GALWAY, JAMES
Uitvoerende kunstenaars

JAMES GALWAY: COMMERCIEEL ENTERTAINER

Hij is een mixture van fantastische fluitist, handige repertoire manipulator en gewiekst zakenman. Doel van een gesprek met hem was allereerst om er achter te komen aan wat voor psychologische voorwaarden men moet voldoen om een loopbaan als de zijne tot een succes te maken en wat de voor- en nadelen van zijn artiesten bestaan zijn. Wat dat betreft vertoont James, “Jimmy” Galway overeenkomst met de gitarist John Williams. In een gesprek is Galway amusant en geestig; hij behoort tot de musici die de grenzen van hun vak overschrijden.

U begon als fluitist en bent nu entertainer.

“Ach, weet u, de meeste mensen beseffen nauwelijks dat ook Beethoven een entertainer was. Liszt was een entertainer en Mozart was de grootste van allen. Hij schreef opera’s zoals die nooit tevoren door de mensen waren gezien: Don Giovanni, de Die Zauberflöte - dat waren indertijd toch heel revolutionaire werken. Hij speelde bovendien heel wat instrumenten: viool, altviool, alle toetsinstrumenten. Een echte entertainer in de moderne betekenis van het woord.”

U speelt ‘alleen’ fluit. Maar u bent de eerste entertainer die fluit speelt.

“Well, ik denk dat er best anderen zijn die dit ook zouden willen doen. Maar hun background maakt het hen onmogelijk. Ze zijn zo opgevoed dat je Mozart alleen met een uitgestreken gezicht mag spelen. Ik heb daar een andere opvatting. Ik vind dat muziek voor alles en menselijke dimensie moet hebben. Daarom speel ik bijvoorbeeld ook liever Haydn en Brahms dan Stockhausen. Niets tegen Stockhausen. Maar dat is eerder wat voor universiteiten en professoren, die lang daarover kunnen redekavelen. ‘Maat 1….’ En aan het eind van het college: ‘Volgende keer zullen we het nader over Maat 2 hebben.’ Dat is voor de mensen die ik wil bereiken helemaal niet interessant.”

Niettemin hebben diverse componisten voor u geschreven: John Corigliano, Lennox Berkeley, Edwin Roxburgh, Thea Musgrave, Joaquin Rodrigo en John Mayer om er maar een paar te noemen.

“Het enige criterium daarvoor is dat de muziek me moet aanspreken. Muziek moet het eigendom van iedereen kunnen zijn, makkelijk in het gehoor liggen. Het gaat hier ook niet om echte avant-garde werken. Het spelen van avant-garde muziek is preken voor eigen parochie. Je vindt er nauwelijks gehoor voor en het speelt zich af in beperkte kring. De voor mij geschreven werken introduceer ik liefst op het grote podium, in Edinburgh of Luzern.”

Moeten we uw afscheid van het Berlijns filharmonisch orkest opvatten als een poging om dichter bij ‘de mensen’ te komen?

“Waarom had ik daar moeten blijven? Ik wilde mijn eigen zaken doen en regelen. Ik geef er de voorkeur aan om helemaal verantwoordelijk te zijn voor mijn eigen musiceren. Het was heerlijk bij het Berlijns filharmonisch orkest als Herbert Bruckner dirigeerde. Maar vaak was het ook minder interessant.”

Nu u zelfstandig bent, onderneemt u heel verschillende dingen. Bent u niet bang dat u als fluitist niveau verliest?

“Ik peins er niet over om mijn niveau te verlagen en er bestaat ook niet het minste gevaar om daarvoor angst te hebben. Ik heb onlangs een interessant experiment gedaan. Ik had in Israël een reeks optredens met Zubin Mehta en daarnaast wat solorecitals en filmopnamen voor vier afleveringen over de psalmen Davids. Zubin vroeg me toen of ik zin had om een keer in zijn orkest mee te spelen. De solo fluitist ging accoord en ik nam bij een uitvoering van Mahlers 5e zijn plaats in. Drie dagen later herhaalde zich dat bij Berlioz Symphonie fantastique. De meeste collega’s hadden daarvoor als idioten moeten studeren. Ik speelde onvoorbereid - en perfect.

Dat is het verschil tussen mijn standaard en die van de meeste arme kerels in het orkest. Zij moeten namelijk teveel doen om in hun levensonderhoud te voorzien, de kinderen een goede opleiding te geven enzovoorts. Dan gaan ze les geven aan een conservatorium. Maar ieder uur dat zij lesgeven, gebruik ik om te studeren. Ik oefen dagelijks alle toonladders in mineur en majeur - ik denk dat maar weinig fluitisten van naam dat ook doen.”

Waren er andere redenen om alleen verder te gaan?

“Ik wilde een heel stel composities opnieuw uitgeven en bovendien een boek over het fluitspel afmaken. Verder wilde ik een symfonie componeren waarvoor de ideeën al lang door mijn hoofd razen. Maar tot nu toe heb ik zelfs niet de tijd gevonden om notenpapier te kopen.”

Hoe verklaart u dat de fluit sinds enige tijd een echt mode-instrument is geworden, waarop jongelui graag goed willen leren spelen?

“Ja, waarom? IK geloof omdat het een heen veelzijdig en ‘makkelijk’ instrument is. Je kunt thuis en alleen spelen, maar je kunt het ook makkelijk overal naar toe meenemen. Je kunt samen musiceren met een gitaar, met piano, harp en strijkers. En wie zulks wil en kan, heeft de mogelijkheid om in een orkest te spelen.”

Maar dat geldt ook voor de hobo en de klarinet en die worden lang niet zo vaak gekozen. Is het een kwestie van repertoire?

“Natuurlijk is er een groot repertoire. Daar komt bij, dat de fluit relatief makkelijk te bespelen is.”

Werkelijk? Maar niet voor iedereen. Men moet toch over bepaalde eigenschappen beschikken. Ik ben bijvoorbeeld nauwelijks in staat om met een fluit een behoorlijke toon te produceren.

“Ja, om te beginnen moet je al aan enige fysieke voorwaarden voldoen. De spanning van de lippen is heel belangrijk, het gebit mag geen onregelmatigheden vertonen. Maar wat de vorm en de dikte van de lippen betreft, bestaan onder fluitisten even grote verschillen als bij de pianisten en de violisten. Daar heb je ook mensen met korte en lange vingers, met een smalle of een brede hand, een kleine of een grote spanwijdte.”

Vindt u dat u als fluitist voortkomt uit een bepaalde traditie en zo ja voelt u zich dan verplicht om die traditie voort te zetten en door te geven?

“Ja, hoewel ik een wat ongewone mengeling aan voorbeelden heb. Mijn eerste fluitonderwijs kreeg ik van een zangeres, Muriel Dann, Ze woont in Engeland, is vierenzeventig (we schrijven 1983). Ze speelde zelf niet erg goed fluit. Maar het was een geweldig goed mens, dat fantastisch met kinderen kom omgaan.

Toen ik op mijn vijftiende naar het Royal College of Music kwam, kon ik beter spelen dan al mijn medestudenten. Daar kwam ik bij John Francis, een Bachfanaat. Dat was voor mij nogal merkwaardig, want ik had vooral belangstelling voor de virtuoze literatuur met voor- en naslagen. Stijlbesef had ik nauwelijks. Maar hij werd nooit boos wanneer ik in plaats van de sonate in b van Bach liever de variaties over ‘Mijn  hoed die heeft drie hoeken’ speelde.

Na drie jaar kwam ik op het Guild Hall College in Londen bij Jeffrey Gilbert, de fluitist van Sir Thomas Beecham. Hij speelde heel goed in het orkest en als solist, was bovendien een ervaren pianist, die muziek had gemaakt voor heel wat stomme films. Bij hem kreeg ik de professionele background.

Volgende stap: het Parijse conservatorium. Achteraf geloof ik dat ik daar ongeveer niets heb geleerd. Mijn nieuwe leraar Crunelle zei me nooit iets. Hij las steeds de krant en maakte alleen opmerkingen over verkeerde noten. Maar wat zou dat? Zoiets weet je zelf ook, meestal al voordat je ze hebt gespeeld. Daarvoor hoef je niet naar het conservatorium. In mijn vrije tijd speelde ik in de Métro. Dat bracht wat geld op, ik had er plezier in en om te kunnen oefenen hoefde ik niet uit te kijken naar een geschikte ruimte.

De man die ons in Parijs inspireerde, was Rampal, die destijds solofluitist bij de Opéra was. Wij studeerden volgens de methode van Marcel Moyse. Die was zo klassiek dat ik me erover verbaasde dat hij nog leefde - hij woont in de V.S. en is momenteel vierennegentig jaar oud. Moyse heeft toen de deur naar de echte interpretatie voor me geopend. Hij heeft in vijf minuten meer te zeggen dan ik in vijf jaar. Nu nog is hij in staat om me tijdens een bezoek een paar dingen over muziek te vertellen en me verder te helpen. Hij heeft een reusachtige ervaring. Hij kende ook mensen als Debussy, Ravel, Saint-Saëns en Stravinsky persoonlijk. Hij speelde mee bij de premières van Daphnis et Chloé, de Vuurvogel en de Sacre. Hij is nog altijd heel geëngageerd.
Onlangs vertelde de Japanse fluitbouwer Morumatsu een veelbetekenend verhaal: hij ontving van Moyse een volledig vernield instrument met het verzoek om daar een getrouwe kopie van te maken. Morumatsu belde Moyse in de V.S. op en informeerde hoe die fluit kapot was geraakt. Toen bleek dat Moyse een leerling had gehad die zo weinig presteerde, dat hij het instrument woedend tegen de muur had gegooid.

Over Moyse gesproken: in augustus 1977 gaf hij les in de buurt van Luzern en ik wilde hem bij die gelegenheid graag ontmoeten. Onderweg ontmoette ik een tegenligger op de motor die recht op me af kwam. Ik week uit in de berm, maar dat hielp niet. Bij die aanrijding heb ik beide benen en een arm gebroken.”

Hoe staat het met zelf lesgeven?

“Vroeger was ik leraar aan de Eastman School of Music in Rochester, maar ik had geen tijd meer voor dergelijk werk. Toch heb ik best nog de behoefte om incidenteel les te geven. Ik zou bijvoorbeeld best een master class in de Londense Wigmore Hall willen geven met niet meer dan een half dozijn uitgezochte studenten.”

U  noemt een Japanse fluitbouwer. Waar koopt u uw instrumenten?

“In Engeland, de V.S. en Canada - bij bouwers die grappig genoeg bijna allemaal Cooper heten.”

Waarom speelt u uitsluitend op gouden fluiten?

“Omdat ik geen zilveren heb!”

Bestaan tussen fluiten van de hoogste kwaliteitsklasse significante verschillen?

“Als tussen aan Amati en een Stradivarius. Belangrijk is voor mij vooral om instrumenten met verschillende stemming te hebben. Als je veel reist, kom je heel wat verschillend gestemde vleugels tegen met 440, 442 en 445Hz als a. Daarvoor heb ik drie verschillende instrumenten. Je kunt namelijk een fluit slechts een of twee zwevingen hoger of lager stemmen als je niet wilt riskeren dat de intervallen onderling onzuiver worden. Dat hangt samen met de constructie van het instrument.”

Wat uw repertoire betreft, valt op dat u relatief veel arrangementen speelt.

“Weet u, voor de fluit werden helaas niet zoveel composities geschreven die echt grootse muziek zijn. Talloze baroksonates, maar veel wezenlijks is daar niet bij.”

Daarom speelt u dus de Vioolsonate van Franck of Vivaldi’s Vier Jaargetijden transcripties voor de fluit.

“….zoals er een trompet ster is die de fluitpartij uit Bachs tweede Orkestsuite speelt. Te langzaam, maar goed.”

Met uw programma’s die voornamelijk bestaan uit transcripties oogst u vrijwel evenveel waardering als kritiek.

“Ik herinner slechts aan de hoestekst van mijn plaat ‘James Galway - toverfluitist’: Omdat een groot gedeelte van het oorspronkelijke repertoire…. Vanwege zijn artistieke eenvoud nauwelijks een renaissance en conservering op de plaat rechtvaardigt, maak ik transcripties van viool-, piano- en vocale muziek’.”

En hoe staat het met bijvoorbeeld de ‘Undine’ sonate van Reinecke, die u tot nu toe niet heeft opgenomen?

“Die is al wel opgenomen, samen  met het Fluitconcert van Reinecke. Nu kunt u natuurlijk vragen: waarom niet eerst die belangrijke oorspronkelijke composities van belang en dan pas transcripties zoals de Vioolsonate van Franck of Vivaldi’s Vier jaargetijden? Dat is een kwestie van marketing. Undine is wat voor vaklui, voor insiders, César Franck is voor vaklui en een klein publiek, maar mijn platenmaatschappij RCA moedigt me aan om ook voor een groot publiek te spelen en daar doe ik van harte aan mee. Ik ben ook bezig met de Arpeggione sonate van Schubert. Dat werk heeft een omvang van drie octaven, die ik deels binnen een octaaf moet onderbrengen. Bovendien heb ik een niet alledaagse opname gemaakt van Franse fluitmuziek: concerten van Ibert en Chaminade met de oorspronkelijke orkestratie en die van Poulenc georkestreerd door Berkeley en die van Fauré door mezelf.

Overigens heb ik om het repertoire uit te breiden een reeks fluitcomposities in opdracht gegeven. Bijvoorbeeld bij de Indische componist John Mayer - zijn oerduitse naam wist erop dat zijn grootvader uit Hamburg komt en als zeeman tijdens een reis naar India daar verliefd werd op een meisje… John is een heel interessante componist. Hij heeft als violist in het Londens filharmonisch orkest gespeeld, had in de jaren zestig een jazzcombo en schreef later veel voor Emerson, Lake & Palmer. Hij heeft een razend moeilijk concert voor me geschreven.

Verder moet ik Joaquin Rodrigo noemen, de bekende Spaanse concertcomponist. En mijn Amerikaanse vriend John Corigliano heeft een concert De rattenvanger van Hameln voor me gecomponeerd. Een heel interessant stuk muziek voor fluit, kinderfluitje, kinderen en groot orkest dat vijfendertig minuten duurt.”

U staat dus niet afwijzend tegenover moderne muziek?

“Helemaal niet. Ik sta voor alles open, ook voor authentieke uitvoeringspraktijken, al doe ik daar zelf niet aan mee. Als de muziek maar melodie in zich heeft. Het dierbaarst zijn me composities die het publiek zonder problemen begrijpt. Met Boulez en Stockhausen kan ik niet uit de voeten. Weet u, computers zijn prachtig - om te rekenen. In de muziek houd ik van werken die op volksliederen of andere folklore zijn gebaseerd. Daarin komt de invloed tot uiting die de popmuziek op mijn smaak heeft gehad. Sommige van die musici schrijven werkelijk heel goede melodieën. De Beatles bijvoorbeeld of een man als Elton John, of John Denver. Van zijn melodieën wil ik een album maken.

Hobby’s? Ik luister graag naar door anderen gemaakte muziek, vooral naar Jascha Heifetz. Ook schaak ik vrij veel; onlangs heb ik nog van de computer gewonnen. Ik ga graag naar de opera. Binnenkort ben ik in Wenen en daar verheug ik me op Wozzeck en Der Rosenkavalier. Of u het gelooft of niet: ik heb deze beide opera’s nog nooit op het toneel gezien, ook die van Strauss niet. Ik ken alleen de fluitstem uit Der Rosenkavalier omdat ik daaruit die partij gereed moest hebben voor mijn proefspel bij het Berlijns filharmonisch…”

 

James Galway werd in 1939 in Belfast geboren en werd als dertigjarige solofluitist bij het Berlijns filharmonisch orkest. Tevoren had hij in verschillende Londense orkesten gespeeld, maar Karajan ontdekte hem daar en haalde hem naar Berlijn. Daarmee had hij zo ongeveer het hoogste bereikt wat een fluitist in orkestdienst kan bereiken. Of het zijn Ierse afkomst is? In elk geval kreeg Galway een dosis Ierse schalksheid mee. Hij bleef immers slechts zes jaar in zijn vaste positie in Berlijn. Hij verliet het ensemble dat voor hem nog steeds onaangevochten “het beste orkest van de wereld is (sure!)” en ging alleen verder. Ooit begon hij bij een trommelaars en pijpers corps in Belfast.

Hij is intussen niet alleen een reizende virtuoos met een volle agenda en na Jean-Pierre Rampal de populairste vertegenwoordiger van zijn instrument geworden, maar hij maakte met zijn lp Songs for Annie ook naam in de popsector en werd voor TV kijkers over de hele wereld een bekende met het door hem gepresenteerde programma “Wereldtaal Muziek”.

Annie is Galway’s echtgenote. Zij had graag van haar fluitende ega een plaat met haar lievelingsstukken. “Omdat het een hartenwens was, hebben RCA en ik die gehonoreerd”. De bewuste plaat bevat arrangementen van folkloristische, barokke, klassieke en nieuwe muziek. Grote meesterwerken zitten daar niet tussen, eerder het soort toegiften als Debussy’s La plus que lente en Fauré’s Berceuse. Annie kan zichzelf terugvinden in John Denvers Annie’s Song, een stukje, waarmee Galway op de hitlijst doordrong.

En dan die arrangementen en transcripties. Het zijn er haast teveel om op te noemen. Van de Intocht van de koningin van Sheba uit Händels oratorium “Solomon”, Schumanns Träumerei, Kreislers Schön Rosmarin en Dvoraks Humoreske tot bravourestukken als Chopins Minutenwals, Dinicu’s Hora staccato, Rimsky-Korsakofs Vlucht van de hommel en Paganini’s Moto perpetuo.

 

(1980)