Fonografie Muziek

PERAHIA EN BACH

EEN KWESTIE VAN SCHEEFGROEI? PERAHIA EN BACH

 

Sterft Bachs klaviermuziek bij Perahia in schoonheid?

 

De betekenis van Bachs klavierwerken kan met toppen als de Goldbergvariaties en het Wohltemperierte Klavier niet hoog genoeg worden aangeslagen waar het gaat m de historische vooruitgang van het genre. Onder dat gezichtspunt wordt de vraag of men Bach op een moderne concertvleugel mag spelen of dat dit alleen mag op een klavecimbel of klavechord een kwestie van academische haarkloverij.

Dat verklaart ook heel wat tegenspraak in de acceptatie van deze werken, die nu eenmaal niet eng te determineren valt binnen de antinomische begrippen romantiserend versus historiserend. Elke uitvoeringsstijl in zoverre deze niet onder het niveau van de eigen voorwaarden zakt, kan op zijn hoogtepunt in het tegendeel verkeren.

Zo heeft bijvoorbeeld de Bachuitgave van Ferrucio Busoni die bepaald geen historist was, onze Bachopvatting net zo de grenzen van een triviaal romantiseren geholpen als zijn Bachvertolkingen die helaas nog slechts op miserabel klinkende opnamen hoorbaar zijn.

Aan de andere kant werd een generatie later de consequente inzet door Wanda Landowska op het klavecimbel met zoveel excentrische details belast, dat ze in moderne oren haast ‘historischer’ aandoet dan Busoni’s engagement.

Verder mag nooit worden vergeten dat de strikte eis voor het gebruik van een historisch authentiek instrument de ideologische ballast van het klavecimbel door de neobarokke restauratietendensen uit de 20e eeuw verdonkeremaant. Historisme kan – indien onnadenkend toegepast – makkelijk een onhistorisch cliché worden.

Evenmin mag worden vergeten dat de piano nadat deze gedurende de 19e eeuw het instrument bij uitnemendheid voor huiselijk musiceren en denderende klavierleeuwen was geworden door nieuwere, hedendaagse componisten een heel nieuwe klankwereld heeft ontsloten. Dat speelt een zinvolle rol in, ja garandeert het voortleven van Bachs klaviermuziek in de vorm van een concrete utopie.

Dat inzicht hebben we in hoge mate te danken aan de Canadese pianist Glenn Gould die in tegenstelling tot andere, oudere pianisten (Gieseking, Kempff, Cortot, Fischer, Serkin, Rosen) en in tegenstelling tot sommige jongere (Argerich, Barenboim, Schiff, Gavrilov, Perahia, Pogorelich, Weissenberg) niet probeerde op de vleugel het klavecimbel te imiteren (hoewel de vleugel bij hem soms wel als klavecimbel klinkt) maar door een soort vervreemding van de gangbare pianotechniek tot een mate aan individualisering van muzikale ontwikkelingen komt, die ook in toekomstgerichte betekenis niet anders dan zeer congeniaal moet worden genoemd.

In dit verband nemen de heel bijzonder nazarenisch-romantiserende Richter en de ook heel individuele Gulda en Tureck een bijzondere, eigen plaats in. Een vergelijkbare hoogte qua vormgeving bereiken slechts weinig klavecinisten in de gelukkigste momenten van hun interpretaties. Daartoe behoorden niet zozeer Landowska, (Karl) Richter en Walcha, maar wel Leonhardt, Kirkpatrick, Pinnock, Gilbert, Koopman, Van Asperen, Hewitt, Staier en Hantai.

Tot zover in het algemeen over Bachs klavierwerken. Komen we meer specifiek tot de Bachinterpretaties van Murray Perahia, een – ook door mij – zeer bewonderd pianist die in het bijzonder veel indruk maakte met zijn Chopin-, Mozart-, Schubert- en Schumannvertolkingen. Zijn integrale opnamen van de pianoconcerten van Beethoven met Haitink (Sony 44.575) en Mozart (Sony 89500) behoren nog steeds tot de mooiste. Een ander hoogtepunt vormen de Ballades (Sony 64399), Etudes (Sony 61885), Impromptu’s (Sony 39708) en sonates (Sony 76342) van Chopin in het kielzog van de beide pianoconcerten (Sony 44922). Andere hoogtepunten zijn de Fantasieën van Schubert en Schumann (Sony 42124), de Scarlatti/Händel cd (Sony 62785), de Mendelssohn/Schubert/Liszt dito (Sony 66511), de werken voor piano en orkest van Schumann (Sony 64577) en diens Kreisleriana en sonates (Sony 44569 en 62786).

Perahia zal in zijn loopbaan best veel Bach hebben gespeeld, maar tot het maken van opnamen in dit repertoiresegment besloot hij pas vrij laat: de 6 Engelse suites (Sony 60276/7) werden in twee etappes in 1997/8 in het Zwitserse La-Chauds-de-Fonds vastgelegd, de Goldbergvariaties (Sony 89243) volgden in 2000, de 6 pianoconcerten (Sony 89245 en 89690) in 2000/1 en zijn recente cd met het 5e Brandenburgs concert, het tripelconcert en het Italiaans concert (Sony 87326) in april 2003.

Waar de Engelse suites in Perahia’s handen getuigden van een verfrissend luchtige articulatie in de snelle delen en een prachtige sfeerwerking in de Sarabandes kon men hier en daar twijfel hebben over een zekere stroperigheid. Schiff (Decca 421.640-2) – om bij de pianisten te blijven en Gould hors concours te laten – was directer, sprankelender, met meer aandacht voor versieringen en accenten.

In de Goldbergvariaties nam Perahia een typisch pianistische, maar ook vrij nederige houding aan. Als geheel slaagde het werk verfijnd, geconcentreerd, discreet, elegant. Hij zorgde voor een nuttig, waardevol alternatief van die andere grote Bachpianisten: Gould (2x Sony 52594 en 64126), Schiff (Decca 466.214-2), Tureck (DG 459.599-2) en Hewitt (Hyperion CDA 67305) zonder overtuigender te zijn.

Bij de klavierconcerten zijn parallellen hiermee vast te stellen: discretie, raffinement, expressiviteit, kleurgevoel van de kant van Perahia tegenover meer gearticuleerde pit, een veelzijdiger toucher, meer doortastendheid, nuancering, kleurigheid van Schiff (Decca 425.676-2) en de teveel in staccatissimo zwelgende Gavrilov (EMI  747-629-2). Zelf grijp ik hier nog steeds bij voorkeur naar Schiff.

Gebruik van een piano in het 5e Brandenburgs concert brengt ons haast terug in de tijd van Adolf Busch (EMI 764.047-2) en Alfred Cortot (EMI 567.211-2), die bovendien ongegeneerder met dat instrument omgingen. Zelfs ‘oude rotten’ als Klemperer (EMI 764.150-2) en Karajan (DG 415.374-2) die deze concerten nog in 1978 in filharmonisch pluche verpakte, gebruikten een klavecimbel.

Het is hier dat Perahia voor het eerst echt teleurstelt met een vertolking van de pianopartij die vanuit een automatische piloot lijkt te zijn gestuurd en die derhalve vrij wezenloos, zonder doel of richting, terloops en tenslotte stervend in een vreemd soort schoonheid eindigt. Geen vlees, geen vis, geen duidelijke opvatting, geen toegevoegde waarde.

De enige andere beduidende uitgave van het tripelconcert met Nicolet, Shiokawa en Schiff (Decca 455.761-2) uit 1993 is in muzikaal opzicht een stuk pakkender, maar heeft helaas te lijden onder een serieuze onbalans in de opname. Ook de solo, het Italiaans concert kabbelt voorbij zonder veel indruk na te laten. Vergelijk Gould (Sony  52620), Schiff (Decca 448.908-2), Brendel (Philips 420.832-2) of Hewitt (DG 463,021-2).

De kentering in Perahia’s interpretatiewijze is misschien ook al hoorbaar in zijn vertolking van Schuberts drie laatste pianosonates (Sony 87706). Waar de pianist vroeger een duidelijke persoonlijkheid, een eigen opvatting toonde, zocht naar dieptewerking, aangenaam onzelfzuchtig en ongemaniëreerd gevoelig speelde, toont hij zich hier afstandelijk, vrij nuchter en neutraal. Het is voor de kritische luisteraar, maar ook voor Perahia zelf te hopen dat deze trend niet doorzet.                                         J. de K.