BEETHOVEN: DE 10 VIOOLSONATES

BEETHOVEN: DE 10 VIOOLSONATES

 

Viool en piano staan binnen de solistische standaardliteratuur bovenaan als uitverkoren instrumenten. Waar de piano ook zelfstandig kan opereren, vertoont de viool zich maar zelden zonder piano. De populairste sonates met een door de piano begeleide viool zijn ongetwijfeld van Beethoven, waarbij diens beide werken met een bijnaam – de Frühlings- en Kreutzer sonate – bovenaan staan. Dat is best terecht en gelukkig zijn ze heel verschillend van aard. Zoals zijn bijnaam aanduidt, is de Lentesonate heel luchtig; hij begint met een onvergetelijke, charmante, lyrische melodie. In dit werk komt het voor de uitvoerenden meer op een fraaie toon dan op virtuositeit aan. In de Kreutzer lijkt het daarentegen vooral om virtuositeit te gaan. Genaamd naar een belangrijke Franse violist die het werk echter nooit uitvoerde (en die na Beethoven ook Leo Tolstoi, Leos Janacek en Margriet de Moor inspireerde), werd de première verzorgd door de Afro-Engelse violist George Bridgetower. Beide partijen uit het werk zijn notoir lastig, zeker voor de pianist die met name in het eerste deel de zwaarste last te torsen krijgt. De gepassioneerde discussie en het hevige contrapunt uit dit deel waren de inspiratiebron voor bovengenoemden.

Beethoven was namelijk de eerste componist die sonates voor “Piano en ….” schreef en brak met de traditie om sonates voor “…. en piano” te schrijven en die zo de piano uit zijn ondergeschikte rol bevrijdde. Dat blijkt in de praktijk, want in zijn tien vioolsonates speelt de piano een minstens zo belangrijke rol als de viool en menige pianopartij is behoorlijk moeilijk.

In de grammofoongeschiedenis hebben zich op het gebied van de bekendste vioolsonates van Beethoven – de Kreutzer en Frühlings sonates voorop – van meet af aan bijzondere duo’s gemanifesteerd: Kreisler en Rachmaninov al in 1928. Later volgden Kreisler en Rupp (1935/6), A. Busch en Serkin, Szigeti en Bartók (1940), later in 1944 ook nog met Arrau, Thibaud en Cortot, Kulenkampff en Solti, Milstein en Balsam, Szeryng en Rubinstein, Heifetz en Bay.

Maar de eerste belangrijke opnamen van deze werken als gesloten cyclus verschenen pas in de jaren vijftig en zestig, te beginnen met Schneiderhan en Kempff (DG 463.605-2) die met hun consistentie, verfijning en helderheid de qua niveau sterk wisselende vertolkingen van Menuhin en Kentner (EMI, 1952/4) duidelijk overtroffen. Francescatti en Casadesus (Sony) vormden een prachtig team, de violist met een wat romantischer inslag, de pianist duidelijk klassieker gericht. Ook het koppel Oistrakh en Oborin (Philips 468.406-2, 1960/2) was wel boeiend en lyrisch, maar toch wat minder organisch en ook wat spanningsloos. Het duo Grumiaux/Haskil (Philips 442.625-2, 1956) vestigde daarna een eerste gouden standaard met werkelijk verheven aristocratisch, heel puur en verheven spel. Daarna duurde het tot 1975 tot de volkomen gelijkberechtigde, heel communicatieve, haast klassiek van stijl en van spontane vitaliteit vervulde verklankingen van Perlman en Ashkenazy verschenen (Decca 410.554-2, 436.893/5-2). Ook de visie van  Szeryng en Häbler (Philips 446.521-2) uit 1978 was de moeite waard. Hoogtepunt was de Frühling, maar daar stond een teleurstellende Kreutzer tegenover, vandaar dat het geheel tenslotte toch minder aantrekkelijk is.

Frappant is, dat door de jaren heen met name DG steeds met bijzondere aanbiedingen van deze tien werken kwam. Na Scheiderhan/Kempff eerst Menuhin/Kempff (DG 459.433-2, 1970), later veel opwindender en pakkender met veel individueler, spontaner, gedurfder, vuriger en frisser spel van Kremer en Argerich (DG 415.138-2, 453.804-2). Nogal een buitenbeen positie neemt het koppel Mutter/Orkis in tengevolge van de getoonde nogal eigengereide opvattingen met soms wat vreemde agogiek, accenten en tempowisselingen. Het gaat om ‘live’ registraties. Maar bijzonder en gedurfd is het wel. Hun voorbereidingen en vertolkingen zijn in reportagevorm op dvd-vdeo (DG 073-014-9, de ‘gewone’ cd’s zijn DG 459.617-2) te volgen.

Als bekroning van al het voorgaande verscheen de in de periode 1997/2002 op verschillende locaties ontstane opname van Dumay en Pires (DG 471.495-2). Dit is een fraaie illustratie van het adagium dat hoe beter de pianist is, des te fraaier de violist speelt. Dumay met een lichte, lyrische maar ook felle en zangerige toon lijkt tot het uiterste geïnspireerd door Pires, die (na de teleurstelling van haar soloplaat met pianosonates van Beethoven) weer op de haar eigen bescheiden, onopgesmukte, maar o zo verbeeldingsvolle manier de talloze stemmingswisselingen en verfijningen optimaal laat uitkomen.

Tot voorlopig slot kwam daar in 2009 de prachtige opname van de Française Isabelle Faust en de Rus Alexander Melnikov bij (Harmonia Mundi HMC 90.2025/7). Hoe beter de pianist is, des te geïnspireerder raakt de violist(e). Dat is hier duidelijk het geval. Het is goeddeels te danken aan de heel verbeeldingsvolle aanpak van Melnikov. Faust valt vooral op door haar fijnzinnige spel dat de lyriek ten goede komt. Maar ze weet ook voldoende kracht en dramatiek op te wekken.

Wie dus op zoek is naar een volledige set van deze werken kan haast niet beter doen dan uit de nieuwkomers Dumay en Faust te kiezen die in menig opzicht – ook opnametechnisch – boven de geduchte concurrentie uitsteekt. Met Perlman/Ashkenazy als beste alternatief.

In de afdeling ‘authentiek’ profileren zich vooral de vrij felle Schröder en Van Immerseel (Harmonia Mundi GD 77163) en de bedachtzamer Pasquier en Pennetier (Auvidis V 4788). Maar hun lezingen blijven ver achter bij die van de traditionelen.