BACH: DE 6 BRANDENBURGSE CONCERTEN

BACH: DE 6 BRANDENBURGSE CONCERTEN

 

Sinds de val van de Berlijnse muur is de Brandenburger Tor een begrip geworden. Voor muziekliefhebbers waren Bachs Brandenburgse concerten dat al veel langer. Deze in 1721 op verzoek van de markgraaf van Brandenburg – vandaar de naam - geschreven werken gelden met hun wisselende bezettingen nog steeds als een hoogtepunt uit de barokke orkestliteratuur. De markgraaf had Bach twee jaar eerder gehoord en was kennelijk zo onder de indruk dat hij meer wenste. Of die markgraaf ze echt ooit te horen kreeg, is in het ongewisse gebleven. Het derde en zesde concert zijn louter voor strijkers, de andere vier vragen wisselende bezettingen. Op het eerste en vermoedelijk derde concert na ontstond deze muziek in Cöthen voor het hoforkest aldaar met zijn specifieke instrumenten.

 

 

Niet vergeten mag worden dat de vele deeltjes grotendeels aan andere, ongeveer gelijktijdig of eerder ontstane werken zijn ontleend. Maar ze hebben gemeenschappelijk de bedoeling om het potentieel van de concertvorm te demonstreren. Vanaf het kleurige en stralende 1e tot het intieme 6e concert ontwikkelt Bach zijn thematische materiaal veel complexer en uitgebreider dan waartoe Vivaldi ooit in staat was. Ook slaat hij nieuwe wegen in bij de ontwikkeling van de relatie tussen solist(en) en orkest. De belangrijke rol van het klavecimbel in het 5e concert lijkt al vooruit te lopen op de pianoconcerten van Mozart. De muziek zelf is kortom enorm gevarieerd aan vormen en kleuren.

 

 

Aanvankelijk sinds Münchinger (Decca) begin jaren vijftig vorige eeuw steeds met moderne instrumenten vrij traditioneel vertolkt (tot Klemperer EMI 764.150-2 rond 1958 en Karajan, DG 415.374-2 nog in 1978! aan toe) zijn ze een steeds groter aantrekkingskracht gaan uitoefenen op voor de barok toegeruste speciale ensembles. Voorbij zijn de tijden dat ze filharmonisch werden opgetooid.

 

 

Voor de meer historisch verantwoorde lezingen moeten we vooral naar het vlotte, lichtvoetige The English Consort onder Pinnock (Archiv 423.492-2), naar Musica antiqua Keulen, vooral snel en nadrukkelijk (Archiv 423.116-2), de zwierige Alessandrini (Naïve OP 30412), de uitbundige Koopman (Erato 0630-13733-2), de op en top italianesque Antonini (Warner 2564-61773-2) en de meer ontspannen te werk gaande Pickett (Oiseau Lyre 440.675-2). Maar dan is daar ook nog Harnoncourt, die in de loop der tijd twee opnamen van het zestal werken maakte; de eerste keer lukte speeltechnisch niet alles volmaakt, de tweede keer (Teldec 0931-77611-2) klonken de instrumenten gaver en werd met meer zelfvertrouwen en autoriteit gespeeld. Het mankeert ook niet aan drama en flair. Het is daarom deze versie die de voorkeur verdient naast de nog enthousiaster, meeslepender Italiaanse aanpak van Antonini (Teldec 4509-98442-2) en de robuuste Lamon (Sony 66289).

 

 

Dat ook met een eigentijds ensemble een stijlvolle interpretatie mogelijk is, bewijst onder andere het met veel ‘pep’ spelende Chamber orchestra of Europe (DG431.660-2). Ook  Marriner (Philips 400.076/7-2) en Leppard (Philips 420.345/6-2) onderscheidden zich positief.