BERG: LULU

BERG: LULU

 

Een echte femme fatale is de Lulu die Wedekind op schrift stelde. Voor zijn tweede, onvoltooid nagelaten opera baseerde Berg zich op de tragedies Erdgeist en Die Büchse der Pandora. De bewuste schetsen zijn tijdenlang als een heilige relikwie door zijn echtgenote Hélène verborgen gehouden en alleen de beide eerste aktes werden bij de première in Zürich in 1937 opgevoerd; wat van de 3e akte uitvoerbaar was, werd als een pantomime op het toneel gebracht.

 

Veertig jaar bestond het werk in deze torsovorm. Maar toen Hélène in 1976 overleed, ondernam Friedrich Cerha een poging tot voltooiing zonder acht te slaan op de interventies die de weduwe had gesuggereerd. Die derde akte was cruciaal in Bergs plan om de opera als een soort palindroom vorm te geven, waarbij de omslag optreedt in de eerste scène uit de tweede akte, wanneer een stomme film Lulu’s arrestatie, de daarop volgende rechtszaak en gevangenschap laat zien. Pierre Boulez dirigeerde de première van deze nu complete Lulu in 1979 in Parijs.

 

Waar Richard Strauss’ Salome een uittreksel is van de fantasie van de destructieve houding van een uiterst geseksualiseerde vrouw, is Bergs Lulu eerder een complexer en menselijker uitbeelding van dat fin de siècle oerbeeld van de femme fatale. Lulu is zowel de moderne, zelfbewuste, voor zichzelf opkomende vrouw die haar seksualiteit als wapen gebruikt als het slachtoffer van haar omgeving, met uiteraard de mannen voorop die haar letterlijk objectiveren (het libretto maakt zelfs toespelingen op kindermisbruik).

 

In de laatste akte vinden we haar terug als hoer in de Londense straten waar ze het slachtoffer wordt van Jack the Ripper. Bergs flexibele twaalftoons techniek zorgt voor een muziek die zowel gespannen als lyrisch, expressionistisch als dramatisch is. De harmonieën zijn rijker dan in Wozzeck, de muzikale en dramatische vorm is ook beter te begrijpen, vooral dankzij het soort Leitmotiv dat aan Lulu is gekoppeld en dat steeds als referentiepunt fungeert.

 

Alban Berg confronteert de uitvoerenden met de vraag of de hoofdrol inderdaad als instinctieve aardgeest of meer als een faux-naif manipulator moet worden voorgedragen. Lear bij Böhm (DG 435.705-2) koos voor de laatste optie, de haast hypnotiserende Stratas, beroemd om haar weergave van neurotische heldinnen bij Boulez die dus in 1979 in het Théâtre national in Parijs die voor het eerst de aan de hand van nagelaten schetsen door Cerha voltooide uitgave gebruikte (DG 415.489-2, 463.617-2), koos voor de meer voor de hand liggende eerste. Een (klein?) bezwaar tegen deze over het geheel pakkend juiste uitvoering is wel, dat het Duits van met name Tear en Riegel te wensen overlaat. In de Kopenhaagse ‘live’ versie van Schirmer (Chandos CHAN 9540) is de Lulu van Hauman haast wat te onschuldig meisjesachtig en zingt Migenes in de onvolledige opname van Maazel (RCA 74321-057734-2) te cabaretesk. Toch maar Boulez als nummer 1 daarom.