CHOPIN: NOCTURNES NR. 1-21
Vergelijkende Discografieen

CHOPIN: NOCTURNES NR. 1-21

 

Niet alleen dichters als Friedrich von Hardenberg, beter bekend onder de naam Novalis, hebben de nacht bezongen. Ook componisten, musici in het algemeen en vooral zij die zich onder hen als dichter beschouwden, voelden zich daartoe geroepen (Wagner!). Vooral natuurlijk ook die musici die zich exclusief als dichter zagen. In een tot de Ierse John Field terug te volgen traditie van Nocturnes voor piano staan ook de bijdragen van Chopin.

 

Achtergronden

 

Het begrip ‘notturno’ kennen we in de muziekwereld vooral uit de serenadewereld. Haydn en Mozart schreven ensemblecomposities met verschillende delen onder die naam. De bekendste voorbeelden bij Mozart zijn de Serenata notturna KV 239 en zijn Notturno voor vier orkesten KV 286. Ook de Kleine Nachtmusik behoort tot deze categorie.

Een verband met het eendelige pianostuk met de naam Nocturne kan worden gelegd met veel serenadedelen, maar er is een duidelijker relatie met de vocale werken die bij Mozart de aanduiding Notturno dragen. Denk aan KV 436-439. 

Zoals al opgemerkt: John Field vond de piano Nocturne uit als een lyrisch, kort stuk (dat niet noodzakelijkerwijs op de avond of de nacht betrekking had) waarin de melodie in de rechterhand  vriendelijk zangerig wordt begeleid door gebroken akkoorden in de linkerhand. Chopin hoorde Field in Parijs spelen in 1832.

De zangerige kwaliteit van deze stukken is deels ontleend aan de bel canto aria’s uit Bellini’s opera’s, Norma en La sonnambula, gezongen door de destijds beroemde Giuditta Pasta. Fields charmante, maar in wezen nogal smachtende scheppingen werden door Chopin getransformeerd en aangevuld tot muziek met een groter emotioneel bereik, hoewel een gevoel van melancholie wel kenmerkend blijft. 

Het zijn deze stukken die Chopins faam definitief bevestigden in de aristocratische Parijse salons en hun volkomen eenvoud en directheid van expressie maakte dat de Nocturnes naast de Walsen nog steeds tot Chopins geliefdste werken behoren.

 

De opnamen

 

De hoeveelheid opnamen van de volledige 21 Nocturnes, soms teruggebracht tot 20 of 19 is overweldigend genoeg om fragmentarische vertolkingen van dit genre hier buiten beschouwing te laten.

Als eerste die zich fonografisch aan het genre waagde liet Leopold Godowski liet geen volledige reeks na, maar hij koos een twaalftal uit dat hij op betrekkelijk moderne wijze (op 70 78t. plaatkanten!) speelde, dat wil zeggen zonder de vroeger in zwang zijnde asynchroniteit van de handen. Maar hij lijkt ook niet erg gemotiveerd, eerder ongeduldig. Maar wel met een geweldige techniek.

De oudste opnamen van de Nocturnes dateren nog uit de tijd dat een persoonlijk rubato een essentieel bestanddeel van de vertolking uitmaakte, namelijk in de vorm van ongesynchroniseerde linker- en rechterhand. Het schoolvoorbeeld daarvan leverde Alfred Cortot. Zo’n speelwijze valt nu echt niet meer te pruimen. Hij geldt nu haast als afschrikwekkend voorbeeld hoe het niet moet.

Van de oudere pianisten was Artur Rubinstein de eerste die dat stramien bewust doorbrak. De milde lyriek uit de Nocturnes past heel congruent bij de nauwelijks assertieve en vloeiende stijl van Rubinstein. Maar zijn opnamen blinken vooral uit door de mooie lange meanderende frasen in de rechterhand met hun fijn gesponnen ornamentiek die verder fijnzinnig wordt vormgegeven met behulp van subtiele verschuivingen in de accentuering waardoor vele nuancen opbloeien. Jammer hooguit dat de opnametechniek dat indertijd niet echt volledig tot zijn recht liet komen. Kies liefst wel zijn opname uit 1965. Als een gracieus eerbetoon aan en een echo van de belle époque klinkt de muziek hier.

Westminster engageerde in zijn korte bestaan als lp platenlabel Nadia Reisenberg voor de Nocturneklus. Ruim vijftig jaar later geeft Bridge dit intussen verdoekte materiaal opnieuw uit. Het laat een nogal nuchtere, wel erg heldere zienswijze horen, maar de toon is niet zangerig genoeg en nuancen ontbreken teveel.

Eveneens ruim vijftig jaar geleden trad de Poolse pianist Jan Smeterlin regelmatig in Nederland op om rond de Kerst Chopinrecitals te geven. Zijn interpretatie van de Nocturnes leeft nog als conserve voort. Zijn visie is naar huidige begrippen wat te persoonlijk en hij lijkt niet over een superieure techniek te beschikken. Zeker climaxen klinken verward, maar zijn toon is mooi en hij heeft wat zinnigs te vertellen.

Tot op zekere hoogte was ook Alexander Brailowski een Chopinspecialist. Maar wel eentje die de materie niet al te subtiel of indringend behandelde. Zijn stijl houdt in dit geval het midden tussen die van Cortot en Rubinstein. Zijn eenvoud valt echter te prijzen.

De herinneringen aan de Engelse Moura Lympany zijn hevig gekleurd door het feit dat ze zich tijdens een recital regelmatig in een andere robe vertoonde. Haar Chopin klinkt weinig betoverend, eerder gewoontjes maar wel met overdreven dynamische contrasten.

Veel beter brengt Adam Harasiewicz het er feitelijk niet af. Hij kwam op als veelbelovend Chopinspecialist maar bleek al gauw slechts een strovuur te zijn waar na zijn door Philips gegeven kansen nauwelijks meer van werd vernomen. Wat in zijn spel ontbreekt hier zijn oorspronkelijkheid en intimiteit. De avond en de nacht hebben in zijn felle daglicht geen plaats.

Misschien wekte de naam Ivan Moravec te hoge verwachtingen. De anders vaak heel interessante pianist laat hier nogal verstek gaan. Met zijn rubati lukt het niet de gewenste expressie te bereiken en de hele voorstelling van zaken is aan de zwakke kant.

Gek genoeg vertoont de voordracht van Tamas Vásary dezelfde eigenschappen met een negatieve invloed. En toch bevalt zijn weergave eigenlijk wel. Daaraan dragen zijn kristalheldere toon en de mooie ambiance van de opname veel bij; die versterken de elegante en kernachtige aspecten van het spel.

Eigenlijk altijd gold Alexis Weissenberg vooral als groot macho virtuoos die van vrijwel alle markten thuis was, maar een groot Chopinvertolker leek hij niet. Hier verbluft hij evenwel met mooie cantabile frasen en een duidelijke stemvoering. Maar soms kan hij zich onvoldoende inhouden en raast hij erop los. Interessant voor een keertje.

Met de nodige spontaniteit toont Samson François ons vooral Chopin als improvisator. Verder draagt zijn spel de kenmerken van Gallische helderheid en levendigheid waardoor melodielijnen mooi uitkomen. Hij maakt van de Nocturnes ingehouden miniatuur muziekdrama’s.

De in sommige kringen zeer bejubelde Italiaan Sergio Fiorentino stelt in dit repertoire lichtelijk teleur omdat hij zich teveel vrijheden veroorlooft, ornamenten te slordig afwerkt en waar het hem belieft octaven toevoegt. De ritmiek en lyriek worden geforceerd en op den duur gaat ook zijn vocale steun storen. 

Natuurlijk was Vladimir Ashkenazy altijd al een voortreffelijke Chopinspeler. Zijn integrale opname bleek echter een wisselend succes. Wat hij laat horen is een natuurlijk groot pianistische kunnen, maar onvoldoende engagement waardoor men de indruk van oppervlakkigheid overhoudt en de doorgaans uitstekende opnametechniek van Decca speelde hem hier nadelig parten. Het resultaat klinkt uiteindelijk wat onevenwichtig omdat de werken niet in één grote worp konden worden opgenomen.

Uitermate gepolijst, warm van toon en intiem klinkt de voordracht van Claudio Arrau. In een interview bekende hij dat hij de Nocturnes Chopins beste werken vond. Dat blijkt noot voor noot uit zijn zorgvuldige en liefdevolle behandeling. Het elders soms aanwezige licht pedante, nadrukkelijke en pedagogische element dat veel van zijn andere uitvoeringen aantast, ontbreekt hier. El zijn de tempi weer aan de trage kant. Maar de muziek ademt rustig en klinkt waarachtig dichterlijk.

Iemand als Fou Ts’ong is hierna een quantité négligable met zijn mechanische, verbeeldingloze spel. Zijn dynamiek blijft steeds meanderen rond mezzoforte, naar echt verstilde passages zoekt men vergeefs.

Garrick Ohlsson waagde zich tweemaal aan dit repertoire segment. Van die beide initiatieven slaagde dat uit 1979 relatief het beste. Hij huldigt over de hele linie een nogal trage, al te gewichtige opvatting op de grens van gemaniereerdheid.

De ‘live’ BBC opname van Shura Cherkassky werkt niet in zijn voordeel. Het blijft bij een paar mooie momenten.

In hoeverre Daniel Barenboim zich goed had voorbereid op de niet geringe taak om dit grote aantal stukken in één ruk op te nemen blijft een onbeantwoorde vraag. Mogelijk had hij het te druk met dirigeren, moest zijn aandacht teveel verdelen. In ieder geval klinken zijn interpretaties alsof hij de muziek handig en bekwaam a prima vista speelt. Merkwaardig genoeg krijgt Chopin hier ook een als Duits doende inslag.

Het begrip minimalistisch krijgt bij Peter Katin een nieuwe invulling. Hij is een musicus die wel met bescheiden middelen de kern van deze muziek treft, maar wiens voordracht geen toegevoegde waarde heeft. Het is allemaal keurig netjes en smaakvol met soms mooie details, maar het spreekt meer tot het verstand dan tot het gevoel.

Hierna is Livia Rev heel wat interessanter. Ze produceert een mooi warme toon, maar helaas heeft op den duur haar toucher een te uniform karakter om blijvend te boeien.

Jammer dat de goedkope uitgave feitelijk al meteen uit de boot valt vanwege de verre van optimaal geslaagde opnametechniek. Het mankeert aan presence en dus detail. Maar ook verder lijkt haar voordracht te weinig gevoel voor proportie en vorm te bezitten.

Op dezelfde manier als bij Barenboim heeft de lezing van de Française Brigitte Engerer, die de finishing touch van haar opleiding in Moskou kreeg, iets zwaarmoedig, moeizaam Slavisch. Ze is ook te gul met pedaalgebruik.

Het Japanse merk Pony Canyon dat in de jaren negentig enige tijd in Nederland was vertegenwoordigd door Emergo, bracht in 1991 een complete opname van Chopins pianowerken uit, gespeeld door louter Poolse kunstenaars. Ewa Poblocka nam op heel idiomatische manier de Nocturnes voor haar rekening, maar haar inbreng is nier langer voorhanden. Jammer, want de uitvoeringen zijn vol licht en schaduw en hebben iets bitterzoets dat best past.

Elisabeth Leonskaja profiteert van een prachtig klinkende opname, maar misschien juist ten gevolge daarvan valt op, dat haar interpretatie nogal methodisch en op het onvriendelijke af is. Het resultaat maakt dus helaas een saaie indruk.

Hierna is hetgeen Kathryn Stott voortovert een verademing. Ze levert zeer verzorgde uitvoeringen af met een royale dosis expressiviteit en de frasering en  het rubato. Sfeer genoeg, vooral ook dank zij de verscheidenheid in dynamiek.

Grappig genoeg herinnert het spel van Maria Tipo aan dat van Arrau: weloverwogen, gevoelig, met veel zorg voor de juiste toonkleur maar ook vrij introvert, zij het minder dan de Chileen. Ze scoort in elk geval hoog.

Wat Maria Joao Pires de luisteraar voorschotelt in een verrassend delicate lange reeks prachtige momenten is vooral zo treffend omdat het spel vol subtiel gemodificeerde toonbuigingen is. Maar het gaat om meer: niet dromerige melancholie en sereniteit, maar onderhuidse passie vormen een wezenlijk ingrediënt. Dat is steeds mooi te horen in de stormachtiger middengedeelten van elke nocturne. Maatstrepen lijken haast niet te bestaan voor haar. Ze maakt op klinkende manier waar wat André Gide over Chopin screef: “Hij legt iets voor, veronderstelt, maakt toespelingen, verleidt, overtuigt maar hij doet zich vrijwel nooit gelden”.

Tot de in onze contreien onbekenden behoort de Amerikaan David Allen Wehr. Wat hij laat horen herinnert een beetje aan Weissenberg, maar is bleker, onpersoonlijker. Zijn enige verdienste is dat hij een versie van op. 9/2 met geïmproviseerde versieringen als extra voorstelt.

De pianistiek van de Amerikaan Earl Wild kenmerkte zich eerder door beheerste kracht dan door fijnzinnigheid. Toch blijft bijzonder dat hij tot op hoge leeftijd heel kenmerkende en mooie opnamen bleef maken. Kwalijker is dast hij als pianist van een oudere generatie nogal vrijmoedig met de tekst omspringt en bijvoorbeeld octaven toevoegt zoals het deze maker van transcripties uitkomt. Dat hij veel genoegen beleefde aan het maken van deze opname is ook niet te horen. Bovendien speelt hij de stukken niet in chronologische volgorde.

Veel imposanter, veel stijlvoller is hierna Ricardo Castro. Niet alleen diept hij de begeleidingen mooi uit, hij verleent de melodieën een fraai zangerig karakter.

Niet onaangenaam plooibaar en met een fraai kleurenpalet vertolkt Aldo Ciccolini de Nocturnereeks. Zijn rubato klinkt spontaan en is mooi afgemeten. Het had hooguit wat dichterlijker gekund; de felle gedeelten klinken wel met passie. 

Iemand van wie erg veel verwacht mocht worden, is Maurizio Pollini. Sinds hij in 1960 in Warschau het Copinconcours won heeft hij heel wat imposante bijdragen aan de discografie van deze componist geleverd. Te denken valt aan de Tweede pianosonate, de Études en de Polonaises. Jammer genoeg blijken de Nocturnes hem minder te liggen, want hier vervalt hij weer in een afstandelijke, kille benadering. Het klinkt alles plichtmatig, zonder noblesse of mooie expressie, al te sober.

Wat Angela Hewitt laat horen, getuigt van moed, maar ook van een wat groot zelfbewustzijn en een apart soort authenticiteit. Interessant is het wat ze laat horen, maar ze gaat nogal rusteloos, te geagiteerd te werk en dat leidt tot onderbelichting van het poëtische. Ze is overtuigender met Bach.

Haast met teveel respect daarentegen is Israela Margalit aan de slag getogen. De intimiteit van haar spel valt te prijzen, maar haar zachte aanpak maakt dat de klank soms aan substantie verliest. Iets meer turbulentie in de middengedeelten had ook geen kwaad gekund. Het resultaat van het geheel is aangenaam, maar onvoldoende uitgevorst.

Overtuigender is hierna Bernard d’Ascoli die zijn eigen opvatting toont door niet in te gaan op een dromerig patroon, maar eerder assertief en erg levendig te werk gaat. Het klinkt spontaan en declamatorisch. 

Een vertolker als Vladimir Feltsman kan onmogelijk tot de meest fijnbesnaarde pianisten worden gerekend. Een uiterste aan gratie en poëzie lijkt niet zijn domein, maar de plotselinge heftigheid of wanhoop wel. Voor hem pleit dat hij her en der mooie versieringen toevoegt. Zijn zorg voor details voert echter soms te ver. Interessant voor een keertje, wat de Russisch-Amerikaanse pianist laat horen.

En dan Yundi Li. Een Liszt concours winnaar en daarna ook winnaar van het Chopinconcours in Warschau. Wat hij met de Nocturnes laat horen, is hem eigenlijk nog onwaardig. In technisch opzicht staat hij voor niets, maar in interpretatief opzicht komt hij niet verder dan een tamelijk prozaïsche voorstelling. Het ontbreekt over de hele linie aan allure en karakter.

Hoe anders is het wanneer men deze muziek hoort uit de handen van de oude meester Nelson Freire. Intimiteit, poëzie, overpeinzing zijn hier de onmiddellijk in gedachten komende trefwoorden. Toch vlamt waar nodig zijn spel ook even op.

 

Conclusie

 

Het kan misschien lijken dat het uiteindelijk moeilijk kiezen is tussen de vele opnamen. In de praktijk valt dat echter best mee. Ga in de eerste plaats voor de karaktervolle, dichterlijk/romantische  Pires (des recensenten voorkeur), de filosofisch-poëtische Arrau of de elegante, evocatieve Chopintovenaar Rubinstein. Probeer echter ook eens d’Ascoli, Freire en Castro. Of volg gewoon uw eigen voorkeur!

 

Discografie

 

1928. Leopold Godowski. Philips 456.805-2 (2 cd’s).

 

1931/7. Artur Rubinstein. EMI 764.491-2, Naxos 8.110659/60 (2 cd’s).

 

1947/51. Alfred Cortot. EMI 767.359-2 (6 cd’s).

 

1947/57. Nadia Reisenberg. Bridge BRIDGE 9276A/D (4 cd’s).

 

1950. Artur Rubinstein. RCA 09026-63026-2 (2 cd’s).

 

1955. Jan Smeterlin. Philips 438.967-2 (2 cd’s).

 

1956. Eugene Istomin. Am. Columbia SL 225 (2 lp’s).

 

1957. Alexander Brailowski. RCA 09026-68164-2 (2 cd’s).

 

1960. Moura Lympany. Dutton 2CDBP 9715 (2 cd’s).

 

1961. Ingrid Haebler. Vox VUX 2007/1-2 (2 lp’s).

 

1963. Adam Harasiewicz. Philips 442.266-2 (2 cd’s), Briljant Classics 93529 (2 cd’s).

 

1964. Stefan Askenase. DG 29304 (2 lp’s).

 

1964. Barbara Hesse-Bukowska. H.M.V. CLP 1846/7 (2 lp’s). 

 

1965. Artur Rubinstein. RCA 09026-63049-2 (2 cd’s).

 

1966. Ivan Moravec. Warner 7559-79564-2 (2 cd’s).

 

1966. Tamas Vasary. DG 469.350-2

 

1969. Alexis Weissenberg. EMI 573.830-2 (2 cd’s).

 

1970. Samson  François. EMI 574.457-2 (2 cd’s).

 

1974. Sergio Fiorentini. Saga EC 3388/9 (2 cd’s).

 

1974. Nikita Magaloff. Philips 6780.024 (2 lp’s), Newport ….. (6 cd’s).

 

1979. Vladimir Ashkenazy. Decca 452.579-2 (2 cd’s).

 

1978. Claudio Arrau. Philips 464.694 (2 cd’s).

 

1978. Fou Ts’ong. Sony SB2K 53249(2 cd’s).

 

1979. Garrick Ohlsson. Royal Classics DCL 70571-2 (2 cd’s).

 

1981. Shura Cherkassky. BBC Legends BBCL 4057-2

 

1981. Daniel Barenboim. DG 453.022-2 (2 cd’s).

 

1982. Abbey Simon. Vox CDX 5146 (2 cd’s).

 

1989. Peter Katin. Olympia OCD 254 (2 cd’s).

 

1989 Andrzej Wasowski. Concord CCD 42044 (2 cd’s).

 

1990. Livia Rev. Hyperion CDD 22013 (2 cd’s).

 

1991. Idil Biret. Naxos 8.550356/7 (2 cd’s).

 

1991. Ewa Poblocka. Canyon Classics PCCL 00139 (2 cd’s).

 

1992. Elisabeth Leonskaja. Teldec 0630-18949-2 (2 cd’s).

 

1993. Brigitte Engerer. Harmonia Mundi HMT 790.1430 (2 cd’s)

 

1994. Kathryn Stott. Unicorn DKPPCD 9147/8 (2 cd’s).

 

1994. Garrick Ohlsson. Arabesque Z 6653-2 (2 cd’s).

 

1994. Maria Tipo. EMI 572.755-2 (2 cd’s).

 

1995. Maria Joao Pires. DG 447.096-2 (2 cd’s).

 

1996. David Allan Wehr. Connoisseur CD 4211 (2 cd’s).

 

1996. Earl Wild. Ivory Classics IC 70701 (2 cd’s).

 

1997. Ricardo Castro. Arte Nova 74321-54451-2 (2 cd’s).

 

2002. Aldo Ciccolini. Cascavelle VEL 3064 (2 cd’s).

 

2004. Maurizio Pollini. DG 477.5718 (2 cd’s).

 

2004. Angela Hewitt. Hyperion CDA 67371/2 (2 cd’s). 

 

2004. Israela Margalit. Quartz QTZ 2022 (2 cd’s).

 

2005. Bernard d’Ascoli. Athena Minerva 23.201 (2 cd’s).

 

2009. Vladimir Feltsman. Nimbus NI 6126 (2 cd’s).

 

2009. Yundi Li. EMI 608.391-2 (2 cd’s).

 

2009. Nelson Freire. Decca 478.218-2 (2 cd’s).