BARTOK: DIVERTIMENTO

BARTÓK: DIVERTIMENTO VOOR STRIJKORKEST

 

Net als de Muziek voor strijkers, slagwerk en celesta uit 1936 en de Sonate voor 2 piano’s en slagwerk uit 1937 is Bartóks Divertimento voor strijkorkest geschreven in opdracht van de Zwitserse dirigent/mecenas Paul Sacher. Sacher stelde de componist een boerenhuisje (Bartók noemde het een ‘etnografisch object’) in Saanen ter beschikking waar hij de augustusmaand 1939 doorbracht.

 


In een verjaarsbrief aan zijn zoon van 18 augustus schreef hij dat zijn positie overeenkwam “met die van zo’n componist in loondienst uit het verleden” en dat hij sinds 1934 “vrijwel alles in opdracht schreef… Gelukkig ging alles goed en ik had het werk in 15 dagen klaar (het duurt ongeveer 25 minuten), ik kreeg het net gisteren af.”

 


Het was een vruchtbare periode voor de componist. Kort tevoren had hij zijn tweede vioolconcert voor Zoltán Szekely voltooid en na het divertimento begon hij onmiddellijk aan het 6e strijkkwartet, ook voor Szekely en zijn Hongaars kwartet. De grote bekoring schuilt in het feit, dat Bartók hier een fraaie synthese tot stand bracht tussen de barokke concerto grosso techniek, classicistische vormelementen, Roemeense en Hongaarse volkskunst en een luchtige divertimento sfeer.

 


Hoewel luchtiger van karakter vertoont het divertimento sterke relaties met vroegere werken. Het langzame deel roept in herinnering wat Jozsef Ujfalussy in zijn boek over Bartók omschrijft als de: “onderdrukte klacht van de geheimzinnige melodie” uit het langzame deel van het 2e pianoconcert uit 1931 en de gekwelde schrijfwijze middenin het werk die verwant is met De wonderbaarlijke mandarijn.

 


Het eerste deel is met enerzijds zijn kokette, opgetooide verbunkosmelodie, anderzijds met momenten van gesluierde tragiek in een gemakkelijk te volgen sonatevorm, hoewel de expositie volgens een A B A C A schema is opgezet met sologedeelten in de stijl van een concerto grosso. Maar het zwaartepunt van het werk ligt in het middendeel met zijn intense, vervoerde strijkersklanken, maar ook met zijn botsende ritmen en zijn treurmarsachtige, op duistere voorgevoelens wijzende stemming. Het is zo’n typische klaagzang zoals we die ook uit andere werken van deze componist kennen. De bravoureuze dansfinale met een ironisch bedoelde zigeunerachtige cadens voor de concertmeester (en een verrassende bijdrage van de solocello) ontkent iedere gedachte aan ingewikkeldheid en men heeft niet onmiddellijk in de gaten dat het hoofdthema een lichtelijk versluierde vorm van het openingsmotief is.

 


Van het Divertimento bestaat ruim een 35-tal opnamen, dat gezien de speelduur van het werk aan meest andere composities van Bartók als het Concert voor orkest, de Muziek voor strijkers, slagwerk en celesta, de Danssuite, de Houten Prins is gekoppeld. Maar er zijn ook koppelingen met werk van andere componisten als Janacek (Idyll), Britten (Bridgevariaties) of Wolf (Italiaanse serenade). Wat dit betreft kan de gewenste combinatie bij aanschaf van een cd de doorslag geven. Los van die overweging zijn dit de mooiste vertolkingen van het Divertimento:

 


Solti (Decca 430.352-2) met een indringend felle, vrij ruige weergave, Harnoncourt (RCA 82876-59326-2) met een volbloedige, nadrukkelijke realisatie waaraan veel Hongaarse peper en paprika is toegevoegd, Gatti (Conifer 75605-51324-2) met een integendeel veel subtieler, sfeervoller aanpak, Dorati (Mercury 434.362-2) met een perfectionistische, wat gestroomlijnde lezing, Maksymiuk (MDG 321.0180-2) met een speels muzikanteske visie en bovenal Brown (Chandos CHAN 9816) met een heel geconcentreerde, rijk gedifferentieerde, virtuoze en warmbloedige interpretatie. Zij is het tenslotte die het pleit wint. Overigens vallen Boulez (DG 445.825-2) en Ozawa (Philips 462.594-2) van wie men in deze muziek veel mocht verwachten, wat tegen; Boulez zwakt de contrasten tussen soli en tutti teveel af, Ozawa zwelgt teveel in mooidoenerij.