BERLIOZ: TROYENS, LES

BERLIOZ: LES TROYENS

Berlioz’ grootse, over vijf aktes verdeelde epos over de Trojaanse oorlog ontstond in de late jaren 1850, maar was het resultaat van de obsessies die de componist al langer koesterde – letterlijk is het een van de grootste opera’s uit de geschiedenis (vier uur muziek op 4 cd’s en alleen Wagner overtrof hem in schaalgrootte) met als gevolg dat het werk nogal eens verdeeld over twee avonden wordt gegeven - is tijdens zijn leven nooit compleet opgevoerd zoals hij dat wenste.  Na vijf jaar vergeefs bij de Parijse Opéra te hebben gewacht, spitste hij het werk in tweeën en kwam het tweede deel tot opvoering in het kleinere Théâtre lyrique. Het eerste deel werd pas in 1890 voor het eerst gegeven toen het hele werk al bijkans was vergeten.

In de volledige vorm werd het stuk trouwens pas op professionele wijze voor het eerst in Covent Garden opgevoerd in 1957 onder Rafael Kubelik. Eigenlijk toen pas werden de kwaliteiten van het meesterwerk volledig onderkend. In Londen werd het vervolgens compleet en wel in de uitvoeringstraditie opgenomen dankzij de eminente pleitbezorger voor Berlioz: Colin Davis die fonografisch voor Philips zoveel bijdroeg aan de herwaardering van de componist.

Dat het complete werk niet vaak is opgenomen, is natuurlijk niet verwonderlijk. Aan de ene kant gaat het om een uiterst kostbare aangelegenheid ter wille van een onbekend en geenszins populair werk en is het lastig een goed solistenteam bij elkaar te krijgen. Aan de andere kant zal elke volgende cd producent zich bewust zijn van het feit dat het erg lastig is om die intussen ruim dertig jaar oude productie te overtreffen.

Davis eerste opname van Les Troyens dateert van een nieuwe Londense productie in 1969. Die bevestigde zowel de status van de componist als die van zijn grote pleitbezorger. Later volgden ook succesvolle opvoeringen in onder andere de Weense Staatsopera. In het kader van de herdenking van de 200e verjaardag van Berlioz’ geboorte gaat het werk in oktober 2003 onder leiding van Edo de Waart achtmaal bij de Nederlandse Opera met Yvonne Naef als Dido, Donald Kaasch als Aeneas en Petra Lang als Cassandra.

Wat Vergilius in zijn Aeneis over Troje te berichten had en Shakespeare daarover dichtte heeft in geen enkele componist zoveel losgemaakt als in Berlioz. Zelf vormde hij de Latijnse verzen tot een Frans libretto en zette het op een muziek die uitgaat van door Gluck en Meyerbeer met zijn spectaculaire grand’opéra éclat in gang gezette impulsen die tot deze extravaganza leidden. Onalledaags is alleen al de kwaliteit van de partituur wat de orkestratie betreft. Het werk zelf heeft misschien niet de helderste of overtuigendste vorm met zijn tweedeling – La prise de Troie en het aanzienlijk langere Les Troyens à Carthage – maar het cumulatieve effect van ’s componisten haast visionaire concept is hoogst indrukwekkend.

De opera begint in het door de oorlog verwoeste Troje, waar al gauw de profetes Cassandra als hoofdpersoon uit de beide beginaktes wordt geïntroduceerd. Haar rol is omgeven met de nobelste muziek uit het hele werk. Dit eerste gedeelte zit vol grandioze, met doem geladen muziek en heeft als hoogtepunten de grote aria van Cassandra, de stoet van de Hectors weduwe geworden Andromache, het binnenhalen van het Trojaanse paard, de geestscène in Aeneas’ tent en tenslotte de massamoord van Cassandra en de Trojaanse vrouwen.

Daarna schiep Berlioz een heel andere klankwereld voor de sensualiteit aan het hof van koningin Dido in Carthago waar Aeneas en zijn gezelschap heen vluchten na de zware brand in Troje. De laatste drie aktes verlopen wat trager en ademen meer weelderigheid. Na de feestelijkheden uit de 1e akte volgt het bekendste gedeelte uit de hele opera: de Royal hunt and storm die het begin vormt van een fraaie reeks zetstukken die culmineert in het grote liefdesduet van Dido en Aeneas op tekst van Shakespeare. In de laatste akte verlaat Aeneas Dido en pleegt zij zelfmoord, wat herinneringen wekt aan Gluck op zijn majestueust.

De behandeling van solisten en orkest door Berlioz is nu eens grootschalig en overdadig, dan weer intiem en lyrisch. De kracht van Cassandra’s in de wind geslagen waarschuwing en haar zelfmoord met de Trojaanse vrouwen in deel I, de lange scène die uitmondt in het prachtige liefdesduet uit deel II en Dido’s sterfscène blijven iedereen die ze ooit gezien en gehoord heeft onuitwisbaar bij.

Met name Davis’ identificatie met het melos van Berlioz’ werk is heel evident in de als gevolg van die reeks opvoeringen ontstane opname (Philips 416.432-2, 456.387-2); de dirigent vuurde zijn team met o.a. Josephine Veasey als Dido, Jon Vickers als Aeneas, de Zweedse Berit Lindholm als Cassandra (ze nam wat spijtig en met minder goed resultaat de plaats in van dè Cassandra uit die dagen: Régine Crespin) aan tot een hoge mate aan frisson die zo wezenlijk is voor het theater. Als een der weinigen is Davis zich bewust van de epische kwaliteiten van het verhaal en als geen ander weet hij de dramatische allure, de noblesse en de tragische gevolgen van het werk gestalte te geven.

Onwaarschijnlijk als het mag lijken, in 2000 overtrof Davis zichzelf nog tijdens een concertante uitvoering in de Londense Barbican Hall die op het eigen label van het Londens symfonie orkest is uitgebracht (LSO Live LSO 0010). De bewuste ‘live’ opname klinkt rijker en dynamischer dan de oudere Philipsversie en de muziek won nog aan dramatiek en vaart. De bezetting is van enigszins wisselende kwaliteit, maar waar het op de hoofdrollen aankomt, blijft weinig te wensen over. Vooral dankzij Petra Lang als Cassandra en en Ben Heppner als Aeneas. Michelle DeYoung als Dido blijft iets achter bij Josephine Veasey in Davis’ eerdere opname.

De studio opname van Charles Dutoit (Decca 443.693-2) uit 1993 heeft een paar voordelen. Om te beginnen is daar de prachtige akoestische ambiance van de St. Eustache in Montréal die het resultaat helderheid, doorzichtigheid en een natuurlijke balans verleent. Dan zijn daar voor de kleinere rollen Franstaligen, wat een pré is. Deborah Voigt is een voortreffelijke Dido, misschien niet zo dramatisch als Veasey, maar wel warmer van timbre. Gary Lakes is een in de rol van Aeneas gepokte en gemazelde tenor die subtieler te werk gaat dan een Vickers, die echter heroïscher was. In plaats van de vaak ingezette mezzo voor Dido, koos Dutoit voor de sopraan Françoise Pollet die hier inderdaad meer sensualiteit ontwikkelt dan verwacht mocht worden. Charles Dutoit is over het geheel met zijn aanpak wat grilliger en sneller dan Davis, hij is ook iets vollediger.

Troostrijke gedachte: alle drie versies zijn voortreffelijk en een miskoop is dus uitgesloten. Alle facetten grondig tegen elkaar afwegend, is de LSO versie misschien met een geringe marge het mooist, gevolgd door Decca en de oudere Philips.