BEETHOVEN: SYMFONIE NR. 7

BEETHOVEN: SYMFONIE NR. 7 

 


Als het om Beethovens 7e symfonie gaat, doet Wagners omschrijving van de ‘Apotheose van de dans’ nog steeds opgeld. Dat dit werk op een enkel motief als grondidee is gebaseerd en dat zijn constructieve moment achter zich een bacchantisch uitwaaierende prachtmuziek verbergt, heeft niemand fraaier aangetoond dan Carlos Kleiber (DG 447.400-2). Bovendien is hier sprake van een uiterst preciese articulatie.

 

Maar in dit werk uit 1812 schuilen ook herinneringen aan de verschrikkelijke omstandigheden waaronder het ontstond. De Napoleontische oorlogen hadden veel ellende gebracht, Beethovens doofheid had sterk toegenomen en om dat alles nog erger te maken: hij was verliefd op een getrouwde vrouw en zag daar dus ook de futiliteit van in. Hij schreef haar brieven die hij nooit verzond. In al die turbulentie ontstond de enorme 7e. Er was wel een grote troost: het werk behoorde tot de niet zovele financiële successen van de componist.

 

Net als de 1e en 4e symfonie begint het werk met een langzame inleiding die overgaat in en pakkend vivace. Beethoven plaatst daarin aan Siciliaanse dansmuziek ontleende ritmen tegenover een gesyncopeerd eigen thema. Het allegretto dat volgt is een vrijwel voortdurend met doem geladen episode met zijn meedogenloos herhaalde uitingen van verdriet en treurnis. Een streng presto gaat daarna vooraf aan een allegro vol manische furie. Het wordt gedomineerd door monumentaal grootse thema’s waarin pauken en hoorns het grootste aandeel hebben.

 

De in het begin genoemde vertolking van Kleiber jr. steekt met kop en schouders boven alle andere uit. Wie niettemin eens een alternatief wil proberen, kan het beste terecht bij Abbado (DG 423.364-2) en de meer naar authenticiteit strevende Gardiner (Archiv 447.063-2) en Harnoncourt (Teldec 9031-75714-2).