GEDACHTEN BIJ EEN BOEKBESPREKING
GEDACHTEN NA EEN BOEKBESPREKING 

Onlangs verscheen Robert Philips boeiende, lichtelijk provocerende boek Performing music in the age of recording (Yale University Press, 293 blz. €35,50). De belangrijkste these die hij daarin opwerpt, is deze: “Klassieke muziek spelende musici zijn in de vorige eeuw steeds beter gaan spelen. Dat komt door de opkomst van de plaatopname. Maar wat ging verloren door al die perfectie?” is zijn vraag.

Vooropgesteld zij dat ik het boek niet heb gelezen, maar op een uitgebreide boekbespreking afga bij het maken van wat kanttekeningen.

 Oorzaken en gevolgen

Technologische uitvindingen en vernieuwingen zijn altijd een drijvende kracht geweest in de klassieke muziek. Dat was honderden jaren geleden net zo als tegenwoordig. Nieuwe, verbeterde instrumenten leidden tot nieuwe klanken, nieuwe compositorische mogelijkheden en technieken. De pianosonates van Beethoven en zijn eigen compositietechniek en –stijl ontwikkelden zich mee dankzij de vorderende pianotechnologie uit zijn tijd. Liszt profiteerde van de Industriële Revolutie en van het sterkere metalen raam van de vleugel die het mogelijk maakten om de dynamiek en de techniek van het pianospel tot een veel hoger niveau op te stuwen. Blaasinstrumenten werden vervolmaakt, werden - zoals Frans Brüggen het zo mooi over het koper zei – geventileerd, kregen meer mogelijkheden.

Het was ook de technologie met de daarbij behorende ontwikkelingen en uitvindingen van – soms geheel nieuwe – instrumenten die de componisten verse mogelijkheden bood en die de evolutie van de ‘primitieve’ Middeleeuwen via de Renaissance, de Barok, het Classicisme, de Romantiek, de –Ismen tot de Avant-garde van nu brachten.

Technologie, cultureel-maatschappelijke ontwikkelingen en globalisering zullen waarschijnlijk in toenemende mate het muziekleven bepalen. Dat daarbij het eigene, de traditie en dus ook de specifieke klankidealen deels verloren gaan, is te betreuren, maar haast onvermijdelijk. Is het ook echter werkelijk zo’n ramp?

Het mag dan wezen dat tegenwoordig in Shanghai een symfonie van Brahms even uniform wordt gespeeld als in Wenen, Berlijn, Londen, Amsterdam of Chicago maar moeten we dat niet juist waarderen? Belangrijk is toch alleen dat recht wordt gedaan aan de bedoelingen van de componist en dat de dirigent die liefst vervult met inbreng van het juiste stijlgevoel en een passende, eigen opvatting.

Philip moet zijn onderzoek noodzakelijkerwijs tot de afgelopen honderd jaar, de periode waarin geluidsdocumenten van muziekvertolkingen beschikbaar zijn. Hij zou – net als wij – verbaasd zijn over nog meer en veel grotere klankverschillen als het mogelijk zou zijn om die research honderden jaren verder in het verleden te kunnen uitstrekken. Ook ik had dolgraag willen horen hoe Bach orgel speelde, wat Mozart zelf met zijn pianoconcerten deed en hoe de premières van Rossini opera’s klonken. Helaas….

De winst- en verliesrekening bij de evolutie van de internationale orkestklank heeft zeker niet alleen negatieve aspecten. De fascinatie van vaak al te persoonlijke interpretaties mag dan zijn verdwenen bij een heersende algemenere opvattingen, onder druk van de concurrentie is men als regel wel perfecter, maar daarom zeker niet ziellozer gaan spelen in ensembles. Die haast al te persoonlijke uitvoeringen van vroeger zijn meestal slecht tegen herhaling bestand: veel van wat violist Thibaud deed is niet meer om aan te horen, het meeste van Mengelberg ‘kan’ gewoon niet meer.

 Eerder verrijking dan verarming

Er is in tegenstelling tot wat Philip beweert zelfs winst geboekt in klankverrijking. Orkesten gingen zich enerzijds met een speciaal teruggewonnen instrumentarium op basis van musicologisch onderzoek toeleggen op een zo stijlgetrouw mogelijke uitvoering van ‘oude’ muziek. Voor de eigentijdse muziek die ook zo zijn speciale eisen stelt, ontstonden anderzijds ook toegespitste ensembles. Dat kan toch geen verarming en gelijkschakeling worden genoemd? De klankverschillen zijn in het algemeen dus juist groter in plaats van kleiner geworden. Vergelijk een Mozartsymfonie van Koussevitzky (Biddulph, 1934), Busch (Biddulph, 1934), Beecham (Dutton 1938/40), Furtwängler (DG 1944), Toscanini (RCA 1948), Walter (Sony 1957), Klemperer (EMI 1959), Böhm (DG 1968), Karajan (EMI, DG 1970), Krips (Philips 1973) met die van Marriner (Philips 1972), Gardiner (Philips 1988), Harnoncourt (Teldec 1985), Brüggen (Philips 1985) en Norrington (EMI 1992). De voorbeelden spreken op het punt van differentiatie boekdelen. Maar is sprake van een tegenwoordig geringer stijlbesef en een lager uitvoeringsniveau?

Is het werkelijk zo’n gemis dat we af zijn van de walmende, saxofoonachtige Russische hoorns, de vaak spichtig klinkende Franse blazers, de ietwat zure Weense hobo en is het zo’n ramp dat het felle, briljante Amerikaanse koper zich ook meer en meer bij Europese orkesten manifesteert? Het is niet moeilijk aantoonbaar dat tegenwoordig niet alleen meer, veelzijdiger en stijlvoller, maar ook technisch beter worst gemusiceerd.

Bedenk ook – al heeft dat niet direct met Philips thema te maken – de enorme repertoire uitbreiding uit de voorbije eeuw. Draaide het concertleven tachtig jaar geleden nog rond in een klein kringetje standaardwerken, zowel naar het verleden als het heden toe is het enorm uitgebreid met werken die niet alleen (her)ontdekt zijn, maar die ook worden uitgevoerd. Gelukkig zijn ook heel wat minor composers zo uiteindelijk aan hun trekken gekomen. Vaak juist dankzij en niet ondanks de muziekindustrie.

En vergeet niet dat de gemotiveerde muziekliefhebber niet alleen steeds beter is geïnformeerd en voorbereid door niet alleen naar concerten te gaan, maar ook door naar cd’s en de radio te luisteren, maar juist daardoor ook veeleisender is geworden.

 Nader eigen onderzoek

Maar goed, laten we Philip serieus nemen en in nader eigen onderzoek proberen vast te stellen hoe het is gesteld met de verschillen tussen ‘oude(re)’ en ‘nieuwe(re)’ opnamen. Een keuze uit wat algemeen bekend als de mooiste historische uitvoeringen bekend is in confrontatie met nieuwere lijkt een goed uitgangspunt. Daartoe zijn die historische opnamen uit de periode van 1929 tot 1955 chronologisch gerangschikt met daarachter vet gedrukt de recente alternatieven.

 1929: Rachmaninov: Pianoconcert nr. 2. Serge Rachmaninov met het Philadelphia orkest o.l.v. Leopold Stokowski. RCA RD 85997, Biddulph LHW 036. Ashkenazy/Previn. Decca 417.702-2 (1971)1929: Verdi: Requiem. Maria Luisa Fanelli, Irene Minghini-Cattaneo, Fernando Lo Giudice, Ezio Pinza met koor en orkest van La Scala, Milaan o.l.v. Carlo Sabajno. Pearl GEMMCD 9374. Abbado. EMI 557.168-2 ( 2001).1931: Massenet: Werther. Georges Thill, Ninon Vallin, Marcel Roque, Germaine Féraldy e.a. met het Ensemble van de Parijse Opéra comique o.l.v. Elie Cohen. EMI 763.195-2 (2 cd’s). Davis. Philips 416.654-2 (1980).1931: Wolf: 145 Liederen. Elena Gerhardt, Gerhard Hüsch, Igor Kipnis, John McCormack, Friedrich Schorr met Conrad van Bosch e.a. EMI 566.640/1-2 (7 cd’s). Ameling. Hyperion CDA 66788 (1991), Schreier. Orfeo C 142981A (1996), Anne Sofie von Otter en Olaf Bär. EMI 555.325-2 (1992/4).

1932: Elgar: Vioolconcert. Yehudi Menuhin met het Londens symfonie orkest o.l.v. Edward Elgar. EMI 769.786-2, 566.979-2. Kennedy. EMI 556.413-2 (1997).

1932: Sibelius: Symfonieën no. 3 en 5. Londens symfonie orkest o.l.v. Robert Kajanus. Koch 37133-2, Finlandia 4509-95882-2. Davis. RCA 09026-61963-2 (1992).1932/5: Beethoven: De 32 pianosonates. Artur Schnabel. EMI 763.765-2 of Naxos 8.110693/10 (8 cd’s). Brendel. Philips 446.909-2 (1994/6); Goode. Nonesuch 7559-79328-2 (1993).

1933/9: Sibelius: Symfonieën nr. 2, 5 en 7; Pohjola’s dochter. Boston symfonie orkest o.l.v. Serge Koussevitzky. Pearl GEMMCDS 9408 (2 cd’s). Rattle. EMI 764.737-2 (1984).

1934: Beethoven: Pianoconcert nr. 5. Walter Gieseking met het Weens filharmonisch orkest o.l.v. Bruno Walter. APR 5512. Perahia. Sony SK 42330 (1986).

1936: Mozart: Don Giovanni. John Brownlee, Ina Souez, Luise Helletsgruber, Audrey Mildmay, Salvatore Baccaloni, Koloman von Pataky en David Franklin met het Glynde­bourne festival ensemble o.l.v. Fritz Busch. EMI 761.030-2, Pearl GEMMCDS 9369, Naxos 8.1101357 (3 cd’s). Giulini. EMI 556.232-2 (1959); Gardiner. Archiv 445.870-2 (1994).

1936: Schubert: Strijkkwartetten no. 14 Der Tod und das Mädchen en 15. Busch kwartet. EMI 769.795-2. Leipzigs kwartet. MDG 307.0604-2 (1996).1936/9: Bach: Cellosuites. Pablo Casals. EMI 761.027-2 of Naxos 8.110915/6 (2 cd’s). Fournier. DG 449.711-2 (1963);  Wispelwey. Channel Classics CCS 12298 (1998).1937: Mozart: Die Zauberflöte. Tiana Lemnitz, Erna Berger, Helge Rosvaenge, Gerhard Hüsch, Wilhelm Strienz, Irma Beilke e.a. met de Favres solistenvereniging en het Berlijns filharmonisch orkest o.l.v. Thomas Beecham.  EMI 761.034-2, Dutton CDEA 5011 (2 cd’s). Abbado. DG 477.5789 (2005).1938: Schubert: 8 Impromptu’s D. 899 en 935. Edwin Fischer. APR APR 5515. Pires. DG 457.550-2 (1997).1939/41: Rachmaninov: De 4 pianoconcerten. Serge Rachmaninov met het Philadelphia orkest o.l.v. Leopold Stokowski en Eugene Ormandy. Naxos 8.110601/2 (2 cd’s). Ashkenazy/Previn. Decca 444.839-2 (1970/2).1945/6: Brahms en Sibelius: Vioolconcerten. Ginette Neveu met het Philharmonia orkest o.l.v. Walter Süsskind c.q. Issay Dobrowen. Dutton CDBP 9710. Vengerov. Teldec 0630-17144-2 (1998) c.q. Kavakos. BIS CD 500 (1990).1940: Verdi: Requiem. Zinka Milanov, Bruna Castagna, Jussi Björling, Nicola Moscona met het Westminsterkoor en het NBC symfonie orkest o.l.v. Arturo Toscanini. Music & Arts CD 240 (2 cd’s). Abbado. EMI 557.168-2 ( 2001).

1941: Debussy: Pelléas et Mélisande. Jacques Jansen, Irène Joachim, Henri Etcheverry, Paul Cabanel, Germaine Cernay met het Yvonne Gouvernékoor en orkest o.l.v. Roger Desormière. EMI 761.038-2 (3 cd’s). Abbado. DG 435.344-2 (1991).

1941: Tschaikovsky: Pianoconcert nr. 1. Vladimir Horowitz met het NBC symfonie orkest o.l.v. Arturo Toscanini. RCA GD 60319. Argerich. DG 449.816-2 (1994).1944: Bartók: Concert voor orkest. Boston symfonie orkest o.l.v. Serge Koussevitzky. Naxos 8.110105. Fischer. Philips 456.575-2 (1997).1947: Prokofiev: Symfonieën no. 1 en 5. Boston symfonie orkest o.l.v. Serge Koussevitzky. RCA  09026-61657-2, Biddulph WHL 058. Gergiev. Philips 475.7655 (2004).1947/50: Chopin: De 14 walsen. Dinu Lipatti. EMI 566.904-2. Ashkenazy. Decca 414.600-2 (1976/83). 1947: Verdi: Otello. Ramon Vinay, Herva Nelli, Giuseppe Valdengo, Nan Merriman e.a. met het NBC symfonie orkest en koor o.l.v. Arturo Toscanini. RCA GD 60302 (2 cd’s). Chung. DG 439.805-2 (1993).1948: Bartók: Concert voor orkest. Concertgebouworkest o.l.v. Eduard van Beinum. Dutton CDK 1206. Fischer. Philips 456.575-2 (1997).1950: Verdi: Falstaff. Giuseppe Valdengo, Frank Guarrera, Herva Nelli, Teresa Stich-Randall, Nan Merriman, Norma Scott e.a. met het Robert Shaw koor en het NBC symfonie orkest o.l.v. Arturo Toscanini. RCA 60251 (2 cd’s). Abbado. DG 471.194-2 (2001).1951/56: Beethoven: De 32 pianosonates. Wilhelm Kempff. DG 447.966-2 (8 cd’s). Brendel. Philips 446.909-2 (1994/6); Goode. Nonesuch 7559-79328-2 (1993).1952: Schubert: Strijkkwintet. Isaac Stern, Alexander Schneider, Milton Katims, Paul Tortelier en Pablo Casals. Sony SMK 58992. Schiff + Hagen kwartet. DG 439.774-2 (1991).1952: Moessorgsky: Boris Godoenov. Boris Christoff, Nicolai Gedda, Russisch koor, Parijs en Nationaal orkest van de Franse omroep o.l.v. Issai Dobrowen. EMI 565.192-2, Naxos 8.110242/4 (3 cd’s). Gergiev. Philips 462.230-2 (1997).1952: Mahler: Das Lied von der Erde. Kathleen Ferrier, Julius Patzak en het Weens filharmonisch orkest o.l.v. Bruno Walter. Decca 466.576-2. Boulez. DG 469.526-2 (1999) of Klemperer. EMI 566.892-2 (1966).1953: Mozart: De 4 hoornconcerten. Dennis Brain met het Philharmonia orkest o.l.v. Herbert von Karajan. EMI 566.898-2. Thompson. Naxos 8.553592 (1998).1953: Schumann: Symfonie nr. 4. Berlijns filharmonisch orkest o.l.v. Wilhelm Furtwängler. DG 457.722-2 (2 cd’s). Gardiner. DG 457.591-2 (1997); Sawallisch (EMI 764.815-2 (1972).1953: Puccini: Tosca. Maria Callas, Tito Gobbi, Giuseppe di Stefano e.a. met het Ensemble van La Scala, Milaan o.l.v. Victor de Sabata. EMI 585.644-2 (2 cd’s). Pappano. EMI 557.173-2 (2003).1954: Smetana: Má vlast. Tsjechisch filharmonisch orkest o.l.v. Václav Talich. Supraphon 11.1896-2 (2 cd’s). Kubelik. Supraphon 11.1208-2 (1990).1954: R. Strauss: Also sprach Zarathustra; Ein Heldenleben. Chicago symfonie orkest o.l.v. Fritz Reiner. RCA 82876-61389-2. Jansons. RCO Live RCO 04005 (2004).

1955: Ravel: Daphnis et Cloé. Boston symfonie orkest o.l.v. Charles Munch. RCA 09026-61846-2. Dutoit. Decca 458.605-2 (1980).

 

Wat leert deze excercitie? Eigenlijk vooral de enorme vooruitgang in opname- en weergavetechniek die ook maakt dat het moeilijk is om de in vergelijking met vroeger zeker merkbare klankverschillen expliciet aan te tonen. Niet zozeer die klankverschillen als wel het feit dat elke periode zijn geweldige vertolkers heeft, blijkt uit deze proef.

Alleen in het geval van Chopins Walsen met Lipatti, Verdi’s Falstaff met Toscanini, Mozarts Hoornconcerten met Brain en Puccini’s Tosca door Callas heb ik twijfel of er ooit echt betere versies van zijn verschenen, maar ik moet oppassen niet teveel dierbare herinneringen en emoties in het spel te brengen.

Elders in zijn boek behandelt Philip bepaalde beroemde opnamen van Alfred Cortot, Fritz Kreisler, Serge Rachmaninov, Jevgeny Mravinsky en De Greef/Landon; zelf voeg ik daar Mengelberg aan toe.

 

Andere voorbeelden: Beethoven V, Mahler IV en Bartóks Concert voor orkest

Omdat van Beethovens Vijfde al in 1913 de eerste volledige opname werd gemaakt en er intussen tenminste honderd opnamen met tal van beroemde dirigenten en een falanx van orkesten verkrijgbaar zijn, is het wellicht interessant om dit werk als uitgangspunt van een vergelijkende studie te nemen.

Daarom hier eerst een lijstje van vooral historische opnamen, op ontstaansjaar gerangschikt.

1913. Berlijns filharmonisch orkest o.l.v. Arthur Nikisch. DG 453.804-2 (6 cd’s).

1928. Berlijns Staatsopera orkest o.l.v. Richard Strauss. Naxos 8.110926.

1933. Londens filharmonisch orkest o.l.v. Felix Weingartner. Avid AMSC 583, Naxos 8.110913.

1933. New York filharmonisch symfonie orkest o.l.v. Arturo Toscanini. Pearl GEMMCDS 9373, Naxos 8.110801.1934. Londens filharmonisch orkest o.l.v. Serge Koussevitzky. EMI 575.118-2 (2 cd’s).1934. Los Angeles filharmonisch orkest o.l.v. Otto Klemperer. Archiphon ARC 114/5 (2 cd’s).

1937. Berlijns filharmonisch orkest o.l.v. Wilhelm Furtwängler. Biddulph WHL 006/7 (2 cd’s).

1937. Concertgebouworkest o.l.v. Willem Mengelberg. Teldec 3984-28408-2.

1939. NBC Symfonie orkest o.l.v. Arturo Toscanini. RCA GD 60255.

1939. Berlijns filharmonisch orkest o.l.v. Hermann Abendroth. Tahra TAH 102.

1940. Concertgebouworkest o.l.v. Willem Mengelberg. Music & Arts CD 1005 (5 cd’s), Teldec 243.725-2.1940. All American Youth orkest o.l.v. Leopold Stokowski. Music & Arts CD 824.1943. Berlijns filharmonisch orkest o.l.v. Wilhelm Furtwängler. DG 427.775-2.1945. Berlijns filharmonisch orkest o.l.v. Eugen Jochum. Tahra TAH 229.

1945. NBC symfonie orkest o.l.v. Artuo Toscanini. Music & Arts CD 753.

1947. Berlijns filharmonisch orkest o.l.v. Wilhelm Furtwängler. EMI 569.782-2.

1948. Weens filharmonisch orkest o.l.v. Herbert von Karajan. EMI 566.391-2.1949. Leningrad filharmonisch orkest o.l.v. Jevgeny Mravinsky. Warner 0927-46719-2.1950. Weens filharmonisch orkest o.l.v. Wilhelm Furtwängler. Music & Arts CD 802.

1950. New York filharmonisch orkest o.l.v. Victor de Sabata. Nuova Era 013-6338.

1951. Berlijns filharmonisch orkest o.l.v. Eugen Jochum. Tahra TAH 238.

1952. NBC Symfonie orkest o.l.v. Arturo Toscanini. RCA GD 60324, Naxos 8.110840.

1953. Concertgebouworkest o.l.v. Erich Kleiber. Decca 467.125-2.

1954. Philharmonia orkest o.l.v. Herbert von Karajan. EMI 763.310-2.

1954. Berlijns filharmonisch orkest o.l.v. Wilhelm Furtwängler. Tahra FURT 1008/11 (4 cd’s), EMI 567.496-2 (5 cd’s), EMI 567.492-2.

1955. Philharmonia orkest o.l.v. Otto Klemperer. EMI 763.868-2.

 

Het raster van het materiaal van Beethoven V kan bijvoorbeeld nog worden verfijnd en toegespitst door bijvoorbeeld alle opnamen van het Berlijns filharmonisch in competitie te brengen. Dan ontstaat het volgende lijstje:

1913. Nikish. DG 453.804-2 (6 cd’s).

1937.Furtwängler. Biddulph WHL 006/7 (2 cd’s).

1939. Abendroth. Tahra TAH 102.1943. Furtwängler. DG 427.775-2.1945. Jochum. Tahra TAH 229.1947. Furtwängler. EMI 569.782-2.1951. Jochum. Tahra TAH 238.1954. Furtwängler. Tahra FURT 1008/11 (4 cd’s).

1962. Karajan. DG 439.403-2.

1976. Karajan. DG 419.051-2.

1979. Böhm. DG 474.984-2.

1982. Karajan. DG 439.004-2.

2000. Abbado. DG 469.000-2 (5 cd’s).

2001. Abbado. TDK DV-BPAB 25 (dvd). 

Ter verdere vergelijking kan men een paar van de andere, als mooiste geldende opnamen laten aanrukken:

 

Chamber orchestra of Europe o.l.v. Nikolaus Harnoncourt. Teldec 9031-75712-2 (1990).

Weens filharmonisch orkest o.l.v. Carlos Kleiber. DG 415.861-2 (1974).Orchestre romantique et révolutionaire o.l.v. John Eliot Gardiner. DG 439.900-2 (1991).Weens filharmonisch orkest o.l.v. Simon Rattle. EMI 557.445-2 (2002). 

De voorkeur zal allerminst op de meeste oudjes vallen.

 

Of kies een ander werk met een ander orkest, zoals Bartóks Concert voor orkest door het Concertgebouworkest:

 

1948: Van Beinum. Dutton CDK 1206.

1960. Haitink. Philips 438.812-2.1983. Dorati. Philips 411.132-2, 468.155-2.1995. Chailly. Decca 458.841-2. Of Mahler IV dito:1939. Vincent/Mengelberg. Philips 416.211-2, Archiphon ARPCD 0066.

1951. Ritchie/Van Beinum. Decca 421.140-2.

1952. Schwarzkopf/Walter. Globe GLO 6900, Philips 475.445-2.1961. Stahlman/Solti. Decca 417.745-2.1967. Ameling/Haitink. Philips 420.350-2, 442.394-2.1983. Alexander/Haitink. Philips 412.119-2.1987. Wittek/Bernstein. DG 423.607-2.1999. Bonney/Chailly. Decca 466.720-2. 

Eens temeer blijken de verschillen meer van opnametechnische aard dan van klankmatige, al zijn er – gelukkig – verschillen maar die vallen beslist niet ten nadele van de nieuwere opnamen uit.

 

Cortot

Een innemender en betoverender pianovirtuoos was in de periode 1920-1950 nauwelijks te vinden. Zijn toucher bezat een kristallijne helderheid, zijn kleurenpalet bevatte een myriade aan tinten en schakeringen. In combinatie met een welhaast eindeloze dichterlijke passie droeg dat bij aan een heel persoonlijke, maar grillige stijl die gelukkig gewoonlijk bestand bleek tegen een feilbare en vaak verwarrende techniek. Vooral Cortots linkerhand had de neiging om in en uit het brandpunt te zwerven om een eigen, ongehoorzaam leven te gaan leiden. Maar Cortots ‘fouten’ kwamen niet voort uit incompetentie, maar uit zijn – niet zelden gedrogeerde – nerveuze, uiterst gespannen nervositeit. Zijn grote engagement kon hem makkelijk uit het evenwicht brengen. Maar belangrijker is dat de essentie van Chopins muziek goeddeels onbeschadigd uit zijn onnauwkeurigheden en grillen te voorschijn kwam.

 Chopin: Pianosonates nr. 2 en 3; Études op. 10 nr. 1-12 (2 versies) en op. 25 1-12 (2 versies); De 14 walsen; De 4 Ballades; De 24 Préludes; Impromptu’s nr. 1-3; Nocturnes nr. 2, 4, 5, 7, 15 en 16; Polonaise nr. 6; Berceuse (2 versies); Fantaisie; Tarantelle; Barcarolle; Chants polonais nr. 2, 12 en 14; Pianoconcert nr. 2. Alfred Cortot met orkest o.l.v. John Barbirolli. EMI 767.359-2 (6 cd’s, 1920-1943).

Chopin: De 25 Préludes; Barcarolle; Berceuse; De 4 Impromptu’s. Alfred Cortot EMI 761.050-2 (1933-1949).

 

Prachtige documenten maar je kunt er haast niet meer mee aankomen en gelukkig hebben we sindsdien vaardiger, minstens zo stijlvolle Chopinvertolkers als Rubinstein, Ashkenazy, Zimerman, Pires, Perahia, Kissin, Pollini, Lugansky en Andsnes.

 

Rachmaninov, Kreisler en Stokowski.

Mogelijk heeft Kreisler de cultus van jarenlang een deel van zijn roem te baseren op toegiften van eigen makelij of gebaseerd op andermans werk hem een niet geheel gelukkige reputatie tot op heden bezorgd. Maar dat hij een groot violist was, staat buiten kijf. Hoe dat ook zij, het unieke kunstenaarschap en de magische toonkwaliteit schijnen nog door zijn oudere opnamen. Soms landt hij niet midden in de juiste noot, maar hij speelt altijd met de timing en de frasering van een grote zanger. Niets zweemt naar routine of sleur in zijn spel dat voortdurend een frisse sfeer van nieuwe ontdekkingen ademt. Een unicum inderdaad.

 

Beethoven: Vioolsonate nr. 8; Schubert: Vioolsonate in A, D. 574; Grieg: Vioolsonate nr. 3. Fritz Kreisler en Serge Rachmaninov. Naxos 8.110968 (1928).

Beethoven: Vioolsonate nr. 8. Fritz Kreisler en Franz Rupp. Pearl GEMMCD 9395, Naxos 8.110969/71 (3 cd’s).

Kreisler: Eigen composities en arrangementen van werken van Bach, Brandl, Dvorák, Falla, Glazoenov, Heuberger, Poldini, Rimsky-Korsakov, Schubert, Scott, Tschaikovsky en Weber. Fritz Kreisler e.a. EMI 764.701-2.

 

Maar luister voor de composities van Kreisler ook eens naar Joshua Bell (Decca 475.6715, 2 cd’s) of Itzhak Perlman (EMI 562.601-2). Die zijn echt niet minder.

Stokowski is een geval apart als klanktovenaar, maar ook hij kon op zijn oude dag best objectiveren, getuige zijn prachtige uitvoeringen van Beethovens Vijfde en Schuberts Onvoltooide uit 1969 (EMI DVA 492.842-9).

  Mravinsky

Philip roemt terecht het koper uit het Leningrad filharmonisch orkest ten tijde van Jevgeny Mravinsky. Hij noemt specifiek de hoorns met hun extreme vibrato (waardoor ze bijna als saxofoons klinken) en de onstuimige trompetten in Tschaikovsky’s Vijfde.

 

Tschaikovsky: Symfonieën nr. 4-6. Leningrad filharmonisch orkest o.l.v. Kurt Sanderling en Jevgeny Mravinsky. DG 447.423-2 (2 cd’s, 1960).

 Kwesties van voorbereiding

Van de concertvoorbereiding, de orkestrepetities met name, geeft Philip een stel rake voorbeelden. Mahler moest het bij zijn aantreden aan de Weense opera doen met één enkele repetitie voor nota bene Wagners complete Ring, terwijl in Bayreuth met het ad hoc samengestelde orkest juist maandenlang werd voorbereid.

In Londen werkten in de eerste helft van de vorige eeuw veel freelancers die soms in het laatste kwartier van een optreden een vervanger regelden om nog de laatste trein naar huis te halen. Bekend is ook het verhaal van Markevitch bij het Lamoureux orkest tweede helft jaren vijftig waar hij een paukenist bij de tweede repetitie verweet een tijdens de eerste gemaakte afspraak niet te honoreren. “Het heeft geen zin mij dat te vertellen, want vanavond bij het concert zit er weer een andere remplaçant.” Richard Strauss als dirigent van eigen werk had een broertje dood aan repeteren en liet het op de inspiratie en solidariteit van de feitelijke uitvoering aankomen. Ooit brak al na 20 maten van Ein Heldenleben orkestrale chaos uit, waarna hij aftikte, zich tot het publiek wendde en zei: “Wie sie hören waren wir jetzt alle ‘raus. Darum werden wir noch mal von vorne anfangen.” Hij kon het zich blijkbaar veroorloven. Iemand die dat nooit zou gebeuren, was

 Mengelberg

die zelfs de regelmatig gespeelde symfonieën van Beethoven telkens weer langdurig, met veel gepraat, doornam. Mengelberg moet net als Stokowski iemand naar Philips hart zijn: een individualist die dwingend een eigen aanpak en stijl oplegt en die kenmerkend is voor zijn era.

Maar waar Mengelbergs interpretaties van bijvoorbeeld de gecoupeerde Matthäus Passion van Bach en Mahlers Vierde symfonie hooguit nog als tijdgebonden curiosum een keer het aanhoren waard zijn, blijken heel wat van Stokowski’s glamorous opnamen nog zeer de moeite waard te zijn.

 

Bach: Matthäus Passion. Jo Vincent, Ilona Durigo, Karl Erb, Louis van Tulder, Willem Ravelli, Hermann Schey met het Toonkunstkoor Amsterdam en het Concertgebouworkest o.l.v. Willem Mengelberg. Philips 426.871-2 (2 cd’s, 1939)

Mahler: Symfonie nr. 4. Jo Vincent met het Concertgebouworkest o.l.v. Willem Mengelberg. Archiphon ARPCD 0066 (1939).

Sjostakovitsj: Symfonieën nr. 5 en 6. Philadelphia orkest o.l.v. Leopold Stokowski. Dutton CDAX 8017 (1940/2).

Tschaikovsky: Francesca da Rimini; Hamlet. New York Stadium orkest o.l.v. Leopold Stokowski. Dell’Arte CDDA 9006 (1958). De les van Mengelberg

Wat zo’n Matthäus van Mengelberg ook leert, is dat in zijn tijd en door zijn generatiegenoten nogal vrijmoedig met muziekwerken werd omgesprongen. In opera’s werden gesproken dialogen, recitatieven geschrapt (tot in de tijd van de jongere Karajan, Beecham en zelfs Klemperer), werd willekeurig met herhalingen omgesprongen, werden geen gewenste versieringen aangebracht, zonodig hele brokken geherorkestreerd. Moessorgsky’s eigen orkestraties werden genegeerd. Bach/Busoni was populairder dan Bach puur.

Boeiend door het grote individualisme van de toenmalige interpreten mag het muziekleven destijds zijn geweest, het muntte ook vaak uit door eigengereid ingrijpen. Reden genoeg om de ‘goeie ouwe tijd’ niet alleen te idealiseren. Op den duur zijn de mooiste objectiverende vertolkingen altijd houdbaarder dan de subjectiverende.

 

Ronald en Thibaud

Over de nagenoeg onbekende opname van Griegs pianoconcert door Arthur de Greef en Landon Ronald merkt Philip op: “De violen glijden in de eerste acht maten van het thema wel toen keer. In moderne oren klinkt dat grotesk en naargeestig.” In de jaren twintig en dertig v.e. was het portamanto een heel getolereerd stijlmiddel dat bij vele interpreten schaamteloos is terug te vinden. Ook met een zuivere intonatie werd soms onverschillig de hand gelicht. De beroemde violist Jacques Thibaud grossierde erin, maar tijdens optredens kon het ook later in de jaren vijftig tot zeventig nog bij groten als Yehudi Menuhin en de primarius van het Amadeus kwartet, Norbert Brainin, gebeuren. In dergelijke gevallen was het maar goed dat dit bij studio-opnamen kon worden voorkomen. Op zijn best was Thibaud doorgaans in zijn triowerk, samen met Pablo Casals en Alfred Cortot.

 Grieg: Pianoconcert. Arthur de Greef met het Royal Albert Hall orkest o.l.v. Landon Ronald. Pearl GEM 080 (1927).The Thibaud-Casals-Cortot triorecordings. Naxos 8.110188 en 8.110195.Jacques Thibaud in memoriam. Tahra TAH 499/500. Stravinsky’s Sacre als eenheidsworst

Natuurlijk is in de orkestwereld sprake van – wat Bernard Haitink noemde – het ontstaan van unieseks. Maar dat in nieuwere opnamen ondanks verschillen in muzikale opvatting, zaal- of studio akoestiek en microfoonopstellingen geen verschil meer te horen zou zijn tussen de opnamen van het Weens filharmonisch- en een willekeurig Amerikaans orkest, is makkelijk te logenstraffen. Probeer de volgende versies maar naast elkaar met het andere genoemde vergelijkingsmateriaal:

 Philharmonia orkest o.l.v. Igor Markevitch. Testament SBT 1076 (1959).Concertgebouworkest o.l.v. Colin Davis. Philips 416.498-2, 464.744-2 (2 cd’s) (1976).Detroit symfonie orkest o.l.v. Antal Dorati. Decca 448.226-2 (1981).

Berlijns filharmonisch orkest o.l.v. Bernard Haitink. Philips 446.698-2 (1995).

Kirov orkest o.l.v. Valery Gergiev. Philips 468.035-2 (2001).USSR Staatsorkest o.l.v. Jevgeny Svetlanov. Scribendum SC 030, CDK Music MOS 20018 (1983).

Weens filharmonisch orkest o.l.v. Lorin Maazel. Decca 461.404-2 (1975).

Cleveland orkest o.l.v. Pierre Boulez. Sony SMK 64109 (1969).Cleveland orkest o.l.v. Pierre Boulez. DG 435.769-2 (1991).Cleveland orkest o.l.v. Riccardo Chailly. Decca 417.325-2 (1987).Philadelphia orkest o.l.v. Riccardo Muti. EMI 574.742-2 (1978).

Birmingham symfonie orkest o.l.v. Simon Rattle. EMI 749.636-2 (1989).

Suisse romande orkest o.l.v. Neeme Järvi. Chandos CHAN 9408 (1994). 

Onderlinge verschillen genoeg tussen glans en pracht van de strijkers en de diverse klankkleuren van de blazers, maar moeten die verschillen nog groter zijn?

Niettemin heeft Philip zeker gelijk dat de globalisering, de uitwisseling van musici uit diverse scholen en met verschillende achtergronden – eerst logisch de Duitser Soleer, daarna de Ier Always en nu de Zwitser Pahud als eerste fluitist in het Berlijns filharmonisch, de Rus Ogrintschuk aan de eerste hobolessenaar in Rotterdam, daarna in Amsterdam als slechts twee voorbeelden uit vele – tot meer en meer gelijkschakelende uniformiteit leidt. Dat kan men betreuren, maar nogmaals, het is niet tegen te houden.

Alleen bij Russische orkesten heeft die trend nog weinig invloed en ook de Weners met hun specifieke blaasinstrumenten nemen nog een aparte plaats in. Franse orkesten behielden ook lang iets specifieks slanks. Maar waardoor is die unieseks nog meer tot stand gekomen, afgezien van het feit dat nu ook in Duitsland en Oostenrijk het aandeel voortreffelijke damesmusici gelukkig snel toeneemt. Sommige orkesten zie je binnen korte tijd ‘feminiseren’, een positieve ontwikkeling die bij alle zorg ook wel eens mag worden geprezen.

 Veel positieve ontwikkelingen

De internationale competitie en de muziekindustrie hebben er beslist voor gezorgd dat het uitvoeringspeil is verhoogd. Dat is door de vaak verre van ideale oude opnamen heen redelijk te horen. Het is jammer dat Philip zich zo concentreert op een vermeende afname van muzikale individualiteit en de invloed van de muziekindustrie die een ongewenst perfectionisme zou hebben bewerkstelligd met zijn minutieus tot stand gebrachte, tijdrovende, kostbare studio-opnamen.

Van een muziekopname verwacht men om te beginnen elementaire zaken als een zuivere intonatie, goede inzetten, alle noten van een akkoord keurig vertikaal onder elkaar, synchrone pianohanden, een juiste balans. Kwesties waarover men tijdens een concert nog tolerant kan zijn, maar die bij herhaling op cd of dvd al gauw irritatie wekken. Het hoeft ook zeker niet tot braaf, ongeïnspireerd ‘spelen op safe’ te leiden zoals de praktijk aantoont.

Intussen worden ook weer meer en meer ‘live’ opnamen gemaakt en blijkt de studio als perfectioneringsplek steeds overbodiger. Waarom zou dat een negatief aspect zijn? Natuurlijk dient het ook vooral om kosten te sparen, maar dat tijdens zaalregistraties meestal een zo hoge mate aan verlangde volmaaktheid wordt bereikt en dat dit vaak met een dosis extra spanning en musiceervreugde wordt bereikt, is alleen maar een blijk van positieve perfectie.

Het illustreert meteen, hoezeer huidige musici waarschijnlijk beter op het bereiken van snelle, mooie resultaten zijn voorbereid dan vroegere. Ze zijn vaak veelzijdiger, technisch beter en vaak ook specialistischer, snel in het overschakelen tussen verschillende stijlen. Dat begint bij een goede scholing.

Philip veroordeelt ‘het hoppen tussen en shoppen bij leraren overal ter wereld’. Maar is daar echt zoveel op tegen in een gemondialiseerde muziekwereld? Nu de BaMa (bachelor/master) structuur eenmaal Europees heeft vorm gekregen en effectief is, lijkt me niets fijner dan na het halen van het bachelor examen (vroeger ‘lesdiploma’ of ‘eerste fase’) eens met een beurs een of twee jaar in het buitenland te kunnen studeren. Het moet blikverruimend en klankdifferentiërend werken. Dat begint trouwens al op nationaal niveau.

 

Jeunesses musicales als broedplaats voor nieuwe musici

 Met als doel ‘De bevordering van de kennis van en de waardering voor goede muziek’, een Belgisch initiatief uit 1940 van Marcel Cuvelier, werden de Jeunesses musicales in de van idealen bezielde periode na W.O. II een hechte federatieve organisatie met inbreng van tientallen landen. Geleidelijk kwam de nadruk meer en meer te liggen op het stimuleren van de eigen muzikale activiteiten door het inrichten van zomercursussen in zogenaamde muziekkampen en de vorming van jeugdorkesten, waaruit dan weer een internationaal Jeunesse-musicalesorkest werd samengesteld met jaarlijkse of tweejaarlijkse orkestseries.

Zelf herinner ik me in dit kader uit de jaren rond 1950 mijn eerste exclusieve muziekreizen naar Genève, waar ik Ernest Ansermet hoorde met Stravinsky’s L’histoire du soldat en Igor Markevitch met een verpletterende Sacre en naar München met o.a. het Baryllikwartet en Karl Richters Bachorkest. Met mijn bescheiden hobo kwam ik daar als muziekstudent nauwelijks aan te pas.

De Nederlandse tak heette Jeugd en muziek en vormde de uitvalsbasis voor het Nationaal Jeugdorkest dat gelukkig wel kansen bood om na kwalificatie mee te doen. Dat Nationaal Jeugdorkest, zich lang manifesterend met twee orkestperiodes en tourneetjes in de zomer- en de Kerstvakantie is van een lokale aangelegenheid. Sinds enige jaren is ook daar geïnternationaliseerd dankzij de uitgebreide zomerse Academies met uitnodigingen voor buitenlandse muziekstudenten, met ‘composer’s in residence’ afsplitsingen voor ‘oude’ en ‘eigentijdse’ muziek, wisselende, gespecialiseerde gastdirigenten en opdeling in kamermuziekensembles. Een prachtige ontwikkeling! Een parallel vormt, puttend uit een groot aanbod aan enthousiastelingen, het Jeugdorkest Nederland dat zeker niet de mindere is.

Een niveau hoger zijn er dan bijvoorbeeld het Jeugdorkest van de Europese Unie met een jaarlijkse zomertournee en het (Gustav) Mahler jeugdorkest. In 2006 meldden zich zo’n vierduizend jongelui voor het EU orkest. Daarvan bleven er na strenge selectie 140 over, waaronder 13 Nederlanders.

Ruim vijftig jaar geleden toen ik aan een provinciaal conservatorium studeerde, kon je daar niet eens van dromen. Een behoorlijke orkestklas kon niet worden geformeerd, uitwisseling met andere gelijksoortige instituten was er nauwelijks en met buitenlandse geheel niet; die waren quasi onbereikbaar. Ook van een Mahlersymfonie kon je niet dromen: die componist werd pas later in de jaren zestig herontdekt, maar door een paar generaties jongere – en waarschijnlijk technisch en stilistisch veel beter geschoolde - studenten in gezamenlijke orkestprojecten van het Amsterdams- en Koninklijk Conservatorium in de jaren tachtig wel gespeeld en lang niet mis.

 

Niet louter kommer en kwel

Op doen en vooral laten van de muziekindustrie is veel aan te merken, maar met die ‘moordende greep op het muziekleven’ loopt het nogal los. De tijd van (vaak levenslange) exclusieve contracten is al lang voorbij, net als de periode waarin platenmaatschappijen door bindende afspraken met dirigenten en solisten over te realiseren opnamen seizoensprogramma’s van grote orkesten konden beïnvloeden. Het multimediale machtimperium van Karajan dat zich tot verfilmingen door Unitel uitstrekte, is reeds lang geslecht. Zijn Berlijnse musici profiteerden daar trouwens dankbaar ook van.

Het zijn niet langer alleen de eerbiedwaardige oude Europese en een paar Amerikaanse orkesten die letterlijk en figuurlijk de toon aangeven, het niveau bepalen. Er zijn ook goede, gespecialiseerde ensembles in oude èn nieuwe muziek bijgekomen. Beroemde oude dirigenten als de romantische Furtwängler, de humane Walter, de inderdaad perfectionistische drilmeesters Szell, Reiner en Dorati, de precieuze Ansermet, de effectieve minimalist Reiner, de milde Monteux, de democratische Van Beinum, de nerveuze Böhm, de grillige Beecham, de zwierige Munch, de eigengereide Celibidache, de romantische Barbirolli, de felle Solti, de democratische Van Beinum, de granieten Klemperer en Mravinsky, de sympathieke Kubelik, de veelzijdige Levine, de imperatieve Karajan, de emotionele Bernstein, de minzaam-felle Giulini, de veeleisende Abbado, de begripvolle Haitink, het buitenbeentje C. Kleiber en vele anderen afgelost door minstens zulke competente anderen als de vernieuwer Harnoncourt, de veelzijdige Rattle, de romanticus Thielemann, de zoekende Herreweghe, de meestal raak tastende Jansons, de temperamentvolle Chailly, de nog altijd actieve Boulez, de meer dan competente Finnen Saraste, Oramo en Salonen, de fascinerende Gergiev, de opvallende Gatti, de interessante dame Alsop en de veelbelovende Harding, Dudamel, Jurowski, Volkov en Gilbert.

De recente, grote opkomst van geweldige, jonge strijkkwartetten belichtte ik in een ander artikel. Er is meer hoogwaardig talent dan ooit.

 Opvallend veel aanstormend pianotalent

Neem de pianosector. Daar is allerminst gebrek aan nieuw talent op het hoogste internationaal niveau en aan boeiende persoonlijkheden na Lipatti, Gieseking, Casadesus, Cortot, Haskil, Rubinstein, Horowitz, Bolet, Arrau, Cziffra, Michelangeli en zovele anderen.

Tot de momenteel grote bekenden behoren (in alfabetische volgorde) Pierre-Laurent Aimard, Piotr Anderszewski, Leif Ove Andsnes, Martha Argerich, Vladimir Ashkenazy, Emanuel Ax, Daniel Barenboim, Boris Berezovsky, Ronald Brautigam, Alfred Brendel, Aldo Ciccolini, Nikolai Demidenko, Peter Donohoe, Nelson Freire, Andrei Gavrilov, Bernd Glemser, Hélène Grimaud, Marc-André Hamelin, Angela Hewitt, Stephen Hough, Freddy Kempf, Stephen Kovacevic, Piers Lane, Lang Lang, Elisabeth Leonskaya, Yundi Li, Nikolai Lugansky, Rudu Lupu, Geoffrey Douglas Madge, Olli Mustonen, Gerhard Oppitz, Cristina Ortiz, Murray Perahia, Maria Joao Pires, Alain Planès, Mikhail Plenev Ivo Pogorelich, Maurizio Pollini, Roland Pöntinen, Pascal Rogé, András Schiff, Kathryn Stott, Jean-Yves Thibaudet, Sergio Tiempo, Stefan Vladar, Lars Vogt, Arcadi Volodos, Krystian Zimerman.

Maar haast interessanter is onderstaand lijstje met cd debutanten uit het afgelopen driekwart jaar, ook weer in alfabetische volgorde:

Pascal Amoyel, Nicholas Angelich, Bernard d’Ascoli, Saleem Abboud Ashkar, Iddo Bar-Shai, Jean-Efflam Bavouzet, Markus Becker, Christina Bjørkøe, Rafal Blechacz, Luisa Borac, Jevgeny Bozhanov, Bertrand Chamayou,Sa Chen, Gábor Csalog, Leslie De’Ath, Walter Delahunt, Panayiotis Demopoulos, Mirabela Dina, Severin von Eckardstein, Ingrid Fliter, Alexander Gavrylyuk, Jonathan Gilad, Boris Giltburg, Markus Groh, Claire-Marie le Guay, Andreas Häfliger, Christopher Hinterhuber, Ilja Itin, Martine Joste, Yakov Kasman, Olga Kern, Alexander Kobrin, Katarina Krpan, Sverre Larsen, Francisco Libetta, David Lively, Petronel Malan, Alan Marks, Oleg Marshev, Denis Matsuev, Alexander Melnikov, Gabriela Montero, Libor Novacek, Noriko Ogawa, Lucy Parham, Jonathan Plowright, Martin Roscoe, Evgenia Rubinova, Lise de la Salle, Fazil Say, Ragna Schirmer, Herbert Schuch, Craig Sheppard, Francesco Tristano Schlimé, Fumiko Shiraga, Evgeny Soifertis, David Stanhope, Pavel Stĕpán, Roland Stephenson, Jevgeny Sudbin, Mark Swartzentruber, Alexandre Tharaud, Valerie Tryon, Ayuko Uehara, Fredrik Ullén, Andrei Vieru, Ashley Wass, Joyce Yang.

 En dan de violisten

Ook voor violisten en andere instrumentalisten kunnen dergelijke lijstjes worden gemaakt. Bij hen ben ik minder grondig te werk gegaan. Daar valt al jaren de opkomst van meer en meer dames op met de ‘eigen’ Janine Jansen als sprekend voorbeeld. Maar andere voorbeelden te over: Hilary Hahn, Isabelle Faust, Julia Fischer, Leila Josefowicz, Sarah Chang. Akiko Suwanai, Lisa Batashvili, Baiba Skribe, Rachel Podger, Midori Seiler, Nicola Benedetti, Tasmin Little, Lisa Ferschtman, Hélène Schmitt, Susanne Stanzeleit  Susanna-Yoko Henkel, Karen Gomyo en Chloë Hanslip.

Ook de jonge mannen laten zich niet onbetuigd met Renaud Capuçon, James Ehnes, Philippe Graffin, Daniel Hope, Géza Hoszu-Legocky, Benjamin Schmid en  Nikolai Znaider. Het zijn zomaar wat namen die in de herinnering springen, het gaat ongetwijfeld om veel meer.

 

Crises in soorten en gradaties

De voorbije tien, vijftien jaar wordt ad nauseam door experts en wetenschappers verkondigd dat de klassieke muziek stervende is. Norman Lebrecht is in zijn geschriften een van die doemdenkers. Sommige van zijn complottheorieën zijn bewaarheid, maar in het algemeen is hij veel te somber.

Sombere voorspellingen tegen een achtergrond van andere apocalyptische bedreigingen zoals de instortende wereldeconomie, dreigend terrorisme, aids, grootschalige natuurrampen, oorlogen en griezelige dierziektes lijken wel plausibel. Pessimistische commentatoren op het gebied van de klassieke muziek veronderstellen dan dat deze binnenkort geheel zal verdwijnen in een afgrond van Wagneriaanse proporties. Terecht?

Gelukkig is de uitvoering van en de liefde voor klassieke muziek helemaal niet stervende. Beide nemen – zoals deels uit het bovenstaande blijkt – wereldwijd alleen maar toe. Maar dat hele complex is wel aan veranderingen onderhevig en die zijn niet louter positief van aard.

Negatief is bijvoorbeeld dat zeker in ons land niet systematisch en grondig vanaf basisschool niveau een nieuw publiek wordt klaargestoomd tengevolge van vrijwel non-existent behoorlijk muziekonderwijs. De toekomst van de Westerse muziek zal vermoedelijk een drastische nieuwe geografische koers richting Azië inslaan naar de wereld waar deze wèl wordt onderwezen, fanatiek wordt beoefend, gepropageerd en geconsumeerd. Met China en Zuid Korea voorop.

China zal binnenkort de grootste afnemer zijn van klassieke muziek. Er is al een generatie van uitstekende Chinese uitvoerende musici en die groeit exponentieel. Dit is een interessante parallel met de grote belangstelling die aan het begin van de twintigste eeuw in de V.S. werd getoond toen dat land ook een spectaculaire economische groei doormaakte.

Maar die parallel eindigt daar niet. Nergens ter wereld worden momenteel zulke prestigieuze concertzalen en operagebouwen geconstrueerd als in China. Het is ook bepaald geen toeval dat langzamerhand veertig tot zeventig procent van de muziek vakstudenten in de V.S. en Europa uit China, Taiwan en Z. Korea komen. Alleen al DG heeft de Chinese pianisten Yundi Li en Lang Lang plus de cellist Jian Wang geëngageerd en voor Naxos maakte Hong-Mei Xiao mooie opnamen van Bartóks werken voor altviool. Tijdens het Moskouse Tschaikovsky concours in 2002 won de Chinees Chen Xi de zilveren medaille.

De stroom hooggekwalificeerde Zuid Koreanen is na de komst van de familie Chung allerminst opgedroogd, de dito Japanners na Ozawa en Uchida evenmin.

De rol van de muziekindustrie is ook danig veranderd. De rol van een aantal vroegere groten is kleiner geworden, ze zijn opgenomen in grote nonmuzikale multinationals als Universal, Bertelsmann en Warner die er ook geen raad mee weten en ze liquideren of kortwieken. Dat was het lot van Telefunken, Erato, Nonesuch, Philips, Argo, Oiseau Lyre, Mercury, Ariola/Eurodisc, Bärenreiter en menig kleiner label. Onder de verstikkende Universal paraplu brengt Decca vooral nog heruitgaven uit; aan nieuwe initiatieven ontbreekt het, van de grote(ren) floreren alleen EMI, Harmonia Mundi en DG/Archiv nog. Het zieltogende RCA en Sony (dat het prachtige CBS bestand verwaarloosde en in de vernieling hielp) spelen geen rol van betekenis meer.

Bij gebrek aan verlengde of nieuwe contracten geven steeds meer orkesten – San Francisco, New York, Londen, Amsterdam – opnamen in eigen beheer uit. Veel instrumentalisten en zangers zijn mediaal beschouwd na jaren dakloos geworden bij hun vrogere vertrouwde opgeheven opdrachtgever en zoeken een goed heenkomen. Harnoncourt zwierf na Teldec naar RCA en Harmonia Mundi, Grimaud kwam van Erato naar DG, Hahn van Sony naar DG, Koopman begon voor zichzelf om slechts een paar voorbeelden te geven.

Daarentegen gaat het flexibele, kleine nieuwkomers onder de labels met geringe overheadkosten gelukkig goed blijkbaar. Een mooi voorbeeld hiervan vormt het nieuwe Onyx dat onderdak verleent aan violiste Viktoria Mullova met vioolconcerten van Vivaldi en haar eigen ensemble in Schuberts Octet, aan Bashmet met zijn Moskouse solisten in werken van Sjostakovitsj, Sviridov en Weinberg, het Nash ensemble met Turnage’s This silence, pianist Pascal Rogé met partners in pianotrio’s van Fauré en Ravel en aan sopraan Christine Schäfer met pianist Schneider in Schuberts Winterreise. Ook regelde Onyx het cd debuut van Christianne Stotijn.

Onlangs stopte Warner abrupt geheel met de cd productie. Een indicatie van een trend die zich steeds nadrukkelijker zal doorzetten. Veel cd labels zullen als zodanig ophouden te bestaan. Sommige zullen zich geheel toeleggen op het verspreiden van muziek via internet, andere zullen worden omgevormd tot managers van de muzikale portefeuilles van hun klanten, de musici. Net als een effectenmakelaar beheren en verhandelen zij het materiaal met waarschijnlijk gedeelde risico’s.

Via internet belandt de muziek in kwalitatief sterk gereduceerde kwaliteit op iPod en/of MP-3 apparatuur (zie mijn artikel ‘Op weg naar muzikale homeopathie’). Los van die povere kwaliteit via een stel zielige oortelefoontjes: ik moet er niet aan denken om de complete lied- of strijkkwartet literatuur te moeten downloaden en programmeren op een 60GB harde schijf, die goed is voor ‘150.000 songs’ in Applespeak. Wat tijdrovend en wat een ramp als het fout gaat en al helemaal als het zoekraakt en je opnieuw moet beginnen. Waren elpees ooit verzamelobjecten met vaak fraai geïllustreerde boekwerken en cd’s fijne hebbedingetjes, datasticks en harde schijven zijn dan misschien wel praktisch, maar ook o zo prozaïsch.

Het echt bedenkelijke van deze ontwikkeling is echter dat nu hele generaties opgroeien die nog nooit een viool, hobo of concertvleugel in het echt en zelfs niet onverdund op cd hebben gehoord.

Dit alles als vluchtige hak op de tak persoonlijke stream of conciousness naar aanleiding van een boekbespreking van Mischa Spel in NRC/Handelsblad.