MEMOIRES VAN EEN BEROEPSLUISTERAAR
Fonografie Muziek

MEMOIRES VAN EEN BEROEPSLUISTERAAR

Die Philister, die Beschränkten,

Diese geistig Eingeengten

Darfst du nie und nimmer necken;

Aber weite, kluge Herzen

Wissen stets in unser‘n Scherzen

Lieb‘ und Freundschaft zu entdecken.

(Heine)

Stel u voor, een echt provinciaaltje, enig kind, geboren en getogen in het Vincent van Gogh-dorp onder de rook van Eindhoven, wonend in een villa, omgeven door een parkachtige tuin. Wat zijn toekomst betreft levend in een sfeer van vooral passieve muziekbeoefening, die dan nog voornamelijk was gebaseerd op de oude stoomradio en een His Masters Voice grammofoonmeubel, dat de externe trechter te boven was en deze achter openklapbare jaloezieën verborg. Eerste jeugdindrukken: de jaarlijkse Matthäus uitvoeringen door Mengelberg en diens abonnementsconcerten op de donderdagavond en zondagmiddag door de AVRO uitgezonden en aanvankelijk weergegeven door een driedelige Philips-radio (met afzonderlijke plaatstroomvoeding, afstemmer en luidspreker, daarna een tweedelige en ten slotte een ‘moderne‘ Tungsram). Geflankeerd door het ouderlijk bezit aan 78 toeren platen: symfonische werken door Beecham, Walter, Busch, Schuricht, kamermuziek met het Buschkwartet, Beethoven- en Schubertsonates door Artur Schnabel, pianowerken met Rubinstein en Fischer, Mozartopera‘s uit Glyndebourne door Busch, de Zauberflöte onder Beecham, gedeeltes uit de Wolf Society, Franse liederen met Bernac en Poulenc en ter afwisseling lichter repertoire van Richard Tauber, Boris Lensky en walsen. In de periode van de Tweede Wereldoorlog vormden die conserven steeds meer het hoofdmenu. De radio werd in het verborgene hoofdzakelijk gebruikt voor de nieuwsuitzendingen uit Londen.

De grote stimulans kwam na de bevrijding. Vooral de eerste zaalconcerten in het toenmalige Eindhovense Philips Ontspanningsgebouw met beklijvende eerste kennismakingen met het Concertgebouworkest, onder andere onder Erich Kleiber, Eduard van Beinum, Otto Klemperer en met Geza Anda.

Van met klusjes en zakgeld gespaard geld werden de eerste 78 toeren albums gekocht. Wie klaagt dat cd‘s zo duur zijn, moet maar eens bedenken dat rond 1950 een 30 cm 78 toeren plaat met tien minuten muziek ongeveer ƒ7,50  kostte. Geconfronteerd met — toen al — een waar

mer à boire aan interessant repertoire, was het een uitkomst dat muziek-handel Rubens aan de Dommelstraat in Eindhoven mededogen had met die gefascineerde knul, die bijvoorbeeld Mozarts fluit/harpconcert op drie platen wilde kopen, maar dat niet in z‘n geheel kon betalen; met een knipoog leverde hij wel de losse schijf van het Andantino, waarnaar de puber het meeste smachtte.

Later volgden belangrijker complete plaataanwinsten — één der favorieten was Bartóks concert voor orkest door Van Beinum op Decca AK 2042/6  —  ze markeerden een geleidelijke overgang naar de lp, met onder de eerste ‘ijzeren repertoire‘ aanwinsten Bachs Brandenburgse concerten door Münchinger op Decca, Beethovens vioolconcert door Krebbers (Philips), Vivaldi‘s 4 Jaargetijden op MMS en Dvoraks Nieuwe Wereld door Dorati op Philips.

Voor de radio was — homework permitting — een hele dienstregeling aangelegd, die met festivalprogramma‘s en vast uitgezonden abonnementsconcerten de hele week besloeg van France Inter via Beromünster, Keulen, Hamburg, Londen en Brussel tot Hilversum. Alles nog in gebrekkige AM-monokwaliteit. Erg gewild waren muziekprogramma‘s waarin een aantal uitvoeringen van eenzelfde werk werd vergeleken. BBC 3 was daar goed in, maar ook Brussel Frans met La tribune du discophile op zondagmorgen. Van het gebodene, dat zover mogelijk werd getoetst aan het zelfgehoorde, werd een hele boekhouding aangelegd aan de hand waarvan zover het opgespaarde zakgeld dat toeliet nieuwe aanwinsten — toen nog ƒ36,- en wat later ƒ32,50 — werden gekocht.

Om de toen nogal begrensde weergavekwaliteit te verbeteren kwam een tweede hobby, knutselen, te pas: zelf platenspelers optimaliseren, versterkers en luidsprekers bouwen. Radio Bulletin leverde de schema‘s, Fa. Vogelzang in Eindhoven de onderdelen, te beginnen met forse Unitran-transformatoren en eindigend met EL-84-radiobuizen. Minder succesvol was een poging om zelf op basis van bij Stuut & Bruin aangeschafte onderdelen een feilloos werkende zelfbouw taperecorder te maken.

Geleidelijk werd duidelijk hoe mooi het zou zijn om na de middelbare schooltijd op het Eindhovense Lorentz Lyceum van de muziek- en audiotechniekhobby ook het werk te maken. Muziekstudies dus niet gericht op een beroep als uitvoerend musicus of een leraarschap, maar op muziekjournalistiek. Een discipline waarvoor feitelijk geen directe opleiding bestond en waarin je zelf — niet zelden als al dan niet mislukt musicus — je weg moest vinden.

Wat is de fascinatie van dat vak voor iemand die balanceert tussen muziek en techniek? Om te beginnen is muziek in natura één van de vluchtigste kunstvormen. In het ergste geval — een grote kathedraal —verklinkt hij na een seconde of drie. Bovendien is de manier waarop de toonhoogte, de toonduur, de geluidssterkte, de akkoorden, de agogiek, het tempo en al die parameters meer van wisselende luchttrillingen zijn genoteerd, nog steeds heel gebrekkig. Niet alleen blijft veel te gissen, gelukkig is er ook de nodige speelruimte voor interpretatie. Die vergt qua omvang en samenstelling (instrumentarium) van de vertolker weer het nodige — op zijn beurt omstreden — stijlbesef. Dat maakt alles bijeen dat zelfs twee uitvoeringen van dezelfde vertolker nooit identiek zijn. De onderlinge verschillen tussen diverse interpreten kunnen zelfs vrij groot zijn, zonder dat in absolute termen de één ‘goed‘ en de ander ‘fout‘ is. Muziek als een rijke taal met veel dialecten en accenten, vol mogelijkheden tot eigen vrije expressie.

Het bestuderen van een partituur is als het betasten van een sculptuur:

men registreert de structuur van het materiaal, de vormen, de afmetingen, misschien bepaalde patronen en symmetrieën, maar het totale beeld openbaart zich niet. Dat gebeurt als het goed gaat pas in een klinkende uitvoering, maar die kan in heel wisselende belichting, in merkwaardig perspectief, desnoods licht gekanteld zijn. lp en cd maakten dergelijke momentopnamen herhaalbaar en daarmee — voor velen helaas, want het eenmalige is voor altijd gefixeerd — voor altijd voorgeprogrammeerd. Maar gelukkig zijn er contrasterende cd‘s van dezelfde muziek. Onderlinge vergelijkingen zijn derhalve uiterst boeiend en leerzaam.

Conservatorium en muziekwetenschap, afgerond met muzieksociologie bij Kurt Blaukopf in Wenen, vormden een geschikt uitgangspunt. Dat laatste letterlijk om op staanplaatsen achter in of boven in de opera en achter in de Musikverein blijken van internationaal muziekleven te ervaren en in natura repertoirekennis op te doen. Totdat je ontdekte dat het meestal niet moeilijk was via de orkestingang een lege zitplaats in de zaal of een loge te krijgen om je verder als een goede spons vol te zuigen met meer muziekimpressies. Het was de glanstijd van Krips, Böhm en Karajan.

Dat had nog niet direct te maken met de eerste schreden op het gebied van muziekjournalistiek met als eenvoudig begin een In Memoriam voor Peter van Anrooy... Later ging het dagelijks werk domineren:

nieuwe lp‘s recenseren, met bevlogen consumentisme Vergelijkende Discografieën schrijven: vergelijkingen van zo mogelijk alle versies van één bekend werk met liefst aan het slot een ‘winnaar‘, een op artistieke en opnametechnische gronden beste keus en met een poging om de overige opnamen zo goed mogelijk te karakteriseren, zodat mensen met een andere smaak er ook wat aan hadden. Dat alles primair gedreven door een groot enthousiasme en grote liefde voor de materie zelf maar secundair ook door een soort Ralph Naderisme, als correctief op de reclame van platenmaatschappijen die liefst elke lp als ultieme topprestatie de markt opstuurden. Die eigenwijze houding van: ik ben geen verlengstuk van de pr-afdelingen der platenfirma‘s, maar ik wil trachten zo eerlijk mogelijk voorlichting te geven, is me enige malen opgebroken.

Hij leidde tot wat hilarische boycotacties en bijna-kort-gedingen en een paar minder hilarische ontslagen bij Luister, de RDP-dagbladen en later Elsevier.

In de tweede helft van de jaren vijftig lag het lp-platenvak gedurende de zomermaanden vrijwel stil. De ideale tijd om het leven op hoofdzakelijk muziekconserven even te ontvluchten en kriskras door Europa te reizen om ter voorkoming van muzikale scheurbuik tijdens festivals de muziek in natura te ervaren. Een houding, die overigens permanent was en in latere jaren ook in eigen land werd gehandhaafd door heel wat abonnementsconcerten bij te wonen.

Op het moment in kwestie ben je jezelf niet bewust, hoe bijzonder het retrospectief zou worden om bijvoorbeeld nog net Furtwängler, Van Beinum, Walter en Toscanini, Klemperer, Beecham, Von Matacic, Erich Kleiber, Kubelik, Krips, Münch, Ormandy, Schuricht, Szell en Ansermet te hebben horen en zien dirigeren. Om Karajan en Böhm 66k en vooral in de jaren vijftig te hebben meegemaakt. Anda, Backhaus, Haskil, Solomon, Gieseking, Serkin en Michelangeli bij de pianisten en Szeryng, Milstein, Oistrakh, Kogan en Menuhin in betere dagen nog in actie te hebben gehoord. Om maar een greep te doen bij een paar disciplines. Mooie herinneringen, die tevens in menig opzicht normen vestigden als beoordelingscriteria. Andere groten uit het verleden — Fritz Busch, Guido Cantelli, Willem Mengelberg, Victor de Sabata, Hermann Scherchen, Clemens Krauss, om me tot wat dirigenten te bepalen — heb ik helaas gemist. Net als Dennis Brain, Dinu Lipatti en Ginette Neveu, andere ‘helden en heldinnen‘ uit de maatgevende begintijd, ken ik alleen via hun conserven. Maar wat fijn dat die nog steeds voorhanden zijn!

De hoofdschotel van het werk heeft altijd bestaan uit reguliere recensies. Het oudste materiaal terugziend, is er heel wat routinewerk bij, maar het ontbrak nooit aan argumentatie om bij het kiezen behulpzaam te zijn. Echte miskleunen? Misschien. Maar toch is er na al die jaren weinig waarover ik m‘n mening nu drastisch zou moeten herzien. Alleen Furtwängler heb ik ten faveure van Toscanini vroeger te weinig eer gegeven. Waarschijnlijk mede op basis van vlak naoorlogse gevoelens. Het heeft me zelfs nog bijna een rechtszaak opgeleverd, toen ik z‘n Bayreuthse 9e Beethoven uit 1951 anno 1955 niet zo imposant vond als de importeur.

Dat soort conflicten zou misschien ook een paar alinea‘s waard zijn, al was het maar omdat ze tegenwoordig niet meer lijken voor te komen. De latere, een paar maal voorgekomen boycotacties van importeurs jegens Disk, waarbij niet meer werd geadverteerd en geen plaatmateriaal meer ter beschikking werd gesteld, omdat sommige medewerkers te veel vitriool in hun pen zouden hebben bijvoorbeeld.

Over dat soort conflicten hoor je nooit meer wat. Het valt echter nauwelijks aan te nemen dat alle muziekconserven tegenwoordig in artistiek opzicht zoveel beter zijn geworden. Overdosering, verdeling van de aandacht, een andere, terloopser instelling zullen hun tol wel eisen. Als ik de afgelopen tien jaar als freelancer al opdrachten kreeg, dan gingen die steevast vergezeld van de oekaze: denk erom, hooguit een paginaatje, dat door tienjarigen te begrijpen moet zijn en geen zweem van negatieve kritiek mag bevatten, want de industrie heeft het al zo moeilijk. Reden genoeg ‘dank u!‘ te zeggen.

 

In zoverre ben ik erg blij heel bewust de afgelopen veertig jaar van de Industry of human happiness intensief te hebben meebeleefd. Een periode waarin de wekelijkse portie recensiewerk overheerste, maar waar ook tijd was en mogelijkheden bestonden om op reis te gaan, elders indrukken op te doen, reportages en interviews te maken. Deels zijn die gebruikt voor publicatie, maar dan vaak in sterk geamputeerde vorm (het beruchte paginaatje), deels hebben ze stil in het archief gesluimerd. Nu, aan het eind van een over het geheel fijne loopbaan, waarin liefhebberij en werk samenvielen, is een mooi moment om ten minste een klein deel van het geheel te bundelen. Dat geheel geeft namelijk een aardig allround beeld van het muziekleven van de afgelopen decennia.