Verg. Discografieën

BRAHMS: PIANOTRIO'S NR. 1-3 (4) (geactualiseerd)

BRAHMS: PIANOTRIO’S NR. 1-3 (4)

 

Nauwelijks iemand onder de grote componisten uit de Duitse romantiek heeft zoveel gepresteerd als Johannes Brahms. Mt welke energie hij daarbij de uitdagingen trotseerde, toont meteen het eerste trio aan dat het ten slotte moest opnemen tegen Beethovens Aartshertogtrio

 

Achtergronden

 

De pianotrio’s van Brahms vormen een belangrijk, maar minder bekend deel van zijn creativiteit binnen zijn kamermuziekwereld.

Tot op zekere hoogte nam Brahms natuurlijk de toorts van Beethovens pianotrio’s en strijkkwartetten over waar die hem had neergelegd. Hoewel hij die werken (plus die van Schubert) als vertrekpunt koos, gaat het bij deze trio’s om hoogst persoonlijke scheppingen met een klankwereld die in de negentiende eeuw vernieuwend was.

Elk van de drie instrumenten wordt om te beginnen tot de grenzen van zijn mogelijkheden benut alsof Brahms met slechts drie musici een orkestrale diepte en kleur wilde realiseren.

Een ander fascinerend aspect van deze trio’s (in het bijzonder van het laatste) is Brahms’ behandeling van de strijkers als solisten. Daarbij krijgen viool en cello de nodige sonore passages te verwerken die precies passen bij hun respectievelijke karakteristiek.

Af en toe wordt de behandeling van het materiaal door Brahms zo ‘wetenschappelijk’ (zeker in trio nr. 3) dat de muziek haast onverteerbaar complex wordt, maar zijn weelde aan krachtig vormgegeven ideeën wordt royaal beloond wanneer men aandachtig luistert.

Waarom gaat het hier in detail?

 

Pianotrio in a op. posth. (in 1938 gepubliceerd)

Pianotrio nr. 1 in B op. 8 (1853)

Pianotrio nr. 1 in B op.8 (herziene versie 1889)

Pianotrio nr. 2 in C op. 87 (1880/2)

Pianotrio nr. 3 in c op. 60 (1855/75)

 

De opnamen

 

De eerste belangrijke opname is die van Katchen/Suk/Starker, meer dan een gelegenheidscombinatie maar een goed op elkaar gespeeld stel met als drijvende kracht de voortreffelijke Brahmspianist Katchen die ook zo’n mooie opname van de volledige pianowerken naliet voordat hij al op 42-jarige leeftijd aan kanker stierf. Hoewel de opname in The Snape, Maltings werd gemaakt, klinkt deze anno 2015 nie meer zo fris. 

Minstens zo hecht en intens Brahmsiaans klinken ook Istomin/Stern/Rose die als bijkomend voordeel hebben dat men ze ook als enigen op dvd kan bewonderen.

Het Hamburgse Trio Fontenay speelt zijn Brahms met een volbloedig geluid in rustige tempi. Een prestatie die fraai van klank en ensemblespel is.

Voor de meest autoritaire, gedistingeerde, evenwichtige vertolkingen zorgde wel het Beaux Arts trio. De vereiste breedte en diepte van deze werken is prachtig onthuld en he getoonde inzicht, samen met de spontane aanpak leidt tot een nog steeds geweldig aanvoelend resultaat. Gelukkig klinkt de opname ook nog steeds mooi ruimtelijk.

Van Ashkenazy/Perlman/Harrell zou men veel mogen verwachten, maar helaas wordt hier door dit individueel voortreffelijke drietal geen grootse prestatie verricht. Dan liever het uit Susan Tomes (p), Anthony Marwood (v) en Ricard Lester (vc) bestaande Florestan trio. Vooral de pianiste verdient veel lof voor haar gevoelig integrerend aandeel. De schaal waarop het geheel is geprojecteerd had alleen wat groter mogen zijn, verder alle waardering. Het Altenberg trio (Claus-Christian Schuster, Amiram Ganz en Martin Hornstein) doet hier vervolgens weinig voor onder. Maar wordt vervolgens op innemende wijze door drie jonge Fransen – Nicholas Angelich, Renaud en Gautier Capuçon –weer voorbijgestreefd. Dat heeft vooral te maken met hun spontane, vrij intuïtieve opvatting. De manier waarop deze musici een evenwicht weten te vinden tussen Brahms’ energieke ideeënstroom en lyrische intensiteit is heel bevredigend.

Iets van de zo nodige Brahmsiaanse robuste gespierdheid ontbreekt bij dat andere Franse ensemble, het trio Wanderer (Jean-Marc Phillips Varjabédian, Vincent Coq, Raphaël Pidoux).

Dan is daar het Gould trio (Benjamin Frith, Lucy Gold en Alice Neary) dat ook alweer prachtige dingen laat horen, maar toch een paar steken laat vallen, bijvoorbeeld door de manier waarop Lucy Gold bij herhaling de akkoorden breekt.

Gedegen en betrouwbaar, maar niet op de toppen van de inspiratie is wat Joseph Kalichstein, Jaime Laredo, Sharon Robinson hier te bieden hebben. De opname had ook verzorgder mogen zijn.

Het in 2000 geformeerde Testore trio (Hyun-Jung Kim-Schweker, Franziska Pietsch en Hans-Christian Schweiker) profiteert om te beginnen voor een uitstekende SACD klank.DE strijkers spelen op achttiende eeuwse instrumenten van de Milanese familie Testore, vandaar de naam van dit ensemble.

Er wordt met hart en ziel gespeeld terwijl toch de gangbare condities in acht zijn genomen. Het grote pluspunt hier is dat alles zo gedetailleerd, verzorgd en natuurlijk klinkt. 

Het jonge Schnyder trio (Oliver Schnyder, Andreas Janke en Benjamin Nyffenegger) gaat met jeugdig enthousiasme te werk. Vaart en verve genoeg, wat echter soms tot geforceerd voert. Briljant en pakkend is het wel, maar de vrees bestaat dat dit bij meerdere malen aanhoren slijt.

Als nakomer verscheen intussen de opname met broer en zus Tetzlaff die deze werken een uitgesproken Duits, strikt maar ook door en door stijlvol aanzien met passende karakterisering geven. Lars Vogt zorgt aan de vleugel voor initiatief en stuwkracht. Dat leidde tot een hoogst bevredigend resultaat, zeker ook omdat de opname wonderwel is geslaagd.  

 

Conclusie

 

Het Beaux Arts trio is nog steeds een veilige, maar misschien langzamerhand wat achterhaalde keuze met wel als voordeel dat het meteen ook het hoorn- en het klarinettrio biedt. Angelich c.s zorgen voor een heel goede milder (in aanleg Frans) klinkende lichtere variant. UIteindelijk gaat nu toch de voorkeur uit naar Tetzlaff c.s. die profiteerd van mee de mooist klinkende opname.

Wie ook de 1854 vorm van het eerste trio wenst, is waarschijnlijk het beste af met het Testore trio, op de hielen gezeten door het Gould- en Schnyder trio.

 

Discografie

 

1968. Julius Katchen, Josef Suk en Janos Starker. Decca 421.152-2, 448.092-2 (2 cd’s).    

 

1974. Eugene Istomin, Isaac Stern, Leonard Rose. Sony 88843-06136-2 (5 cd’s).

 

1975. Trio Fontenay. Warner 2564-61259-2, 2564-61690-2 (2 cd’s).

 

1976/9. Beaux Arts trio. Philips (en Decca) 438.365-2 (2 cd’s).

 

1982. Borodin trio. Chandos CHAN 8334.

 

1984. Israël Pianotrio. CRD CRD 2412 (2 cd’s).

 

1991. Dussek Pianotrio. Meridian CDE 84227/8 (2 cd’s).

 

1991. Vladimir Ashkenazy, Itzhak Perlman, Lynn Harrell. EMI 754.725-2 (2 cd’s).

 

1992. Odeon trio. Capriccio 10633 (3 cd’s).

 

1993. Amati trio. Astoria 21027/8 (2 cd’s).

 

1997. Florestan trio. Hyperion CDA 67251/2 (2 cd’s).

 

1999. Altenberg trio. Vanguard 99211 (2 cd’s).

 

2003. Nicholas Angelich, Renaud en Gautier Capuçon. Virgin 545.653-2 (2 cd’s).

 

2005. Hyperion trio. Thorofon CTH 2533/6 (4 cd’s).

 

2005. Wanderer trio. Harmonia Mundi HMC 90. 1915/6 (2 cd’s).

 

2007. Gould Pianotrio. Quartz QTZ 2067 (3 cd’s).

 

2008. Joseph Kalichstein, Jaime Laredo, Sharon Robinson. Vox CD3X 3029 (3 cd’s).

 

2011. Trio Testore. Audite 91.668 (2 cd’s).

 

2012. Smetana trio. Supraphon SU 4072-2 (2 cd’s).

 

2014. Oliver Schnyder trio. Sony 88843-09542-2 (2 cd’s).

 

2014. Christian Tetzlaff, Tanja Tetzlaff, Lars Vogt. Ondine ODE 1271 2D (2 cd’s).

 

Met onbekende opnamedatum

 

…… Carlo van Neste, Edgard Doneux, Naum Sluszny. Pavane ADW 7550/4 (5 cd’s).

 

Onvolledig drietal

 

1951/3. nr.1 en 2. Edwin Fischer, Wolfgang Schneiderhan, Enrico Mainardi. Archipel ARPCD 0165.

 

1993. nr. 1 en 2. Weens pianotrio. Naxos 8.550746.

 

1995. nr. 1 en 2. Maria João Pires, Augustin Dumay en Jian Wang. DG 447.055-2.

 

1998. nr. 1 en 2. Jerusalem trio. Doremi DDR 7113-2.

 

1995. nr. 1 en 2. Maria João Pires, Augustin Dumay en Jian Wang. DG 447.055-2.

 

2007. nr. 1 en 2. Storioni trio. Pentatone PTC 5186-328.

 

1991. 1 en 3 Trio Novanta. Tudor 797.

 

1977. nr. 1 en 3. Trio Pro Arte. BIS CD 098.

 

1995. nr. 1 en 3. Trio Parnassus. MDG MDG 303-0656/7 (2 cd’s).

 

Video

 

1974. Eugene Istomin, Isaac Stern, Leonard Rose. EMI 599.937-9 (dvd).