Mini Vergelijkingen

BRUCKNER: SYMFONIE NR. 4

BRUCKNER: SYMFONIE NR. 4
 



Als getogen organist concipieerde Bruckner ook zijn symfonieën steeds uitgaande van de voorstelling het orgel in het orkest te handhaven. De afzonderlijke orkestgroepen, zoals bijvoorbeeld het koper, worden derhalve als registers behandeld en vrij abrupt in- en uitgeschakeld. Groot is verder het dilemma van de verschillende Fassungen – Loewe/Schalk, Haas, Nowak et al. - al hoeft dat de leek niet te bekommeren.



Als bijnaam kreeg het werk de titel De romantische die deels te herleiden is tot de mooi evocatieve hoornsolo aan het begin en de ritmisch exuberante ‘jachthoornachtige’ inbreng van de hele groep in het scherzo. De componist zelf gaf die bijnaam aan het werk en daarbij stond hem geen literair voorbeeld doch de natuur ten voorbeeld. In essentie is deze symfonie daadwerkelijk een allegorisch representatie van het Oostenrijkse landschap. Het voorbeeld volgend van Weber met zijn Freischütz laat Bruckner dus de hoorn het werk domineren; het eerste deel biedt al een stortvloed aan koperklanken, maar pas in het scherzo kan de hoorn zich echt ontplooien: een jachtscène in Ländler vorm. Diut deel introduceert ook het typische triolen ritme dat bekend werd als “Bruckner ritme”.



Er bestonden niet minder dan vier gedrukte versies van dit stuk, maar slechts drie daarvan overleven. De eerste uit 1874, een herziene uit 1878/80 en een ongeautoriseerde bastaard versie van Ferdinand Löwe uit 1878, die reeds lang is vervangen door de versie van Haas van die vorm uit 1878/80.



Van al Bruckners symfonieën heeft deze het zonnigste karakter en is deze ook het toegankelijkst.



Een goed structuurbesef is essentieel voor de goede opbouw van dit uit vier kamers bestaande bouwsel dat goed in balans moet worden gebracht. Klemperer (EMI 769.127-2) is de dirigent die het werk echt doordrongen van de structuur, helemaal uit één stuk optrok, Böhm (Decca 466.374-2, 448.098-2) daarentegen is degene die het rustieke, lyrisch-vloeiende karakter en de naïeve Oostenrijkse ziel van het werk het mooist blootlegde. Daartussenin bewegen zich een zich weer in klankweelde en schoonheid badende, tevens mooi mysterieuze Karajan (EMI 566.094-2 en DG 439.522-2, 469.265-2), een heel idiomatisch te werk gaande en de inherente noblesse onderstrepende Haitink (Philips 442.044-2), een straffe Abbado (DG 431.719-2), een heel bijzondere, grootse, maar eigenzinnig rubatorijke Wand (RCA 09026-68839-2) en de nog bijzonderder en een waar alternatief biedende Harnoncourt (Teldec 0630-17126-2).



Al naar gelang de persoonlijke opvatting zal de keus vooral tussen  Böhm, Wand, Karajan en Harnoncourt gaan.