Mini Vergelijkingen

POULENC: GLORIA, STABAT MATER

POULENC: GLORIA EN STABAT MATER 

Poulenc is een lastig te classificeren componist en de Gallische bekoring van zijn muziek gaat hand in hand met een diep, zij het onorthodox religieus gevoel en incidenteel wat melancholie. Zijn waardering voor de lichte muziek en voor haast tegengestelde klassieke figuren als Schubert en middenperiode Stravinsky wordt weerspiegeld in de melodische rijkdom en de ritmische veerkracht van zijn muziek. Daardoor klinkt bijvoorbeeld een deel als het “Laudamus te” uit zijn Gloria aanvankelijk of Stravinsky’s Symphonie de psaumes is herschreven door een twintigste eeuwse Offenbach, terwijl de sopraansolo die daarop volgt, “Dominus Deus” de romantische vurigheid van Franck bezit. Maar net als Stravinsky maakte Poulenc zich alles wat hij leende geheel eigen.

“Ik geloof dat ik de beste en meest authentieke kant van mezelf in mijn koormuziek heb gelegd en ik meen dat ik op dat gebied echt iets nieuws heb bijgedragen”, zei de componist zelf aan het eind van zijn loopbaan. In elk geval tonen zijn geestelijke koorwerken een emotioneler kant van zijn persoonlijkheid dan zijn wereldlijke muziek, hoewel hij op zichzelf nauwelijks onderscheid maakte tussen wat geschikt leek voor geestelijke en wereldse teksten. Als de woorden dat vergen, kan Poulencs religieuze koormuziek even warm en menselijk zijn als zijn wereldse liederen. Na dit te hebben vastgesteld, moet meteen ook worden gezegd dat hij vaak een voorkeur toonde voor sombere teksten, met name in zijn Litanies à la vièrge noire voor vrouwenkoor en orgel. Ook in het Stabat Mater uit 1950 voor sopraan, dubbelkoor en orkest wordt een duistere sfeer opgeroepen door een soort barokke plechtigheid waarin veel unisono zang en herhalingen een voorname rol spelen. Er schuilen zelfs echo’s van Mozarts Requiem in het geanimeerde Cujus animam gementem, maar het eclecticisme van het Stabat Mater komt minder sterk naar voren als in menig ander werk van Poulenc omdat de getoonde emotie zo’n oprechte indruk maakt. Dit is duidelijk hèt meesterwerk onder zijn koorwerken, hoewel het voor dezelfde krachten geschreven Gloria uit 1959 vaak hoger wordt aangeslagen. Vanaf het prachtig ceremoniële begin ademt dit werk vertrouwen en energie plus een paar terugblikken naar de Poulenc uit de jaren twintig. Tussen de beide teerste momenten – beide voor sopraansolo – bevinden zich wat  ondeugend zorgeloze orkestpassages die sommigen tijdens de première euvel duidden.

Er verschenen heel wat opnamen van de logische en aantrekkelijke koppeling Gloria en Stabat mater. Twee heel verschillende composities. Het Stabat mater is een ontroerend, goeddeels a cappella commentaar op de Passie; het Gloria een levendige lofhymne met een groter aandeel voor het orkest.

Voor de bewuste combinatie zijn het met name de opnamen van Tortelier (Chandos CHAN 9341), Hickox (Virgin 759.286-2) en Dutoit (Decca 448.139-2) – in deze voorkeursvolgorde omdat bij Hickox het derde deel uit het Gloria kwalitatief minder is en bij Dutoit de intonatie van het koor in het Stabat mater niet optimaal is - die de aandacht vragen. Maar bij Tortelier is het orkestaandeel het stralendst, de zang het verfijndst en Janice Watson blinkt uit in haar doorleefde, gepassioneerde soli.

Voor het Gloria in andere koppelingen komen López-Cobos (Decca 448.711-2), Bernstein (Sony 47569) en Rutter (Collins COLCD 108) in aanmerking en voor het Stabat mater Baudo (Harmonia Mundi HM 905149).