BERGONZI, CARLO
Uitvoerende kunstenaars

CARLO BERGONZI, GENTLEMAN TENOR

Wie achteraf gewapend met al zijn opnamen een oordeel moet vellen, kan haast niet anders dan vaststellen dat Carlo Bergonzi alle hypes rond andere, misschien beroemder tenoren wellicht de grootste Verdi tenor was. In elk geval was hij nadrukkelijk één der grootsten. Natuurlijk dient zo’n oordeel gerelativeerd en gekwalificeerd te worden. Ja, Caruso had de grotere en betere stem, Martinelli toonde mogelijk nog meer stijlbesef, Pertile was eerder aardgebonden, Björling daarentegen aristocratischer, Corelli had een opwindender timbre, Pavarotti een meteen herkenbare toon. Maar geen van hen leek te beschikken over een zo natuurlijke, haast onvermijdelijke interpreet van Verdi (maar ook van Donizetti) dan Bergonzi en wel vooral omdat hij zo’n goede musicus was.

Bergonzi was in natura en is op lp en cd de ideale exponent van zo ongeveer alle rollen uit het repertoire van Verdi. Wie daaraan twijfelt moet maar eens luisteren naar de Philips cd waarop hij een staaltje geeft van vrijwel alle tenoraria’s uit diens oeuvre. Zijn voordracht getuigt van een blijkbaar aangeboren gevoel voor melodievorming in één adem met een voorbeeldige dictie, zuiverheid en een volmaakt gebruik van portamento en acuti. Dat gevoegd bij de manier waarop hij iedere frase een gevoel van onvermijdelijkheid meegeeft en het is puur en onbekommerd genieten geblazen: zo en niet anders moet deze muziek klinken. In het theater ging alleen Otello zijn mogelijkheden te boven, maar op cd klinken zijn soli uit dat werk ontroerend.

De 13 juli 1924 in Polise bij Parma geboren zanger leek eerst voorbestemd om net als zijn vader kaasmaker te worden totdat zijn bijzondere stem werd ontdekt (hij heeft zelf ooit beweerd dat tenoren, net als Parmezaanse kaas, de tijd niet meer krijgen om te rijpen). Zijn loopbaan werd gefrustreerd toen hij in 1943 krijgsgevangene van de Duitsers was geworden maar begon  in 1948 als bariton in Rossini’s Barbiere di Siviglia in Lecce. In 1950 kwam hij tot de ontdekking dat hij toch waarschijnlijk eerder een tenor was, onderging een herscholing en maakte zijn nieuwe debuut als tenor in de veeleisende rol van Andrea Chénier in Giordano’s gelijknamige opera in Bari in 1951. Nog datzelfde jaar werd hij uitgenodigd om bij de Italiaanse omroep in het kader van een Verdifeest in I due Foscari te zingen. De toen gemaakte opname verscheen later bij Cetra op lp en later bij Nuova Era op cd. Zijn zang klinkt daar nog betrekkelijk weifelachtig, maar tegen de tijd dat hij in 1953 zijn debuut aan de Scala maakte in Napoli’s hier onbekende Mas’aniello was zijn stem volledig gevormd. Drie jaar later zong hij al aan de Met in New York, te beginnen als Radames in Verdi’s Aida; hij bleef die instelling 32 jaar trouw totdat hij er in 1988 afscheid nam als Rodolfo in Luisa Miller. Zijn ‘Quano le sere al placido’ was meteen een goed voorbeeld voor andere tenoren.

Omdat Bergonzi bepaald geen geweldige figuur als acteur had en enigszins leek op een karikatuur van de bekende Italiaanse tenor, maakte hij met zijn voorkomen nooit grote indruk op het publiek, maar met zijn zang des te meer. Wanneer hij als Riccardo (of zo men wil Gustavus) ‘Si, riverderti, Amelia’ uit de laatste akte van Ballo in maschera inzette, was hij hoe dan ook onweerstaanbaar en ontketende hij ovaties.

In Donizetti was hij niet minder oprecht. Er is een onofficiële video opname van hem in omloop die werd gemaakt tijdens een gastoptreden van het La Scala ensemble in Tokio in 1967 waaruit blijkt dat hij met Renata Scotto in het duet uit de eerste akte van Lucia di Lammermoor de kern van de materie raak treft: toon, frasering en interpretatief engagement zijn alle in volmaakt evenwicht en harmonie. Een mooi studio facsimile daarvan is te horen in de theaterset onder Prêtre op RCA. Luister maar naar de attaque van ‘Qui di sposa” (cd 1, track 11) en dan naar ‘Io di te memoria viva’ of wat later naar de fijnzinnige voordracht van zijn vers in ‘Verrano a te’. Stijlvoller en specifiek Italiaanser kan haast niet. Alle gewenste passie is aanwezig.

Maar ook de komische kant van Donizetti was bij hem in goede handen, want bijvoorbeeld zijn ‘Una furtiva lagrima’ als Nemorino deed de harten smelten. In het verismo vierde Bergonzi haast even grote successen als met Verdi en Donizetti. Om dat te ervaren is het goed opnieuw die Decca cd Grandi voci te raadplegen. Hij zingt daar onder andere ‘Donna non vidi mai’ zo raak en vol passie, maar ook aristocratisch dat het kan gelden als voorbeeld hoe het moet. In datzelfde recital komt een versie voor van Maurizio’s ‘La dolcissima effigie’ die ook een soort gouden standaard vestigde, feitelijk alleen ooit door een Björling geëvenaard. Vooral ‘bella tu sei’ klinkt zo klaaglijk en met zulke innemende accenten dat men wel moet zwichten. Ander voorbeeld: ‘Cielo e mar’, ontleend aan de complete opname met Gardelli en opnieuw klinkt alles alsof het niet anders kan of moet, eindigend in een fraaie climax.

Voor velen zal het nauwelijks ooit een eerste keus zijn geweest, maar Bergonzi’s Pinkerton in Puccini’s Madama Butterfly naast Renata Scotto en onder leiding van Barbirolli op EMI heeft ook een klassieke status. Zijn Rodolfo uit La bohème maakt deel uit van een van de mooiste plaatversies van dat werk ooit (met Serafin op Decca, uit 1959); alleen al zijn Che gelida manina’ illustreert dat. Hoe goed ook zijn Cavaradossi was, blijkt wanneer men hem als partner van Callas in hun unieke opname beluistert; opnieuw een blijk van groot stijlbesef.

Zowel bij Verdi als bij Puccini was Bergonzi er altijd sterk op gericht om de diepere gevoelens en het poëtisch karakter naar voren te brengen en niet te blijven steken in uiterlijkheden. Net als de rol van Otello liet hij die van Calaf liefst aan anderen over. Bergonzi kende zijn beperkingen wat meteen een goede verklaring is dat hij intensief tot na zijn zestigste levensjaar doorzong. Hij waagde zich met Karajan ook aan Canio in Leoncavallo’s I pagliacci en hoewel die rol wat zwaar voor hem moet zijn geweest, bracht hij het er goed van af door zich niet te buiten te gaan aan passie en dramatische intensiteit.

Op die Grandi voci cd is Bergonzi ook te horen tien zijn stem nog jeugdiger was. Met name weer in Verdi: na Alvaro’s aria uit de derde akte van La forza del destino bijvoorbeeld of ‘Celeste Aida’ uit Aida, hier feitelijk directer opgenomen dan in de volledige Deccaset met Karajan en tenslotte ‘Ah, s’i ben mio’. In deze drie aria’s met Gavazzeni als sympathieke begeleider, klinkt de zang makkelijk, vlot, ongeaffecteerd met zuivere intervallen, een volmaakte adembeheersing en veel nuancen van toon.

Wat Bergonzi’s volledige Forza del destino betreft, is de EMI opname van Gardelli een ‘must’. Vooral de samenwerking met Cappuccilli in de drie duetten van tenor en bariton zijn prachtig, met name ‘Solenne in quest’ora’ is zo fraai omdat hier geen sprake is van aanstellerij.

Wat is er verder voor bewijsmateriaal? Wel, bijvoorbeeld de scène van Macduff in de door Erich Leinsdorf voor RCA gedirigeerde Macbeth. Opnieuw een prachtige duiding van de tekst en in de aria ‘Ah, la paterno mano’ is zijn voordracht vol élan een streling van het gehoor. De niet ideale opnamekwaliteit van die volledige Aida onder Karajan daargelaten, is de Radames van Bergonzi wel wat bijzonders, want hoewel de zanger het specifieke spinto karakter mist, maakt hij er dankzij Karajans gevoelige begeleidingen toch heel wat moois van.

 

Ook in Italiaanse liederen muntte de tenor uit, in Mascagni’s elegische, bekoorlijke Serenata bijvoorbeeld of in Tosti’s L’alba separa dalle luce l’ombra keurig op een Sony cd gedocumenteerd. Het is alles bijeen een inventaris van een ware tenor gentleman.