CALLAS, MARIA III
Uitvoerende kunstenaars

CALLAS, EEN TERUGBLIK

Voordat we het vergeten – en het is typisch zoiets dan makkelijk over het hoofd kan worden gezien – moet er ruimte zijn voor wat humor, wat komedie in onze herinnering aan Maria Callas. We weten dat ze niet bepaald een erg grappige dame was in haar privé-leven en dat regisseurs allerlei vreemde listen moesten bedenken om haar te laten schitteren op het toneel. Zeffirelli bijvoorbeeld overlaadde de Turk met echte juwelen zodat Callas ze met volle overtuiging kon inspecteren. 

Maar wie haar lach eenmaal in een film of video opname heeft waargenomen, vergeet die nooit meer. Rosina die haar filosofie uiteenzet in “Una voce poco fà”, Carmen de hare in de Habanera: zij schijnen van binnenuit te worden verlicht met een lach, met een plezier aan de vrouwelijke manier om macht uit te oefenen, maar ook met een genoegen aan het spelletje dat ze bekwaam en handig speelt.  Dat is de geest die ze investeert in haar opnamen van de beide Rossini opera’s Il barbiere di Siviglia en Il Turco in Italia en het is de geest van de ware komedie.

In Il barbiere toont ze het meesterschap van het uitgestreken pokerface dat niets verraadt (tot “Un biglietto? Eccola quà”) en haar “Una voce” biedt een kostelijk voorbeeld van de kunst van de ware comédienne om plotseling de lach uit te schakelen (“sono obbediente, dolce, amorosa…..ma!). Maar het is in Il Turco dat we kunnen ontdekken hoe effectief ze op dit gebied weet te ageren. Dat gebeurt zowel in de recitatieven als in de aria’s, soms zelfs nog beter in de aria’s. In het tweede tafereel geeft ze de Turk met een en al zedige bezorgdheid zijn koffie en vraagt hem of er genoeg suiker in zit: elke frase is heel klein, maar de komische charme is enorm. 

Later in de scène met Don Geronio strekt ze eerst haar klauwen uit om vervolgens met de pretentie van vrouwelijke gehoorzaamheid (“No, mia vita”) de toon aan te slaan van haar eigen tragische heldinnen, alleen om terug te keren tot haar rol als feeks, een soort dubbelsalto in een zes minuten durend duet en voortreffelijk gerealiseerd.

Niettemin herinneren we ons Callas niet primair als Rosina of Fiorella, maar in de vier tragische rollen die de hoekstenen vormden in haar loopbaan: Norma, Lucia, Violetta en Tosca. Elk van die rollen heeft ze een paar maal laten vastleggen en alle verdienen ze een plaats in het cd rek van de ware verzamelaar.  

Norma is vermoedelijk haar beste rol. Het was ook de rol waarmee ze haar eerste grote internationale succes boekte in het Teatro Colón in Buenos Aires in 1949. Ze zong in deze rol in Venetië, Rome, Palermo, Mexico City, Sao Paulo, Rio de Janeiro, Catania en voor het eerst in 1952 ook in Londen en Milaan. In 1954 betekende deze rol haar debuut in de V.S. in Chicago en twee jaar later eindelijk ook aan de Met in New York. Haar laatste vertolkingen gaf ze in 1965 in Parijs. Daarna trad ze nog maar een keer op het toneel op, als Tosca in Londen, 5 juli 1965.

Al met al zijn er negen opnamen van haar in deze opera, waarvan de beide studio versies de meeste aandacht vragen. De eerste daarvan die in 1954 ontstond heeft Ebe Stignani als Adalgisa en de mannen zijn Mario Fillippeschi en Nicola 

Rossi-Lemeni; de tweede dateert uit 1960 en is met Christa Ludwig als Adalgisa en Franco Corelli en Nicola Zaccaria. Beide zijn met het Milanese Scala ensemble, gedirigeerd door Tullio Serafin. De tweede klinkt beter opgenomen en heeft een gelijkwaardiger bezetting, maar in de eerste klinkt Callas’ stem frisser en speelt haar goede relatie van Stignani een grote rol. In hoeverre de betere geluidskwaliteit bij de keuze een rol speelt, is een kwestie van afwegingen maken.

In zijn boek The Callas Legacy (Duckworth, 1995) dat een haast onmisbare gids is bij een verkenningstocht als deze, geeft de auteur, John Ardoin, de voorkeur aan de latere uitgave (“complexer en subtieler”), maar wie fragment na fragment grondig vergelijkt zal nu eens voor de een, dan weer voor de ander kiezen. Daarbij gaat het meer om consistentie dan om kleine verschillen. Als het gaat om de expressieve kern van de uitvoering blijkt dat de stem dunner en ongelijkmatiger is geworden in de 2e versie uit 1960, maar minder erg dan mocht worden gevreesd. Er zijn ook andere factoren die de keus bepalen. De opera zelf komt in de tweede opname beter tot zijn recht en men kan beter van Callas’ inbreng genieten in een genietbaarder context.

Waar Norma de glansrol van Callas was in termen van menselijkheid en techniek, was Lucia vermoedelijk de rol waarin ze het meeste indruk maakte op het publiek. Wie haar in natura kon zien en horen in deze rol bewaart daar heel dierbare herinneringen aan. De meeste anderen moesten het doen met haar opnamen van het werk. De eerste opname diende als goede wegbereider. Dat bleek nergens duidelijker dan tijdens het gastoptreden van La Scala in Berlijn waar ze onder Karajan een heel enthousiast ontvangen presentatie gaf zoals we nu nog kunnen meebeleven via de ‘live’ opname van 29 september 1955. Alles draagt hier bij aan een uitstekend resultaat. Karajan realiseert de zeer verbeeldingsvolle kwaliteit van het orkestaandeel, di Stefano is heel geïnspireerd en krijgt een ovatie na de slotscène en Callas zingt op de toppen van haar kunnen.

Van de beide studio opnamen kan de laatste uit 1959 zo naar de reservebank. Callas’ versleten hoge noten zijn een kwelling en aan de hoge verwachtingen over de lyrische inbreng van Ferruccio Tagliavini als Edgardo wordt niet voldaan. De versie uit 1953 die ook door Serafin wordt gedirigeerd en waaraan di Stefano en Gobbi meewerken, is een stuk beter en de opname heeft niet te lijden onder de toevalligheden en risico’s van een ‘live’ situatie zoals in Berlijn. Dit is dus de veiligste keus, maar ter wille van die grootse gebeurtenis in Berlijn is die bewuste opname feitelijk onmisbaar. Ardoin zegt daarover: “Als ik slechts één complete opera opname van Callas mocht aanschaffen, dan zou dat die uit Berlijn zijn”.

Verdi’s La traviata is ook zo’n werk dat zich in principe goed leent voor een ‘live’ opname, maar er bestaat geen productie die ook maar enigszins gelijkwaardig is aan de eerder genoemde Berlijnse van Lucia di Lammermoor. EMI produceerde twee versies, de ene uit La Scala in 1955, de andere uit Lissabon in 1958. Het gemis van een Callas Traviata vormde jarenlang een echt hiaat in de catalogus van EMI (de reden daarvoor was dat Callas weliswaar een contract met EMI had maar nog verplichtingen moest waarnemen bij haar vorige Italiaanse firma, Cetra. En dat toen EMI ‘zijn’ Traviata opnam het ‘Callas team’ met Serafin, di Stefano en Gobbi werd uitgenodigd maar zonder Callas zelf die daar terecht kwaad over was). Over het geheel is de minder waarschijnlijke productie uit Lissabon het bevredigendst. De Milanese opname heeft pakkende momenten, zoals de kreet “Amami, Alfredo” uit de 2e akte waar Giulini voor het eerst echt geëngageerd lijkt te raken. Tegen alle verwachtingen in toont de dirigent n Lissabon, Franco Ghione, een sterker engagement en een grotere gevoeligheid. Callas geeft ook een ‘vollediger’ portret van de heldin, hoewel haar zang soms hachelijk is.

De bij Fonitcetra verschenen studio opname uit 1953 met Gabriele Santini als weinig inspirerende dirigent en matige andere zangers toont wel een Callas in goede vorm. Maar wanneer het om een definitieve keus gaat, komt de opname uit Lissabon als eerste uit de bus, ondanks de vocale zwakheden en de bijgeluiden van de handeling op het toneel.

Wat Tosca betreft is de keus veel makkelijker en duidelijker. Toen in 1964 de tweede opname ontstond, was Callas’ stem dermate versleten dat het geen genoegen meer is om naar haar te luisteren. De vele hoge noten klinken abominabel. Nee, het gaat duidelijk om de opname uit 1953 met gelukkig ook di Stefano en Gobbi in uitstekende vorm en een met meer élan en idiomatisch gevoel dirigerende de Sabata dan Prêtre in de versie 1964. Callas levert het portret waarin heftigheid en teerheid prachtig zijn vermengd: “Vissi d’arte” mag dan het kerenstuk zijn, de subtiele detailtekening van alles daar omheen maakt diepe indruk en garandeert een blijvende waarde.

Tot zover wat die vier belangrijke hoekpeilers betreft. Tijd om verder te kijken.

Wat Bellini betreft gaat het dan afgezien van Norma om Il pirata, I puritani en La sonnambula. Bij Puritani liggen de zaken eenvoudig en is sprake van een duidelijke keus, deels vanwege de aantrekkingskracht van het werk, deels echter ook vanwege de gloed en de schoonheid van Callas’ inbreng in 1953.

De Pirata komt uit New Yorks Carnegie Hall op het hoogtepunt van de Callasmanie in 1959 waar pakkende grootheid een kans krijgt door de rauwe of hevig flakkerende hoge noten heen te breken (en er begrijpelijk stormachtig applaus klinkt).

De Sonnambula uit 1957 bevat veel mooie momenten maar klinkt bezit niet de voor deze rol essentiële frisheid.

In het Donizetti repertoire is er bij EMI een laatkomer in de vorm van de minder bekende Poliuto, alweer een ‘live’ affaire uit La Scala. De berustende intensiteit van Callas’ solo in de tweede akte treft evenzeer als Corelli’s tour de force in de titelrol; hij is hier heel intens.

Anna Bolena werd ook op een heel memorabele avond in 1957 vastgelegd. Hier is Callas echt op haar best te horen; ze klinkt prachtig en getuigt van fijnzinnigheid. Het lijkt of haar stem hier iets van de oude glans heeft teruggewonnen.

De eerste opname in het Verdirepertoire van Callas is Macbeth; dit werk werd door EMI in Milaan opgenomen in 1952. Gelukkig pakt ook hier veel goed uit, maar niet elk hoogtepunt is even goed geslaagd. Het slaapwandel tafereel lukte later beter in de studio en Enzo Mascherini is een kernachtige, maar weinig subtiele partner. Maar voor de rest is dit een gedroomde Macbeth tot in de nachtmerries toe.

Il trovatore uit 1956 is geen groot gemis op de cabaletta “Tu vedrai” en alles wat daarop volgt in de laatste akte na.

Rigoletto uit 1955 is een van de fraaiste voorbeelden van de aanpassing van de stem op de plaat want Callas was natuurlijk van nature geen echt goede Gilda.

Van de middenperiode opera’s van Verdi – La forza del destino (1954) en Un ballo in maschera (1956) - zal geen Callasfan die goed bij zijn verstand is vrijwillig afstand willen doen. Als cd nakomertje buiten EMI om is er dan nog I Vespri Siciliani als een der eerste opnamen van Callas (26 mei 1951) en in elk geval haar vroegste complete opname op cd.

Aida (1955) is een van haar beste studio opnamen met een geweldig Nijlduet met Tito Gobbi. Wie voor de onmogelijke keus zou staan om slechts één opera van Verdi te mogen meenemen naar het befaamde onbewoonde eiland zou zich moeten vastklampen aan Un ballo is maschera en terwijl hij misschien bijna verdrinkt nog een laatste blik moeten werpen op Aida.

Vervolgens Puccini. En opnieuw is er weinig dat niet de volle aandacht loont. Callas’ Manon Lescaut (1957) is een subtiele studie in hoe zich een karakter ontwikkelt van de semplicità (Puccini’s herhaalde aanwijzing) aan het begin via de geraffineerdheden uit het middengedeelte tot de wanhoop van “Sola, abbandonata”.

La bohème (1956) biedt net als Rigoletto een van die identiteitsverwisselingen. Niet alleen de stem wordt lichter gemaakt, ook in de geest wordt dit tere, kwetsbare en geëngageerde meiske Mimì fraai herschapen.

Turandot (1957) is zeker niet optimaal geslaagd want die kwistige hoge noten doen een zwaar beroep op de zangeres (en de luisteraar), maar wanneer men Callas’ interpretatie afwijst, verliest men daarmee meteen een van de meest uitgekiende, minst routineuze karakteriseringen van de hoofdrol op cd.

En Madama Butterfly (1955)? Waarschijnlijk gaat het hier om de mooiste, beste Callas opname ooit. Wat daarna volgt kan inderdaad haast alleen maar een anticlimax vormen. Het is ook een zeer gemêleerde portrettengalerij die resteert met Medea, Iphigenia, Gioconda en Carmen. En ook met I pagliacci en Cavalleria rusticana (1954 en 1953). Natuurlijk zijn hier prachtige dingen te horen – zeker totdat men weer eens luistert naar de allereerste frasen van die ongelukkige Santuzza, elk daarvan doortrokken van een specifiek aroma en de essentie van haar interpretatiekunst. Maar onmisbaar zijn deze werken niet in een verzameling van haar werk.

Ook Medea (Milaan, 1957) lijkt een essentiële rol van Callas, maar die wens gaat maar gedeeltelijk in vervulling. Eigenlijk pas in de laatste akte komen al haar krachten volledig tot uiting. Het begin van de opera klinkt nog weinig effectief en het ontbreekt aan dramatische opbouw voor Medea’s eerste optreden en Jasons gedienstige herkenningskreet (“Ah, qual voce!”).

In Iphigénie en Tauride (1957) is daarentegen de allerpakkendste opkomst van Callas te horen. De ouverture kolkt opgewonden met een haast Beethoveniaanse kracht en ineens komt daaruit de stem, diè stem naar voren. Ook verder is die opname zeer geslaagd.

Veel controversiëler is Carmen (1964). Haar opvatting gaat tegen de heersende trends in. Callas’ Carmen is een uitermate op zichzelf gericht meisje tot aan haar kleine solo voor Escamillo in het laatste tafereel. Er schuilt best charme en felheid in haar rolopvatting, maar wat vooral treft is de gereserveerdheid. Het gaat om een fascinerende opvoering en natuurlijk helpt de lage tessitura om ontsporingen in de hoge noten te voorkomen.

Blijft La gioconda.  Dat was niet een werk dat een prominente plaats innam binnen het repertoire van de zangeres. Ze zong deze rol ook voor het laatst op het toneel in 1953. Vergelijkenderwijs klinkt de Fonitcetra opname uit 1952 ook een stuk onrijper dan de EMI dito uit 1959, die echter wat haar stemmiddelen eigenlijk te laat kwam. Toch is deze rol haar op het lijf geschreven. Men voelt een persoonlijke identificatie en het werk vergt precies die eigenschappen van teerheid en overgave die Callas’ specialiteit waren. De “Suicido” aria op EMI is uiteraard een hoogtepunt. Men hoeft het geloof van de vervreemde echtgenoot niet te delen dat ze tot slot voor hem een gecodeerde boodschap achterliet met een onheilspellende zinspeling op de beginwoorden (al denken velen van ons net als bij andere griezelige mysteries natuurlijk wel dat daar wat in zit); maar het is niet denkbeeldig dat sprake is van een sterk emotioneel engagement. Met deze opvatting treedt Callas in het voetspoor van Rosa Ponselle die in een opname uit 1925 zonder dezelfde intensiteit te tonen een duidelijk voorbeeld lijkt te geven.

In termen van het vijftig jaar plaathistorie documenteren is Callas met ruim dertig memorabele complete opera opnamen een unicum, hoe men verder ook over haar denkt. Meer informatie over haar is onder meer te vinden in Spraakmakende zangers van Jan de Kruijff (Gopher, 2001). 

Discografie

De Callas discografie is – inclusief piraat opnamen – bijzonder omvangrijk. In tegenstelling tot haar rivale Renata Tebaldi, die exclusief voor Decca zong, was het typische Callas-geluid zeker in de jaren vijftig, toen ze op de toppen van haar kunnen was, maar moeilijk natuurgetrouw vast te leggen. Een geluk bij een ongeluk was wel, dat het begin van haar carrière samenviel met de komst van de mono lp en niet was overgeleverd aan 78-toeren schellak. Uit commerciële overwegingen is een aantal Callas-opnamen later synthetisch gestereofoniseerd, als regel met desastreuze gevolgen. Gelukkig werden ze later weer in de originele monovorm uitgebracht en vervolgens voor cd gedigitaliseerd. Dikwijls opnieuw slecht en scherp van klank. Bij gelegenheid van de herdenking van haar twintigste sterfdag, heeft EMI al het beschikbare materiaal gelukkig met zorg opnieuw geremasterd. 

Maria Callas had het geluk dat haar internationale loopbaan op gang kwam op het moment dat de lp zijn opmars begon. Tot laat in de jaren veertig van de vorige eeuw bestond slechts een handvol complete opnames op de plaat, simpelweg omdat het aantal daarvoor noodzakelijke 78-toeren opnamen te groot was en termen van vereiste plaatsruimte en kostprijs. Toen de lp eenmaal in zwang was, bleek het mogelijk om de meeste opera’s – behalve die van Wagner – op twee of drie platen onder te brengen. De grote firma’s uit de muziekindustrie popelden om de helderste sterren aan het opera firmament uit de naoorlogse jaren een exclusief contract aan te bieden en Walter Legge, de scherpzinnigste onder de producers, wist Callas voor EMI te engageren nadat ze een paar opnamen voor het Italiaanse label Cetra had gemaakt. Gedurende de jaren vijftig, toen ze op haar hoogtepunt was, nam Callas ieder jaar een paar opera’s op. Vaak met dezelfde partners en met Serafin als vaste dirigent. Die opnamen vormen samen met de recital platen de ruggengraat van de Callas discografie.

Terwijl ze een paar opera’s opnam die ze zelden of nooit op het toneel had gezongen, trad ze ook vaak op in operavoorstellingen die niet werden opgenomen, of die beter of tenminste totaal anders in het theater waren dan op de plaat. Legge had een nogal conservatieve smaak en hield er niet van om opera’s op te nemen die decennia lang niet waren opgevoerd. Callas was bekend om werken als Donizetti’s Anna Bolena en Poliuto  nieuw leven in te blazen. Die werken werden door de radio uitgezonden en vervolgens door ‘piraten’ op lp uitgebracht. Zelf had ze daar geen bezwaar tegen en nu zijn ook heel wat van die clandestiene opnamen op cd heruitgebracht.

De meeste opnamen van Callas waren in hun oorspronkelijke vorm van behoorlijke kwaliteit. Later volgde EMI het voorbeeld van andere firma’s en stereofoniseerde een aantal van haar oude mono opnamen, gewoonlijk was het resultaat een catastrofe. Het volgende stadium was om het materiaal opnieuw in oorspronkelijke vorm uit te brengen met als wervende verkoopstrategie “oorspronkelijk mono geluid”. Daarna werden ze gedigitaliseerd voor de cd, vaak opnieuw met onaangenaam schril geluid. Callas’ stem die groot was en die erg penetrant kon zijn, was niet eenvoudig naturel op te nemen, zoals dat wel het geval was met haar grootste rivaal, Renata Tebaldi, die voor Decca zong. Maar gelukkig heeft EMI tenslotte de hele Callas erfenis in de Abbey Road studio’s ‘geremasterd’.

Zo zijn liefst negenentwintig complete opera’s en elf recital platen heruitgebracht. Het geluid is doorgaans superieur aan wat er vroeger was. De begeleidende boekjes bevatten teksten over Callas en de bijzondere rol die ze vervulde, alles van de expert John Steane, die niet alleen veel expertise heeft, maar ook enthousiast bericht. Ook aan zeldzame en boeiende foto’s ontbreekt het niet.

Een keuze maken uit deze veelheid, is niet zo makkelijk. Maar met het pistool op de borst lijken mij de onderstaande vijfentwintig het beste en het meest representatief.

Callas in volle glorie

Bellini: Norma

Dit was de lievelingsrol van de zangeres en ze zong deze het vaakst sinds haar eerste succes hiermee in 1949 in Buenos Aires. Het was ook de moeilijkste rol die heel zware technische en emotionele eisen stelt waarvoor menig sopraan terugdeinst. Ondanks de status van het werk is het niet zo vaak opgenomen. Callas maakte er voor EMI twee opnamen van. De eerste versie uit 1954 is in mono en klinkt wat vlak, maar geeft een groot gevoel van presence toen de zangeres op de toppen van haar kunnen was, dus voordat haar hoogste register zijn hinderlijke onvastheid kreeg. De solisten klinken erg prominent, het koor had haast niet zwakker kunnen zijn, maar Callas rechtvaardigt alles, zelfs de coupures. Ebe Stignani als Adalgisa is een karakteristieke partner in de duetten tussen de zusters, maar Filippeschi klinkt teleurstellend ijl en Rossi Lemeni tamelijk grof. Callas’ stem is hier nog in een betere conditie en haar samenwerking met Stignani is treffend.

Het geheel is misschien minder subtiel maar wel zelfverzekerder dan de tweede fraaier opgenomen(stereo) en homogener bezette versie uit 1960. De intensiteit van de emoties en de volledigheid waarmee ze deze uit zijn zo treffend. In het hoog is Callas’ stem dunner, scherper en ongelijkmatiger geworden. Dat Callas in de zes tussenliggende jaren duidelijk in de rol is verder gegroeid kan (helaas) niet worden gezegd. De ondersteunende bezetting is ook heel sterk met een prachtige Adalgisa van Ludwig en een heldhaftige Corelli. Serafin is eens temeer een zeer overtuigend Bellinivertolker. 

EMI CDS 556.271-2.

Een vuurvreetster in actie

Bellini: Il pirata

Schril geluid en hinderlijke bijgeluiden uit het publiek ontnemen de glans aan deze in januari 1959 in New York gemaakte zaalopname. Hoewel de zangeres slijtageverschijnselen vertoont met rauwe, ongelijkmatige hoge noten, geeft ze een kenmerkende interpretatie: als een vuurvreetster, meteen pakkend vanaf het moment in de 1e akte waar ze ‘Sorgete’ zegt. De rest van de bezetting is matig. De tweede cd biedt een alternatieve opname van de slotscène, een half jaar later in Amsterdam vastgelegd met Rescigno die het Concertgebouworkest dirigeert. Callas is hier beter in vorm en de opname klinkt beter.

EMI 566..432-2.

Dramatische puriteinse

Bellini: I puritani 

Wie meent dat Bellini niet dramatisch is in dit werk, moet deze opname uit 1953 eens beluisteren. Haar stem was bepaald niet in topconditie, maar haar interpretatie is uniek en heel pakkend. Geen van de andere solisten is ideaal, hoewel het geheel acceptabel is. Toch is dit alles bijeen haast haar meest aanbevelenswaardige Bellini opname.

EMI 556.275-2.

Geloofwaardige slaapwandelaarster

Bellini: La sonnambula

Helaas danig gecoupeerd gaat het hier om een monoversie uit 1957, waarin Callas nog relatief uitstekend klinkt maar toch wat minder fris dan men mocht hopen. Monti zorgt voor een eerder krachtige dan subtiele bijdrage, maar mengt wel mooi met Callas in de duetten en Cossotto is een goede Teresa. De geremasterde versie is een duidelijke verbetering ten opzichte van het origineel.

EMI 556.278-2.

Zingen als een snolletje zonder de benen te showen 

Bizet: Carmen

In 1964 gemaakt is dit de voorlaatste complete opera die Callas maakte van een rol die ze nooit op het toneel zong. “Niet met deze benen”, zei ze. Het is een controversiële opname van Carmen die mannen vreet en ze vervolgens uitspuugt. Maar ze toont ook een dodelijke humor en getuigt in de ‘kaart aria’ van een sombere aanvaarding die heel effectief is. De slotscène met een door Nicolai Gedda fraai gezongen Don José doet de haren te berge reizen. Dat het geheel toch teleurstelt komt door het gebrek aan een dramatische impuls met slecht ensemble van solisten zowel als orkest. Alleen op de momenten dat de titelheldin ten tonele verschijnt, stijgt de spanning. Hoewel er zwakke schakels zijn in de bezetting is dit wel een bijzondere, best fascinerende, zij het nauwelijks aanbevelenswaardige vertolking.

EMI 556.281-2.

Als wraakzuchtige

Cherubini: Medea

Deze studio-opname uit 1957 is weer zo’n mooi voorbeeld van de vuurvretende Callas. Ze overklast elke mogelijke rivale. In de tekst zijn coupures aangebracht en de Italiaanse in plaats van de Franse versie is gebruikt. Het deert niet. Maar de hele verdere bezetting is meer dan competent; Serafin lijkt alleen wat minder geïnspireerd. Eén van de meest essentiële Callasopnamen! Callas’ versie van Beethovens scène Ah! Perfido vormt een kernachtige aanvulling, al vertoont deze late opname (1964) vocale feilen.

EMI 566.435-2.

Verbeeldingsvolle Anna

Donizetti: Anna Bolena

Een live opname uit de Scala (1957). De grote diva was toen heel fascinerend en haar zang kende nog echte schoonheid. Ondanks de incidentele zure noot moet men bewondering hebben voor haar verbeeldingsvolle frasering, de subtiliteit van haar dynamische nuances en de stevige topnoten, ook al tenderen die tot scherpte, Gavazzeni is een sympathiek begeleider, hoewel de rest van de bezetting eigenlijk geen partij is voor Callas.

EMI 566.471-2.

De waanzin ten top

Donizetti: Lucia di Lammermoor

Hier geldt driemaal is scheepsrecht want Callas nam het werk driemaal op. Eerst is daar de studio-opname uit 1953, destijds een grote ontdekking en een goede basis voor verdere ontwikkeling, daarna de geluidstechnisch enigszins gehandicapte ‘live’ opname uit Berlijn vol verbeeldingskracht met de zangeres op haar best en tenslotte nog een teleurstellende studioversie uit 1959 met een versleten hoog van de zangeres. De Berlijnse versie verdient de voorkeur want ondanks de beperkingen in de geluidskwaliteit klinkt Callas’ stem hier heel direct. Haar zang is minder staalachtig dan in de opname uit 1953 en veel standvastiger dan in ’59. Lucia was in alle opzichten een glansrol van Callas.

EMI 566.641-2.

Heldhaftige Poliuto

Donizetti: Poliuto

In 1960 keerde Callas naar de Scala terug, waar ze de beide voorgaande seizoenen had gemist. Ze had met dit werk een triomf blijkens deze ‘live’ opname waar ze volmaakt overtuigt met haar muzikale verbeeldingskracht en de intensiteit van haar communicatie. Een hoogtepunt is haar met beheerste intensiteit gezongen solo in de 2e akte. Ze maakt duidelijk waarom deze rol haar zo inspireert met haar natuurlijke ernst en afgewogen intensiteit in de langzamer gedeelten en de bijtende brille in de coloraturen. Ook Corelli schittert in de lastige titelrol.

EMI 565.448-2.

Fusie van het intieme en het heroïsche

Gluck: Iphigénie en Tauride

Deze onvermoede, in 1957 in La Scala gemaakte opname van een Beethoveniaanse kracht en uitstraling toont Callas op haar best en is een soort geheimtip in haar repertoire.

EMI 565.451-2. 

Met een vriendelijke clown

Leoncavallo: I Pagliacci en Mascagni: Cavalleria rusticana

Deze twee strijdrossen krijgen een geweldige beurt van alle betrokkenen. In Paljas zingt Callas met haar meest vertrouwde partners, de tenor Di Stefano en de bariton Gobbi; in Cavalleria rusticana is het weer Giuseppe di Stefano. Als Santuzza imponeert Callas nog net iets meer dan als Nedda. Zij vormt een superieur koppel met haar tegenspelers zoals dat steeds het geval was en Serafins ongeremde directie is steeds pakkend. Het volbloedige, af en toe licht vervormde geluid is kenmerkend voor de hele serie.

EMI 556.287-2.

Onvergetelijk en vreugdevol

Ponchielli: La Gioconda

Deze heel effectieve opera wordt zelden opgevoerd; een van de redenen is dat hij zware eisen stelt aan tenminste vijf van de zangers. Deze opname uit 1959, die werd gemaakt kort nadat Callas in handen van Onassis viel, vormt een soort artistiek credo; ze verkeert gelukkig in geweldige vorm en niemand die deze platen beluistert zal haar ooit vergeten. De eerdere Cetra opname uit 1952 is in alle opzichten minder goed.

EMI 556.291-2.

Te gezonde Bohème

Puccini: La Bohème

Met flitsende ogen en een formidabele, gezonde uitstraling mag Callas dan nog minder geschikt lijken als Mimi dan als Butterfly (net als Gilda in Rigoletto niet een rol die bij haar naturel past), met haar karakteristieke inzicht en een bewust lichter gehouden stem ontwikkelt ze de rol toch heel mooi en klinkt ze heel geëngageerd. Hoewel Di Stefano niet de subtielste Rodolfo aller tijden is, beschikt hij hier over een voortreffelijke stem en Moffo plus Panerai vormen een ideaal ander liefdespaar. Votto pakt Puccini soms wat grof aan, maar hij is wel energiek. De nogal beperkte dynamiek van de opname maakt dat de zangers erg prominent klinken, maar in de 2e akte ontbreekt het niet aan licht en schaduw en de kwaliteit is duidelijk verbeterd met de nieuwe transfer.

EMI 556.295-2. 

Wonderbaarlijke dame

Puccini: Madama Butterfly

Wie zich maar een van Callas’ opnamen kan veroorloven, zou er niet verkeerd aan doen deze te kiezen. Ook al hield ze niet erg van Puccini en zong ze Butterfly slechts in drie opvoeringen. Niettemin is het een mirakel van de creatie van een persoonlijkheid en een van de krachtigste opnamen van het werk ooit. Callas’ visie, geholpen door de verbeeldingsvolle en royale begeleiding van Karajan verlenen namelijk een extra dimensie aan Puccini’s Japanse vrouwtje. Gedda is een intelligente, geloofwaardige Pinkerton. Jammer dat de opname niet in stereo is ter wille van meer sfeer. Maar hij is wel optimaal opgelapt. Luister en bewonder.

EMI 556.298-2.

Pakkende slotscène

Puccini: Manon Lescaut

Het is typisch voor Callas, de expert in subtiele karakterstudie, dat ze vanaf de semplicitá van het begin tot de dramatische slotscène met alle wanhoop van ‘Sola, abbandonata’  haar rol transformeert tot een heel pakkend geheel. Serafin, die op de plaat een nogal lethargische dirigent kon zijn, is hier ook elektriserend en zelfs Di Stefano is bijzonder geïnspireerd in een van zijn beste geregistreerde rollen. In de bezetting treffen we ook de jonge Cossotto aan, die heel indrukwekkend is als zangeres in het madrigaal uit de 2e akte. De opname – nog in mono en niet de slechte stereo transcriptie – minimaliseert de bedomptheid van het origineel en levert meer detail.

EMI 556.301-2.

De verbazingwekkendste tragedie

Puccini: Tosca

Een van de weinige kwesties waar alle operaliefhebbers het over eens zijn – en dat gebeurt maar zelden – is dat dit de beste Tosca opname is die ooit werd gerealiseerd. Eens temeer wordt Callas terzijde gestaan door Di Stefano – echt op zijn best als Cavaradossi - en vooral Gobbi die een ongelooflijk gemene politiechef uitbeeldt; de verrassende dirigent Victor de Sabata bereikt in lyrisch en dramatisch opzicht geweldige resultaten.

EMI 556.304-2.

Complexe prinses

Puccini: Turandot

Bij Callas schijnt het karakter van de Chinese prinses veel geloofwaardiger en complexer dan gewoonlijk en deze opname uit 1957 behoort tot haar beste prestaties: pakkend, dramatisch. Schwarzkopf is vergelijkbaar karakteristiek en geeft een goede uitbeelding van Liù, hier veel meer dan het ‘kleine vrouwtje’ van Puccini, lief en kwijnend. Fernandi toont niet veel karakter als Calaf, maar beschikt over fraaie stemmiddelen. Serafins meesterlijke dirigaat past precies bij het karakteriseren door Callas en Schwarzkopf met veel kleur, sfeer en dramatiek. Bij zoveel levendigheid stoort het niet dat de opname uit 1957 alleen in mono is.

In 1964, toen Callas’ tweede opname ontstond, vertoonde haar stem al zoveel slijtage dat het pijnlijk is om ernaar te luisteren. Bovendien was Prêtre als Puccini dirigent een maatje kleiner dan de Sabata.

EMI 556.307-2.

Het zingen van de grappige kanten

Rossini: Il barbiere di Siviglia

Callas’ gangbare intensiteit heeft velen ertoe gebracht te menen dat ze geen begaafde comédienne zou zijn. Ten onrechte, want deze opname laat – net als haar registratie van Il Turco in Italia – horen hoezeer zij het bij het verkeerde eind hebben. Als brutaal katje beschikt ze inderdaad over een glorieus gevoel van ondeugendheid, dat ze met een volmaakte timing laat blijken, vooral in de recitatieven en uiteraard in Una voce poco fa. Gobbi is een geweldige Figaro en Luigi Alva een onweerstaanbare vrijer.

EMI 556.310-2.

Dartele echtgenote van een allochtoon

Rossini: Il Turco in Italia

Callas was op haar best toen ze deze zeldzame opera van Rossini midden jaren vijftig opnam. Als steeds zijn er in vocaal opzicht wat onrustige momenten, maar ze geeft een perfecte uitbeelding van de capricieuze Fiorilla, die is getrouwd met een oudere, jaloerse echtgenoot en die zich stierlijk verveelt. Rossi-Lemeni, de Turk uit de titel, toont ook karakter, maar zijn stem is slecht gefocusseerd en zo blijft de eer aan Gedda als jonge minnaar en Calabrese die goed bij Callas past als echtgenoot. Leuk ook veteraan Stabile te horen als dichter op zoek naar een gegeven. Het geheel sprankelt fraai in mono.

Grote Italiaanse uit Griekenland

Verdi: Aida

Omdat Verdi de grootste Italiaanse componist was na Monteverdi (van wie Callas helaas niets zong) verwachten we van haar dat ze op haar best is in zijn belangrijkste rollen. Meestal is dat ook het geval. Het karakter van Aida wordt met haast ongeëvenaarde volledigheid ingevuld en Callas – niet de sympathiekst klinkende Aida, maar wel onweerstaanbaar door haar met detail ingevulde verbeelding - is omgeven door een uitstekende bezetting (Gobbi en Tucker voorop), wat overigens lang niet altijd zo was. Ook de Amneris van Barbieri is treffend. Gek genoeg is de Nijlscène nooit kernachtiger op de plaat gebracht dan in deze oude opname: Callas en Gobbi zijn hier onvergetelijk goed.

EMI 556.316-2.

Callas gaat naar het bal

Verdi: Un ballo in maschera

In misschien wel het meest intrigerende werk van Verdi, Ballo, wordt een heldin gevergd die razend kan worden maar die ook de teerste gevoelens weet te uiten. Het dirigaat van deze uitvoering door Votto (‘de beste verkeersagent uit Milaan’) is pure routine, maar Callas is witgloeiend en ze wordt eens temeer voortreffelijk terzijde gestaan door Di Stefano en Gobbi, elk in een rol waarin ze hun concurrenten verre de baas zijn. Deze opname maakt aanspraak op het predikaat Callas’ mooiste Verdi opname te zijn. De registratie uit 1956 is in mono met erg prominent klinkende stemmen, die gelukkig wel ruimte om zich heen bezitten.

EMI 556.320-2.

Het noodlot getart

Verdi: La forza del destino

Helaas is dit een licht bekorte versie. Hoewel er klassieke voorbeelden zijn van Callas’ rauwe tonen op topnoten, verbleekt dat bezwaar in vergelijking met de weelde in de frasering, die een heel nieuw stempel drukt op de overbekende passages. Afgezien van de neiging om veel te snikken, zingt ook Tucker prachtig, maar zelfs niet hij en laat staan de overigen kunnen in de schaduw staan van de dominante Callas. Serafin dirigeert eens temeer pittig, dramatisch en in fraaie tempi. Het monogeluid uit ’55 is minder agressief dan gevreesd.

EMI 556.323-2.

Wraakzuchtige lady

Verdi: Macbeth

De rol van Lady Macbeth was Callas haast op het lijf geschreven en hoewel de opname uit 1952 – de eerste uit de EMI reeks en vermoedelijk ontleend aan een radio-uitzending – veel feilen vertoont, maken haar dominante aanwezigheid, haar enorme muzikale verbeelding en haar schurende tonen deze versie tot een belevenis. De vocale tekortkomingen die Callas later zouden hinderen, waren hier nog niet zo evident; hier levert ze pakkende geluiden in alle registers. Ondanks wat misrekeningen in de tempi – een te snelle slaapwandelscène – is ook De Sabata mooi fel. Maar de rest van de bezetting kan men vergeten: saai, te beginnen met de Macbeth van Mascherini. Alleen Tajo als Banquo overtuigt. Niettemin een Macbeth om van te dromen (of nachtmerries van te krijgen).

EMI 567.128-2.

Kwijnende Gilda

Verdi: Rigoletto

De titelrol van deze opera zal zelden pakkender zijn vertolkt dan door Gobbi in deze klassieke Scala opname uit de jaren vijftig. In vrijwel elke frase vindt hij extra betekenis en hij beschikt over een enorm bereik aan toonkleuren om expressieve effecten te bereiken. Callas, van nature niet zo geschikt als kwijnende Gilda, is al even verbeeldingsvol en ook Di Stefano is op zijn best. Levendig mono geluid.

EMI 556.327-2.

Perfectie uit Portugal

Verdi: La traviata

Dit was de op een  na liefste rol van Callas en het is heel spijtig dat we er geen opnamen van hebben met een betere geluidskwaliteit. En dan te weten dat Callas meewerkte aan liefst zeven opnamen, successievelijk in 1951 (Mexico) op Arkadia, een jaar later nogmaals op Melodram, dan Turijn (Cetra1953), Milaan (EMI 1955), Milaan (Myto 1956), Lissabon (EMI 1958) en Londen (Melodram 1958). Probleem voor Legge in Engeland was dat Callas nog verplichtingen had jegens platenmaatschappij Cetra en dat EMI voor zijn Traviata wel Serafin, di Stefano en Gobbi maar niet Callas ter beschikking had, waardoor het project strandde. De Cetra opname uit 1953 heeft te lijden onder matige geluidskwaliteit, routineuze directie van Santini en een verder weinig treffende bezetting. De tweede versie gaat terug tot een ‘live’ uitvoering onder Ghione in Lissabon in 1958 met een souffleur die best als lid van de bezetting had mogen worden vermeld. Callas is gewoon onvergelijkelijk. Wanneer men zijn opvattingen over welke van de andere uitvoeringen dan ook niet wil bederven, kan men beter niet hiernaar luisteren want Callas zal zeker de trouw te niet doen. Maar dat geldt voor zoveel van haar opnamen.

De versie uit La Scala, met Giulini (EMI 566.450-2), dateert van drie jaar eerder toen haar stem nog frisser was. Het ontbreekt niet aan pakkende momenten. Op het punt van levendige dramatiek is die versie ongeslagen. De worsteling van Violetta wordt prachtig uitgebeeld, maar helaas is het geluid – zeker naar het eind toe – bijna ongenietbaar. Het is ook treurig dat Bastianini zo’n lompe Germont père is, ook in het grote duet uit de 2e akte; Di Stefano schiet tekort in de slotscène. Zo is de op het oog minder goede opname uit Lissabon tenslotte toch de beste keus.

EMI 556.330-2.

Felle Leonore

Verdi: Il trovatore

De combinatie van Callas en Karajan is in 1956 opnieuw formidabel en indrukwekkend. Er schuilt veel schurkachtigheid en dramatische vastbeslotenheid in Callas’ uitbeelding, zowel in de coloraturen als in de dramatische gedeelten, wat de heldin een onvermoede dieptewerking qua karakter verleent. Dit alles culmineert in een aria die vaak in zijn geheel wordt geschrapt ‘Tu vedrai che amore’ in terra, maar waarvan hier gelukkig het eerste couplet is gered. Vanaf die cabaletta is de vertolking van een unieke pracht. Barbieri is een geweldig goede Azucena, Panerai een kernachtige graaf en Di Stefano een ideale Manrico. Goed monogeluid uit 1956.

EMI 556.333-2.

Veeleisende Elena

Verdi: I vespri Siciliani

De door EMI beloofde opname met Callas van deze opera gaat terug tot een door Erich Kleiber gedirigeerde opvoering in Florence, 26 mei 1951 en zou daarmee de eerste commerciële, volledige opname van haar zijn. Bij nader inzien is de bewuste opname niet door EMI maar door Archipel uitgebracht.

 

Archipel ARPCD 00163