PRIX DE ROME

DE PRIX DE ROME EN ZIJN WINNAARS EN SLACHTOFFERS

 

De Prix de Rome is een stipendium, een beloning voor jonge kunstenaars teneinde hen in  staat te stellen om in Rome hun studie gedurende vier jaar voort te zetten, zich te ontwikkelen en hun kunst te verdiepen. De prijs werd in 1664 in Parijs ingesteld bij de oprichting van de Académie royale de peinture et de sculpture. De prijswinnaar mocht vier jaar in de Académie de France (Villa Medici) in Rome toeven.

In 1803 stelde Napoleon ook een Prix de Rome voor musici in, meer in het bijzonder voor compositiestudenten aan het Parijs’ Conservatorium voor een driejarig verblijf in Rome. Gedurende dat verblijf, ook ten dele in de Villa Medici, moeten enkele composities – zogenaamde ‘envois de Rome - worden ingezonden aan de Académie das beaux arts in Parijs. De jury bestaat uit zes leden van de muzieksectie van die Académie, aangevuld met drie componisten. Hun beslissing moet echter de handtekening krijgen van alle leden van de Académie; in 1968 werd de prijs voor het laatst uitgereikt.

Ook Nederland en België kennen zo’n Prix de Rome, maar de langer bestaande Franse prijs voor componisten is interessanter. Al is het maar om de Franse componisten die hem niet wonnen. De met nogal hautaine en gearriveerde musici bezette jury huldigde erg conservatieve en elitaire opvattingen. Van vier der beste en bekendste deelnemers – Berlioz, Saint-Saëns, Debussy en Ravel – is bekend dat ze samen dertien keer kandidaat waren. Ravel kwam bij zijn vierde poging niet eens door de voorronde, ook veelschrijver Saint-Saëns strandde. Andere Franse componisten als Gounod, Chabrier, d’Indy, Massenet, Fauré, Satie, Dukas, Roussel, Poulenc, Milhaud en Messiaen waagden niet eens een poging of werden ook afgewezen. Alleen de hoogst begaafde Lili Boulanger lukte het nog.

Verplicht werk was steeds een cantate, een ongeënsceneerde opera. Berlioz probeerde het in 1826 en 1827 met La mort d’Orphée een ‘monologue et bacchanale’ voor tenor, vrouwenkoor en orkest. De tekst is van Henri Berton (1767-1844), zelf een componist die les gaf aan het Parijs’ Conservatorium. Het gaat om een scène waarin Orfeus die opnieuw is gescheiden van Euridice eenzaam een monoloog zingt waarna de dienaressen van de boze Bacchus opdraven om hem in stukken te rijten. De tenor vervult de Orfeusrol in het vierdelige werk, het tweestemmig vrouwenkoor vertegenwoordigt de Bacchanten.

Overigens had de componist nogal pech met zijn inzendingen. Een eerdere poging in 1826 strandde voorbarig omdat hij niet door de voorronde, het concours d’essai kwam. Zijn beheersing van het contrapunt zou niet deugen.  In zijn Mémoires noemt de componist het werk ‘niet volkomen waardeloos’. De pianist die de eerste keer bij het voorspelen de orkestpartij moest invullen, was niet tegen zijn taak opgewassen en daarom werd het als ‘onuitvoerbaar’ teruggenomen uit de competitie. Om aan te tonen dat het zeker niet onuitvoerbaar was, nam Berlioz het op in een programma met eigen werken dat in mei het jaar daarop tot uitvoering kwam. Maar ook toen kwam het niet zover omdat een der soliste te verkouden was om te kunnen zingen. Niettemin werd hij net als Guiraud toegelaten.

Debussy slaagde met L’enfant prodigue, een driedelige ‘scène lyrique’ voor sopraan,, tenor, bariton en orkest op tekst van Guinand uit 1884 waaruit het tweede deel, ‘Air de Lia’ het bekendst is. Los van de dubbele betekenis van het woord prodigue (in deze samenstelling ‘verloren zoon’, maar tevens ‘verkwistende zoon’) gaat het om een boeiend bijbels gegeven dat hier conventioneel, met vrij brede gebaren en op het sentimentele af is verwerkt. Het is een voor de latere Debussy atypisch, heel conventioneel stuk, zoals dat voor de meeste bekroonde werken geldt.

Lili Boulanger zond als enige vrouw in 1913 haar cantate Faust et Hélène voor sopraan, tenor, bas en orkest op tekst van Eugène Adénis naar het tweede deel van Goethe’s Faust in. Maar in feite heeft dat gegeven weinig te maken met Goethe. De tekst reduceert het allegorische huwelijk tussen Goethe’s Faust en Helena van Troje tot een korte, oppervlakkige ontmoeting die griezelig eindigt door de tussenkomst van de jaloerse geest van haar Trojaanse minnaar, Paris. Binnen het kleine oeuvre van de te jong gestorven componiste kan het als meesterwerk gelden. DiscografieBerlioz: La mort d’Orphée. Gérard Garino met de dames van het Groot Omroepkoor en het Radio filharmonisch orkest o.l.v. Jean Fournet. Denon CO 72886.1987  

Berlioz: La mort d’Orphée. Daniel Galvez Vallejo, met koor en het Nationaal orkest van Lille o.l.v. Jean-Claude Casadesus. Naxos 8.555810. 1995

Boulanger: Faust et Hélène. Lynne Dawson, Bonaventura Bottone, Jason Howard met het BBC filharmonisch orkest o.l.v. Yan Pascal Tortelier. Chandos CHAN 9745. 1999

Debussy: L’enfant prodigue. Jessye Norman, José Carreras, Dietrich Fischer-Dieskau met het Omroeporkest Stuttgart o.l.v. Gary Bertini. Orfeo C 012821A.