteur: mijn verhalen zijn ditmaal integraal afgedrukt, al geef ik graag toe dat een goede eindredacteur met verantwoord schrapwerk een gegeven stuk best beter kan maken. Al met al wordt vooral een beeld gegeven van die musici die ik bewonder of die ik op z’n minst intrigerend en bijzonder vind. Daar zijn een paar uitzonderingen op: Wibi Soerjadi, Ofrah Harnoy en James Galway.

En wie weet is er in de nabije toekomst meer: er sluimert namelijk nog ander materiaal in de tekstverwerker: een reeks opstellen over zeer diverse onderwerpen onder de werktitel Fonografie en een stapeltje Vergelijkende discografieën, een vorm van plaatbesprekingen die ik ooit introduceerde. Kris kras door allerlei composities heen. 

De verleiding is groot om wat meer achtergronden te vertellen, of wat anekdotes – zo van: “ik herinner me toen Thomas Beecham in 1959 in Luzern op pantoffels verscheen bij een repetitie van Händels Messiah”, een boeiende toevallige ontmoeting met Giulini in de wachtruimte van het Weense vliegveld Schwechat of de situatie toen Christa Ludwig zich had verslapen bij een repetitie van Mahlers Lied von der Erde onder Klemperer - maar ik voel me als in een radio uitzending met beperkte zendtijd waardoor het ontbreekt aan de mogelijkheid om hier een lange, vrije cadens te lanceren.

Nog wel een praktische opmerking: destijds zijn in Spraakmakende musici discografieën van de desbetreffende lieden opgenomen. Onder andere vanwege de snelle veroudering van dergelijke lijsten hebben we besloten daar ditmaal van af te zien. Maar die gegevens waren wel voorhanden en besloten werd deze separaat uit te geven. Idealiter zou daarvan met de huidige elektronische middelen bijvoorbeeld jaarlijks een update kunnen worden uitgebracht, maar in de praktijk is dat moeilijk. Ga maar na: je bent volkomen afhankelijk van de informatie van de muziekindustrie, waarmee ik al twintig jaar geen contact meer onderhoud. Veel kunstenaars zijn verdeeld over diverse labels, het wemelt van de herverkavelingen, heruitgaven en intrekkingen, er is veel niche repertoire, er zijn kleine mogelijk in ons land niet verkrijgbare labels met louter historisch materiaal enzovoorts…. Voor tien artiesten is het volgen van hun bestanden misschien nog doenlijk, voor een veelvoud van 170 (denkend aan overlappende concert- en opera opnamen) niet meer. Hier blijkt trouwens hoeveel slechter de wereld der muziekconserven is georganiseerd dan bv. de boekhandel. Maar wie een oplossing heeft of wil participeren, mag het zeggen. In mijn eentje heb ik in dit deelgebied geen zin meer in.

De markt is namelijk in vijftig jaar veel omvangrijker en onoverzichtelijker geworden. Dat blijkt bijvoorbeeld uit een vergelijking van de verzamelcatalogussen die het Engelse blad The Gramophone uitgeeft. Medio jaren vijftig vorige eeuw een ongeveer 200 pagina’s tellende pocket met een vrij groot lettertype, nu een bijna 2300 pagina’s dundruk tellend boek op A4 formaat met kleine letters. 

 

Het is op dit moment echter best aangenaam met een beroemde aria van Bach te kunnen zeggen: Es ist vollbracht.