BACH: KUNST DER FUGE

BACH: DIE KUNST DER FUGE BWV 1080

 


Dat kunst met kunnen te maken heeft, wordt telkens weer door kenners beklemtoond. Een probleembewust instrumentaal werk van de grote Johann Sebastian Bach wijst er in zijn titel reeds op, dat muzieknoten (g)een speelgoed zijn: Die Kunst der Fuge. Hier wordt een thema voorgesteld dat moet zijn opgewassen tegen de meest gedurfde transformaties zonder daar zelf schade bij op te lopen. De afzonderlijke vormen heeft men Latijnse namen gegeven (Dux, Comes) en ook de verschillende veranderingsmogelijkheden (rectus, inversus, vergroting, verkleining) kregen bijzondere benamingen. Waar met vier thema’s tegelijk wordt gewerkt, spreekt men van een quadrupelfuga. Zoiets moest het onvoltooide – want in de laatste tripelfuga waar het B-A-C-H thema moet optreden plotseling afgebroken - compendium bekronen. Dit moest gelden als een uniek theoretisch leerstuk waarmee Bach niet de geringste twijfel wilde laten ontstaan aan zijn meesterlijke handwerkkunst.

 

Op interpretatief gebied bestaat het grote probleem niet alleen met betrekking tot de versies, maar vooral ook over de keus van het instrumentarium. Bach liet namelijk geen aanwijzingen na over de bezetting zodat arrangeurs vrij spel hebben. Wie de diverse vertolkingen nader bestudeert zal dan ook al gauw merken dat de diverse uitvoerenden vaak een heel andere uitgave gebruiken.

 

Het gaat er nu onder andere maar om wat men liever hoort: een eenzaam klavecimbel als dat van de strenge Leonhardt die no. 14 weglaat (Harmonia Mundi GD 77103), de veel plooibaarder Tureck (Sony 63231) of de een soort gulden middenweg bewandelende Gilbert (Archiv 427.673-2). Of een pianoversie als die van de spontane MacGregor (Collins 7054-2) of de robuuster, avontuurlijke Kocsis (Philips 412.729-2). Heel bijzonder ook musicoloog en pianist Rosen (Sony 63231) die zeldzaam helder het complexe contrapunt blootlegt. Maar meer nog overtuigt hij met zijn autoriteit.

 

Talrijk zijn ook de andere, zwaarder bezette instrumentale versies met blazers en strijkers, zoals die van de Amsterdamse Bachsolisten (Ottavo 48503) of Marriner (Philips 442.566-2) of de “authentieker” Goebel (Archiv 447.293-2). Een tussenvorm is dan natuurlijk het strijkkwartet, een logische keuze voor deze in wezen vierstemmige muziek, zoals het vrij kaal en streng vibratoloos spelende Juilliard kwartet (Sony 45937) het expressiever spelende Keller kwartet (ECM 457.849-2) en het een tussenweg bewandelende Emerson kwartet (DG 474.495-2) aantonen. Vooral de lyrische Kellers verdienen de aandacht vanwege de toegevoegde lyrische waarde in hun voordracht: ze herinneren aan een goed consort of viols. Wat dit laatste betreft wordt de luisteraar op zijn wenken bediend door het Engelse ensemble Fretwork (Harmonia Mundi HMU 90.7296, een sextet gambaspelers, zorgend voor heel mooie, rijke toonkleuren en een beheerste, rustgevende intensiteit in de twintig deeltjes. De in de mooie akoestiek van The Maltings gemaakte opname is ook fraai van balans, kortom: er is veel te zeggen voor een eerste plaats op de ranglijst voor deze nieuwkomer.

 

Eigenlijk in al deze gevallen wordt Bachs gedachtespel niet louter letterlijk genomen.