BEETHOVEN: PIANOSONATES NR. 30, 31 EN 32
Vergelijkende Discografieen

BEETHOVEN: PIANOSONATES NR. 30, 31 EN 32

 

Wanneer de 32 pianosonates van Beethoven worden vergeleken met een landschap dat met heuvels en bergen is gevuld, dan vormt het laatste vijftal sonates de hoogste, verheven toppen. Deze zijn wat moeilijker begaanbaar, maar ze bieden zowel de componist als de pianist veel beloning. Na de grootschaligheid van de Hammerklavier sonate nr. 29 in Bes op. 106 is Beethovens laatste drietal sonates op. 109-111 gericht op geïntensiveerde compactheid, elke sonate is ook slechts half zo lang als die Hammerklavier. Piano-technisch gezien een zinloze bijnaam, want alle pianosonates waren in die tijd voor ‘pianoforte’. Maar wel een bijnaam die de juiste wat agressieve bijbetekenis heeft.

 

Achtergronden

 

Met zijn vijf laatste pianosonates bracht Beethoven de pianosonate als kunstuiting in een heel ander gebied en na hun voltooiing besloot hij bijna om de piano te laten voor wat die was met de verklaring dat het een ‘onbevredigend instrument’ was. Toch schreef hij daarna nog wel de Diabellivariaties.

Een korte blik op de aanduidingen boven de delen geeft een aardig idee van waarom het de componist in deze muziek echt ging. Het wemelt van de termen appassionato, molto sentimento, espressivo en dolente. Het streven was gericht op absolute expressie.

Beethoven waagde zich hier aan een complexe nieuwe evaluatie van de traditie waarin hij de standaard vormen van de klassieke muziek voorzag van een buitengewone emotionele potentie.

De impuls van de muzikale argumenten in ieder van deze sonates stuwt steeds op naar het laatste deel en de finales van nr. 30 in E op. 109 en nr. 32 in c op. 111 zijn geschreven in de variatievorm, terwijl de finale van nr. 31 in As een fuga is. 

Beethoven had in feite, gekweld door hoogst on-klassieke gevoelens, een hele cirkel doorlopen en was oude wegen gevolgd op zoek naar nieuwe vrijheid. Conventies werden achtergelaten, de blik was vooruit, richting romantiek

De laatste sonate, op. 111, is het geheimzinnigst. Hij bevat slechts twee delen, een merkwaardig on-klassieke structuur die aanleiding werd voor veel speculaties. In Doktor Faustus van Thomas Mann geeft een van de hoofdpersonen een lezing onder de titel “Waarom schreef Beethoven geen derde deel voor op. 111?”. Ook in Antic Hay van Aldous Huxley komt de Arietta voor in een discussie tussen Theodore Gumbril met een van zijn vriendinnen.

Het antwoord is in een notendop heel simpel: omdat Beethoven de sonatevorm praktisch in de doodskist had gedaan. Dat tweede deel is een reeks variaties op het bekoorlijk eenvoudige Arietta thema dat vervolgens de basis vormt voor het nodige meest getourmenteerde, maar ook sereenste en meest excentrieke materiaal – inclusief een zwaar gesyncopeerd gedeelte dat klinkt als een jazz break.

Als het werk bijna ten einde is moet de vermoeide pianist nog een lange reeks trillers spelen die een middel dat slechts een achttiende-eeuwse conventie van versieren was tot een ontroerende episode maakt, tot de suggestie van een toevluchtsoord na voorafgaande stormen.

 

De opnamen

 

Zelfs wanneer de opnamen op meer dan twee cd’s worden uitgesloten, blijft een enorm aantal uitvoeringen over. Anno 2014 is het voor een particulier onmogelijk die alle aan te schaffen of zelfs maar te lenen voor een zo compleet mogelijke vergelijking. Het betekent wel dat grote Beethovenvertolkers als Wilhelm Backhaus en Wilhelm Kempff niet in het verhaal voorkomen. Maar de wel zo volledig mogelijke inventarisatie is op zichzelf best nuttig.

Verder is het bij de interpreten eigenlijk gewoon een kwestie van: je hebt de kleinen, de groten, de zeer groten en de ware reuzen. Met daartussen nog wat heel interessanten.

In 1926 legde Artur Schnabel als eerste in het kader van de volledige opname van de 32 sonates de basis. Altijd nog interessant om te horen. Maar belangrijker, mooier, waardevoller en nog steeds met grote geldingskracht is wat daarna Solomon Cutner laat horen. Treffender en ontroerender kan haast niet. Heel groots en raak zodat men nauwelijks merkt dat het geluid mono is. Afgezien van een zwak moment in het scherzo van nr. 31 een prachtig geheel. 

Wat iemand als Glenn Gould laat horen, is altijd de moeite waard, ook al is hij geen ideale Beethovenvertolker. Interessant is hoe bij hem sereniteit en plechtstatigheid samen gaan.

En dan Sviatoslav Richter: wat die laat horen, getuigt eigenlijk altijd van een groot inzicht. Hier horen we de kracht van een groot pianist in combinatie met de wijsheid van een grote musicus.

Op verschillende tijdstippen wijdde Rudolf Serkin aan de Beethovensonates. Zijn vertolkingen zijn steeds gekenmerkt door een zekere afstandelijke strengheid met soms geëxalteerde momenten. Maar kwaliteit en autoriteit bezitten ze beslist.

Op latere leeftijd ontpopte de Amerikaanse musicoloog/pianist Charles Rosen zich als een eerder filosoferende dan technisch verbluffende vertolker. Maar hier is iedere noot raak en duidelijk sprekend. 

We komen Alfred Brendel zelfs driemaal tegen. Zijn eerste Vox opname kan verder buiten beschouwing blijven. De pianist was altijd onderzoekend en geconcentreerd. Op vrij intellectualistische wijze wist hij steeds de luisteraar binnen Beethovens domein binnen te trekken. Het is zijn laatste opname die het meeste aanbeveling verdient.

Sinds eerste verschijnen gelden de uitvoeringen van Maurizio Pollini als mede van de gedenkwaardigsten. Fameus is de manier waarop hij deze materie niet alleen technisch haast klinisch perfect, maar ook op de manier waarop de muziek vermoedelijk is bedoeld laat klinken.

Wat onverwachts treffen we ook Christoph Eschenbach in het gezelschap van de zeer prominenten aan. Vooral in op. 111 treft zijn zeer geconcentreerde, mooi geconcipieerde en gevoelige spel.

Bij de gerijpte Mitsuko Uchida waren het nog niet haar veelbelovende, maar niet ten volle waargemaakte Mozartinterpretaties, doch haar visie op de late Schubertsonates die diepe indruk maakten. Datzelfde is ook het geval met haar late Beethoven: mooi gekristalliseerde wijsheid. 

Naarmate hij ouder werd en veelzijdiger werd ging András Schiff steeds meer overtuigen. In zijn eigen beschrijvingen maakt hij duidelijk hoe hij tot zijn bijzondere opvattingen is gekomen. Die etaleert hij op heel onnadrukkelijke, steeds stijlvolle, onalledaagse wijze.

 

Conclusie

 

Een eerste keus geldt feitelijk nog steeds Pollini als beste all-round realisatie. Wie wat meer gevoelswarmte wenst, moet liefst bij de nieuwere opnamen van Uchida en Schiff terecht. Maar beluister vooral ook Solomon en Richter!

 

Discografie

 

1932. Artur Schnabel. Naxos 8.110763.

 

1951/6. Solomon Cutner. EMI 764.708-2 (2 cd’s).

 

1954. Egon Petri. Pearl GEM 0149.

 

1956. Glenn Gould. CBS MPK 45684, Naxos 8.111299.

 

1959. Alfred Brendel. Vox 115595-2 (2 cd’s).

 

1960. Sviatoslav Richter. Philips 456.969-2 (2 cd’s).

 

1967/9. Bruce Hungerford. Vanguard 84022-71.

 

1967/71/76. Rudolf Serkin. Sony SK 512869-2.

 

1970. Charles Rosen Sony SB2K 53531.

 

1970. Paul Badura Skoda. Gramola 98750.

 

1970/5. Alfred Brendel. Philips 438.374-2 (2 cd’s).

 

1973/8. Stephen Kovacevitch. Philips 456.877-2.

 

1975/7. Maurizio Pollini. DG 429.570-2, 419.199-2 (2 cd’s). 

 

1978/80.Paul Badura Skoda. Astrée CDE 7741.

 

1978/9. Inger Södergren. Calliope CAL 9648.

 

1978/9. Malcolm Binns. Explore EXP 0001/2 (2 cd’s).

 

1979. Christoph Eschenbach. EMI 585.499-2 (2 cd’s).

 

1979. Robert Riefling. Simax PSC 1833 (2 cd’s).

 

1982. Rudolf Buchbinder. Teldec 8.43027.

 

1982/7. Rudolf Serkin. DG 474.328-2 (2 cd’s).

 

1985. Peter Serkin. Pro Arte CDD 362.

 

1985/9. Bernard Roberts. Nimbus NI 7709.

 

1987. Jenö Jandó. Naxos 8.550151.

 

1991/2. Sviatoslav Richter. Philips 438.486-2, Decca 465.8124 (2 cd’s).

 

1991. Vladimir Ashkenazy. Decca 436.076-2, 417.150-2 (2 cd’s).

 

1991. Marios Papadopoulos. Oxford Philomusica OP 004.

 

1992. John Lill. ASV QS 6064.

 

1993. Richard Goode. Nonesuch 7559-79328-2, 7559-79211-2 (2 cd’s).

 

1993. Paul Komen. Globe GLD 5106.

 

1995/6. Alfred Brendel. Philips 446.701-2.

 

1996. Malcolm Bilson, Davis Breitman, Tom Beghin. Claves 50-9707/10 (2 cd’s).

 

1997. Michael Korstick. Oehms OC 664.

 

1998. Jeffrey Swan. Agora AG 190.

 

1998. Jörg Demus. Saphir LVC 001046.

 

1999. William Kinderman. Hyperion Helios CDH 55083.

 

2000. Eric Heidsieck. Pianovox PIA 537-2.

 

2000. Freddy Kempf. BIS CD 1120.

 

2000. Olivier Gardon. BNL 112911.

 

2000. Muriel Chemin. Solstice SOCD 174/5 (2 cd’s).

 

2003. Artur Pizarro. Linn CKD 225.

 

2003. Anton Kuerti. Analekta FL 2318-2.

 

2003. Einar Steen-Nøkleberg. Simax PSC 1218 (2 cd’s).

 

2004. Victor Rosenbaum. Bridge 9159.

 

2005/6. Gerhard Oppitz. Hänssler 98.209.

 

2006. Mitsuko Uchida. Philips 475.6935.

 

2007. András Schiff. ECM 476.619-2.

 

2008. Ronald Brautigam. BIS CD 1613.

 

2009. Elizabeth Leonskaja, MDG 943.1622-6. 

 

2009. Alexei Lubimov. Zig Zag Territoires ZZT 110103.

 

2011. Mari Kodama.Pentatone PTC 5186-389.

 

2011. Antti Siirala. BR 8553227.

 

2013. Igor Levit. Sony 88883-74735-2 (2 cd’s).

 

Video

 

1956/8. Glenn Gould. CBS M3K 39036 (dvd).