BARTOK: 44 DUO'S

BARTÓK: 44 DUOS VOOR 2 VIOLEN


 
Jarenlang leidden Bartók’s duo’s uit 1931 die het Sz nummer 98 in de Szöllösy biografische werkcatalogus meekregen een tamelijk Assepoesterachtig bestaan. Wat Mikrokosmos als cyclus voor de pianist betekent, zijn de duo’s in bondiger vorm voor de violist. Interessant educatief materiaal in de vorm van een reeks miniaturen was de algemene opvatting. Buiten de studie- en onderwijswereld kreeg deze muziek weinig aandacht. Gelukkig is daar verandering in gekomen omdat de dieper liggende muzikale betekenis van deze werkjes werd ingezien. We kunnen hier namelijk in een minder gebruikelijke vorm ook weer de neerslag vinden van ’s componisten verzamelen en uitgeven van Centraal Europese volksmuziek.

 

De stukjes zijn toegankelijk voor vrijwel elk technisch niveau, maar verraden hun volledige betekenis pas wanneer echt grote violisten zich erover ontfermen. Alleen voor pedagogische doeleinden stond de componist een uitvoering in chronologische volgorde voor. Voor andere doeleinden liet hij de keus open.

 

Een eerste complete, zeer waardevolle opname van dit materiaal verscheen in 1971 van Sándor Végh en Albert Lysy (Astrée E 7720). Végh kende de componist persoonlijk wat een pre kan zijn en historische betekenis aan zijn vertolking kan geven. Hij wijkt bewust van Bartóks volgorde af, zorgt zo voor een eigen soort verscheidenheid en contrast tussen het soms heel diverse idioom. Gelukkig biedt de cd altijd de mogelijkheid om moeiteloos een eigen volgorde en samenstelling te maken en heen en weer te springen in het moois dat immers grote verschillen van tempo, sfeer, dynamisch- en technisch niveau biedt. Probeer met name eens no. 43, 22 en 36 die een voorbeeld zouden kunnen zijn geweest bij het ontstaan van het vierde en vijfde strijkkwartet (de duo’s ontstonden immers tussen deze beide werken in). Lydia Mordkovitch (Carlton 30366-0004-2) speelde de duo’s in duet met zichzelf, Eugene Drucker en Philip Setzer van het Emerson kwartet (Biddulph LAW 07, LAW 020) zorgden voor een nogal strakke uitvoering waarbij de muziek nogal in een keurslijf werd gedrongen en György Pauk en Kazuki Sawa (Naxos 8.550868) zorgen voor een waardevol goedkoper alternatief.

 

Oorspronkelijk is de reeks geschreven op verzoek van een ambitieuze viooldocent die op zoek was naar wat pittigers dan de gangbare études voor studiedoeleinden en bedoeld voor uitvoering in de logische volgorde van makkelijk naar steeds moeilijker, maar de componist hechtte niet aan die chronologische volgorde en vrijwel geen interpreet houdt die nog aan. Als soms nog geen minuut durende miniatuurtjes komen tal van dansvormen, melodieën en ritmen uit de Hongaarse poesta, de Roemeense en Slowaakse heuvels, Servië, Ruthenië en Transsylvanië voorbij

 

András Keller en János Pilz, de nieuwkomers, twee Hongaren waarvan Keller primarius is van het gelijknamige kwartet, moeten net als Végh dit repertoire haast in hun genen hebben; gelukkig zijn ze ook prachtig opgenomen. Ze houden evenmin de oorspronkelijke volgorde aan en verleiden met hun heel gedifferentieerde, rijk genuanceerde, waar nodig temperamentvolle, ruige, maar elders ingetogen zangerige, echt folkloristische aanpak haast nog meer. Qua temperament, opvatting en technische realisatie lijken ze door één brein bestierd te zijn. Ook hier geen spoor van compromis of suprematie. De oplettende luisteraar zal zien dat deze cd 45 in plaats van de beloofde 44 duo’s bevat. Dat komt omdat track 35, Doedelzakken (oorspronkelijk no. 36) wordt herhaald na het 1e Slowaakse lied (oorspronkelijk no. 5) en daarmee zo een contrasterend scherzo rond een trio vormt.

 

Beluister bijvoorbeeld ter vergelijking het ‘sarlied’, ‘verdriet’, de ‘muggendans’ of het ‘Arabische lied’ in de diverse uitvoeringen om vast te stellen dat Keller en Pilz het sprekendst zijn.