MORAVEC, IVAN I
Uitvoerende kunstenaars

IVAN MORAVEC, TSJECHISCHE GROOTHEID

Mijn algemene kennis over de 9 november 1930 in Praag geboren Tsjechische pianist Ivan Moravec is dermate beperkt dat ik hem zo ongeveer op de spreekwoordelijke postzegel kan samenvatten. Na zijn studie in zijn geboortestad van 1946-1951 waar hij al debuteerde bij de Tsjechische omroep in 1946, bezocht hij in 1957 en 1958 de masterclasses van Arturo Benedetti Michelangeli in Arezzo.

In 1959 trad de vooral vanwege zijn Chopinvertolkingen beroemde pianist, lang gehandicapt door het IJzeren Gordijn, voor het eerst met succes in Londen op. In 1964 volgden optredens in de V.S. met het Cleveland orkest onder George Szell in New York. Verdere concertreizen voerden hem door Europa, Japan, de V.S. en Canada. In 1967 werd hij leraar aan de Muziekhogeschool in Praag.

De toelichting bij de aan hem gewijde dubbel cd in de serie Great pianists of the century rept van “Een voorwerp van bewondering door een coterie van opmerkzame critici en muziekliefhebbers deelt Moravec die op zijn beurt als voorwerp van bewondering Arturo Benedetto Michelangeli ontdekte met die grootmeester een voorliefde voor prachtige klank, een zangerige toon en een volmaakte frasering. Elk van zijn opnamen is een ding van schoonheid op zichzelf, even zeldzaam en helder als een Ming vaas”.

Die opnamen zijn overigens voor het grootste deel op de in Nederland slecht vertegenwoordigde labels Supraphon, Hännsler en Dorian, dus nooit erg bekend geworden. In ons land trok Moravec de afgelopen jaren vooral de aandacht door een verfilmd portret van een optreden met het Orkest van de XVIIIe eeuw onder Frans Brüggen, waarbij hij zich sympathiek, heel gewetensvol en ook wat lastig opstelde.

De in Dallas tot stand gekomen Dorian opname met het eerste pianoconcert van Brahms en het Schumannconcert illustreert de plus- en minkanten van ’s pianisten aard. Hij behoort duidelijk tot de meest serieuze oudere pianisten uit deze tijd en ageert persoonlijk en indringend genoeg om controversen te veroorzaken en dus bewonderd te worden door een kleine, loyale groep fans.

In dat concert van Brahms valt te discussiëren over sommige details, bijvoorbeeld waarom hij in zijn inzet zichzelf zo volledig wegcijfert of waarom de uitbarstingen in octaven verderop in het eerste deel zo tam klinken. Maar het Adagio is onvergetelijk mooi en elegisch – men ervaart de smart van Brahms bij het horen van een zelfmoordpoging van Schumann. En de finale is heel uitbundig en feestelijk.

 

Maar het concert van Schumann slaagde op alle fronten minder goed en getuigt van een te vrije expressieve opvatting die het orkest in moeilijkheden moet hebben gebracht. Bij toerbeurt overdreven en schools is het hoofdthema bij Moravec nauwelijks espressivo en zijn octaven bij 6’38’ zijn slap in de knieën, de terugkeer van het beginthema na de droom in het midden van dat deel is heel schools en de finale wordt teveel onder druk gezet en mist zo die gewenste ideale combinatie van gratie en kracht. Het is alles bijeen te weinig om echt te overtuigen