Verg. Discografieën

CHOPIN: PIANOCONCERTEN NR. 1 EN 2

CHOPIN: PIANOCONCERTEN NR. 1 EN 2

 

Stilistisch gezien staat Chopin met deze beide jeugdwerken uit 1829 en 1830 dicht in de buurt van het destijds in Frankrijk geliefde concert brilliant. Net als de Russische was ook de Poolse cultuur destijds doortrokken van Franse invloeden. Maar ook de invloeden van Hummel en Field vallen niet te ontkennen en blijken uit de lange ononderbroken lijnen in de piano rechterhand, met name uiteraard in de lyrische langzame delen.

Achtergronden

Schijn bedriegt soms, zoals bekend. Zo is de nummering van Chopins beide pianoconcerten wat misleidend. Het ‘eerste’ in e op. 11 werd een jaar na het ‘tweede’ in f op. 21 gecomponeerd hoewel dat als eerste werd uitgegeven. Beide werken werden geschreven voordat Chopin definitief zijn vaderland verliet en stonden lang bekend als overdreven pianogericht met het orkest in een louter ondersteunende rol. Als bij een ballet dat als decoratieve omlijsting fungeert voor de briljante pirouettes en virtuoze sprongen van de dansers. Die opvatting negeert echter de historische context. 

Deze twee werken zijn geschreven in een tijd waarin de solist de belangrijkste rol vervulde; hoe virtuozer zijn of haar spel, des te beter en succesvoller. Chopin gebruikte eenvoudig een wat gemankeerd model en voerde het tot nieuwe hoogten. Natuurlijk zijn het geen concerten waarin het orkest zich kan onderscheiden, maar de fraaie melodieën die langskomen compenseren veel. De ondergeschikte rol van het orkest laat onverlet dat het in de lange inleidingen een sfeer van verwachting wekt voordat de vleugel zich laat horen.

De opnamen

Anno 2014 is het eigenlijk onbegonnen werk om een grondig overzicht en inzicht te geven van de enorme massa aan opnamen die intussen van deze werken zijn gemaakt. Van voordeel is dat gelukkig in de meeste opnamen logisch beide concerten zijn gecombineerd, wel is hieronder steeds de nadruk gelegd op nr. 1. Om tot een paar uitgesproken voorkeuren te komen, lijkt het niet strikt vereist om alles te hebben beluisterd. Om te beginnen kunnen intussen niet meer of slechts heel moeilijk verkrijgbare uitgaven worden overgeslagen. Verder is sprake van heel wat versies van onbekende solisten en orkesten waaraan hopelijk geen onrecht wordt gedaan als ze hier buiten beschouwing blijven.

Als uitgangspunt is het wel eens interessant om te zien welke invloed het winnen van het prestigieuze Chopin concours in Warschau in de loop der tijd heeft gehad.

Van de winnaars sinds Bella Davidovich in 1949 is Adam Harasiewicz (1955) na een korte strovuur periode snel uit beeld geraakt. Daarentegen schitteren de sterren van Maurizio Pollini (1960), Martha Argerich (1965) en Krystian Zimerman (1975) onverminderd sterk. Anderen, zoals Garrick Ohlsson (1970), Stanislav Bunin (1985) ondergingen een wisselender lot en Yundi Li (2000) wekt intussen ook de indruk van een gedoofd strovuurtje. Bij Rafal Blechaz (2005) blijken de latere prestaties nogal wisselend te zijn. Haast een nog interessantere rol speelde Ivo Pogorelich die in 1980 ondanks het pleidooi van jurylid Martha Argerich de eerste prijs net niet won. Jammer trouwens dat hij alleen het tweede concert (DG 410.507-2) opnam.

Winnaars van tweede en derde prijzen zoals Piotr Paleczny (derde prijs 1946) doen hooguit in de marge mee. De organisatie van de competitie maakt de laatste jaren wel dankbaar gebruik van de beschikbare media en documenteerde bijvoorbeeld vrij grondig de wedstrijd uit 2010 waaruit Yulianna Avdeeva als winnares naar voren kwam en Daniil Trifonov, Jevgeni Bozhanov, Ingolf Wunder en François Dumont mooie bijrollen vervulden. 

In het erg grote veld deelnemers worden al in de eerste vergelijkingsronde een principieel goede kanshebbers zoals Géza Anda, Friedrich Gulda, Emil Gilels (met ettelijke versies), Earl Wild, Annie Fischer, Alex Weissenberg, György Cziffra, Van Cliburn, Elisso Virsaladse, Sergio Tiempo, Charles Rosen, Jorge Bolet, Emanuel Ax, Vladimir Ashkenazy, Elisabeth Leonskaja, Boris Berezowsky, Lang Lang en Daniel Barenboim naar de zijlijnen verdrongen om van het behoorlijk grote aantal onbekenderen maar te zwijgen. 

Eveneens interessant is de inzet van Frans Brüggen en zijn Orkest van de achttiende eeuw. Hij bracht als een der weinigen de historisch verantwoorde uitvoeringspraktijk en bijbehorende klank in het spel en als de Argentijnse pianist Nelson Goerner dan ook nog een mooie Erard uit 1849 bespeelt, klopt het beeld mooi.

Maar wie zijn het nu eigenlijk in dat grote, best begaafde en goed toegeruste legioen solisten die een diepe blijvende indruk wekken? Als we de reeks chronologisch langs gaan, is dat natuurlijk allereerst Chopinspecialist Arthur Rubinstein die met de tijd diverse opnamen maakte. De op één na laatste, in SACD vorm heruitgebrachte uit 1961 is de beste herinnering. De pianist blinkt hier uit in de vormgeving van het hoofdthema en zijn beheersing van kleur en rubato in het larghetto zijn imponerend. Daar doet de niet ideale akoestiek van Carnegie Hall weinig aan af. Als haast gelijkwaardig moet Rubinsteins fraai gerestaureerde Naxosopname met Wallenstein (en in nr. 2 met Steinberg) worden genoemd.

Natuurlijk was ook Dinu Lipatti in zijn te korte leven een groot Chopinvertolker, maar op zijn vaak heruitgegeven opname horen we hem niet op zijn best. Zeker in Nederland was Stefan Askenase zestig jaar geleden een graag gehoorde gast. Goed dat zijn Haagse opname van een ouderwets stijlvolle verklanking is bewaard.

Jarenlang pronkte de opname van Maurizio Pollini die in Londen werd gemaakt kort nadat hij het concours in Warschau had gewonnen bovenaan de favorietenlijst. Hij won het pleit toen met zijn grote spontaniteit en zijn poëtische verfijning. Nog steeds imponeert hij zeer.

De aanpak van Samson François neigt naar het wat al te grootse, maar zijn voordracht is verder tintelend en fijn vitaal, net als de begeleiding door Frémaux. In het voorbijgaan is het goed ook de kristalheldere, heel dichterlijke weergave van de bescheiden Tamás Vásáry te signaleren. Bij hem eist het orkest haast de hoofdrol op.

Een aristocratische allure bezit het spel van Claudio Arrau zeker, maar of zijn flinke rubati tegenwoordig nog worden geaccepteerd? Op twaalfjarige leeftijd vertoonde Jevgeny Kissin destijds in Moskou al over een soevereine, rijpe opvatting te beschikken. Opvallend veel zelfvertrouwen straalt de verklanking uit. Opvallend zo goed als hij het cantabile beheerst. Best de moeite waard wat hij toen liet horen. In mindere mate geldt dit ook voor István Székely die heel raak de sfeer van deze muziek treft. Dichterlijk in de langzame delen, haast dansant in de finales; de begeleiding klinkt verfijnd.

Het kan zijn dat de aanwezigheid van publiek Murray Perahia in het Mann auditorium in Tel Aviv extra heeft bijgedragen aan een heel geïnspireerde interpretatie die urgent en supergevoelig klinkt. De tempi zijn wat sneller dan gewoonlijk, maar het orkest zorgt voor een geadelde begeleiding die aan een elegant totaal bijdraagt. Contrasten genoeg en dansinvloeden in de finales. Het resultaat is hier een stuk fraaier dan in Perahia’s New Yorkse opname, ook met Mrehta.

De Turkse leerlinge van Cortot en Kempff, Idil Biret, heeft voor Naxos het hele Chopincomplex in losse bijdragen geleverd. Behalve de betrekkelijke goedkoopte van het geheel viel het in interpretatief opzicht maar iets boven de middelmaat op. Het zou jammer zijn om achteloos voorbij te gaan aan Martino Tirimo die heel fijnzinnig en best meeslepend speelt. Mooi hier vooral ook de dromerige sfeer in het langzame deel. Dat alles ondersteund door geëngageerd orkestspel.

Wie graag een vooral vrij bescheiden en verinnerlijkte opvatting lief is, kan het beste terecht bij Maria João Pires. In dezelfde geest wordt ze haast ideaal begeleid door Krivine. Haar andere opname legt het hiermee vergeleken net af.

De grote lof geldt helemaal ook voor de tweede, definitieve opname van Martha Argerich en Dutoit. Na haar eerste opnamen van beide concerten in respectievelijk 1968 en 1978 toonde ze in Montréal nog meer mooi gedifferentieerd ingevulde blijken van passie en verdroomdheid. Bovendien klinkt het heel spontaan. Genuanceerde pianistiek op het hoogste niveau, ondersteund door een geen moment opdringerige virtuositeit. Het karakter van de muziek komt heel mooi naar voren, de begeleiding en de opname zijn ook erg fraai. Ook de eerdere opname van het eerste concert door Argerich met Abbado heeft weinig aan glans verloren, maar het is toch aangenamer beide concerten met haar met nog mooiere uitkomst bijeen te hebben.

Sinds hij artistiek leider is van het kamerorkest in Lausanne kan Christian Zacharias dat ensemble naar zijn hand zetten, zodat het zich precies voegt in zijn opvatting. Die is bovenal levendig en gedifferentieerd. Zelf voelt de pianist zich hier met een sprankelende invulling van de solopartij als een vis in het aangenaam warme water. Een heel geslaagd geheel, waaraan de fijne opname het nodige bijdraagt. 

Bij Shura Cherkassky val je van de ene verbazing in de andere: in het eerste deel is hij eigenzinnig, grillig, in het tweede uiterst bekoorlijk. Het moet moeilijk zijn geweest om hem behoorlijk te begeleiden.

In laatste instantie ontbreekt het Garrick Ohlsson die ook als Chopinspecialist door het leven gaat om de hegemonie van een Pollini, een Zimerman en een Argerich te doorbreken. Daarvoor is hij niet subtiel en aristocratisch genoeg voor. Bovendien trof hij het minder goed met dirigent Maksymiuk en diens routineuze, aardgebonden begeleidingen.

En dan is daar natuurlijk Krystian Zimerman: imposant  al toen hij als verse concourswinnaar in Warschau zijn eerste opname met Giulini maakte, maar veel persoonlijker toen hij zijn verder gerijpte inzichten kon vastleggen met een uitgelezen stel Poolse orkestmusici.

Een soort onbedorven luchtigheid en frisheid kenmerkt de bijdrage van Yundi Li, maar erg diep onder het virtuoze oppervlak graaft hij niet.

De ‘vette albums’ zijn hier buiten beschouwing gelaten. Dus ook de 5 cd’s Muso MU 005 met de documentatie van ’75 jaar Koningin Elisabeth concours in Brussel” waarin de beide Chopinconcerten langskomen met respectievelijk Leon Fleisher en Jeffrey Swann. Zo indrukwekkend als de carrière van Fleisher was, zo weinig hoorden we meer van Swann.

Kamermuziekversie

Toen hij een keer zijn eerste pianoconcert in Parijs in 1832 wilde uitvoeren, stond Chopin geen volwaardig ensemble ter beschikking en zorgde hij voor een arrangement voor piano met strijkkwintet. Of dat goed uitpakt met een gemis aan blazers is aan de luisteraar ter beoordeling. Wel blijkt dat in deze vorm een beter evenwicht is gevonden tussen piano en begeleiding. Het is nu allemaal wat kleinschaliger en in sommige opzichten aangenamer geworden. In elk geval maken voor Jean-Marc Luisada c.s. en vooral Funiko Shiraga c.s. er het beste van.

Andere arrangementen

Interessant voor een keertje is de eigen solobewerking van Josef Hofmann en de bewerking voor soloviool van Wilhelmj door de ex concertmeester van het Weens filharmonisch orkest Arnold Rosé die daarmee grappig genoeg voor de allereerste opname schijnt te hebben gezorgd.  

Conclusie

Niet slechts één uitverkorene is aan te wijzen. Daarvoor is de ‘eindstrijd’ te fel en blijft een groepje sterksten over. Daartoe behoren Argerich II, Zimerman II, Perahia II en Pollini. Wie hecht aan een oud klankgewaad komt vooral Goerner in aanmerking. Voor de rest moeten de eigen ideaalvoorstellingen van de individuele luisteraar de doorslag geven. Bij de kamermuziekvorm is het  Funiko Shiraga c.s. die de neus voor heeft. Geen van de dvd opnamen kon worden bekeken.

Discografie

1928. Alexander Brailowsky met het Berlijns filharmonisch orkest o.l.v. Julius Prüwer. Danacord DACOCD 336/7 (2 cd’s), DG 459.59221.

1930. Moriz Rosenthal met het Orkest van de Duitse Opera Berlijn o.l.v. Frieder Weissmann. Biddulp LHW 040, Pearl GEMMCD 9339, Appian APR 7503 (5 cd’s).

1931. Josef Hofmann met het New York filharmonisch orkest o.l.v. John Barbirolli. Altara ALY 1014.

1937. Arthur Rubinstein met het Londens symfonie orkest o.l.v. John Barbirolli. EMI 764.491-2 (2 cd’s) 455.334-2 (5 cd’s), Past Perfect 205636-303 (2 cd’s).

1946. Arthur Rubinstein met het New York filharmonisch orkest o.l.v. Bruno Walter. Dante HPC 127.

1949. Alexander Brailowsky met het RCA Victor symfonie orkest o.l.v. William Steinberg. RCA 09026-61656-2.

1950. Dinu Lipatti met het Tonhalle orkest Zürich o.l.v. Otto Ackermann. Archiphon ARC 127, EMI 767.163-2 (5 cd’s), 586.826-2 (2 cd’s), 763.497-2, Palexa CD0509 Jecklin JD 541-2, Archipel ARPCD 0418.

1951. Noel Mewton-Wood met het Nederlands filharmonisch orkest o.l.v. Walter Goehr. Dante HPC 105.

1952. Géza Anda met het  SWR Omroeporkest Baden-Baden en Freiburg o.l.v. Ernest Bour. Hännsler CD 94.208.

1953. Heinrich Neuhaus met USSR Omroeporkest o.l.v. Alexander Gauk. Russian Revelation RD CD 15007.

1953. Guiomar Novaës met het Bambergs symfonie orkest o.l.v. Jonel Perlea. Vox CDX 25513 (2 cd’s).

1954. Claudio Arrau met het WDR symfonie orkest Keulen o.l.v. Otto Klemperer. Urania URNSP 4230, AMG HUNTCD 511, Fonit Cetra CDE 1004, Music & Arts 625, ICA Classics ICAC 5054.

1955. Friedrich Gulda met het Londens filharmonisch orkest o.l.v. Adrian Boult. Philips 456.820-2 (2 cd’s), DG 477.8724 (2 cd’s).

1956. Géza Anda met het Philharmonia orkest o.l.v. Alceo Galliera. Testament SBT 1066.

1959. Stefan Askenase met het Residentie orkest o.l.v. Willem van Otterloo. DG 477.524-2 (7 cd’s).

1960. Maurizio Pollini met het Nationaal filharmonisch orkest Warschau o.l.v. Jerzy Katlewicz. DG 477.9529 (3 cd’s).

1960. Maurizio Pollini met het Philharmonia orkest o.l.v. Paul Kletzki. EMI 764.354-2, 769.004-2, DG 471.363-2, Philips 456.940-2 (2 cd’s). 

1961. Rosina Lhévinne met National Orchestral Association orkest o.l.v. John Barnett. Philips 456.889-2 (2 cd’s).

1961. Artur Rubinstein met het New symphony orkest Londen o.l.v. Stanislaw Skrowazewski. RCA RD 85612, 09026-61873-2, 82876-67902-2, 88725-40382-2 (4 cd’s). 

1962. Emil Gilels met het Moskou’s filharmonisch orkest o.l.v. Kyrill Kondrashin. Melodiya MEL 74321-40116-2 (5 cd’s).

1962. Earl Wild met het Royal philharmonic orkest o.l.v. Malcolm Sargent. Chesky CD 93 A.

1963. Gina Bachauer met het Londens symfonie orkest o.l.v. Antal Dorati. Mercury 434.37424.

1964. Arthur Rubinstein met het A. Scarlatti orkest Napels o.l.v. Franco Caracciolo. AMG HUNTCD 515.

1964. Annie Fischer met het Hongaars omroeporkest o.l.v. Peter Mura. Doremi DHR 7933-5.

1965. Samson François met het Nationale Opera orkest Monte Carlo o.l.v. Louis Frémaux. EMI 567.232-2. 

1965. Tamás Vásáry met het Berlijns filharmonisch orkest o.l.v. Jerzy Semkow. DG 429.515-2, 478.3617-9, 477.5510 (3 cd’s).

1967. Alexis Weissenberg met het Parijs’ Conservatorium orkest o.l.v. Stanislaw Skrowaczewski. EMI 769.751-2, 767.412-2 (2 cd’s).

1968. György Cziffra met het Orchestre de Paris o.l.v. György Cziffra. EMI 565.251-2.

1969. Van Cliburn met het Philadelpha orkest o.l.v. Eugene Ormandy. RCA GD 87945.

1970. Israela Margalit met het Philharmonia orkest o.l.v. Lorin Maazel. London FOOL 23035.

1970. Claudio Arrau met het Londens filharmonisch orkest o.l.v. Eliahu Inbal. Philips 420.706-2, 438.338-2 (2 cd’s), 426.147-2 (3 cd’s), 471.350-2 (13 cd’s).

1972. Emil Gilels met het Philadelphia orkest o.l.v. Eugene Ormandy. Sony SBK 463346, 88691-99136-2 (4 cd’s).

1974. Milosz Magin met het Nationaal filharmonisch orkest Warschau o.l.v. Andrzej Markowski. Accord 471.108-3 (10 cd’s).

1975. Garrick Ohlsson met het Pools Nationaal omroeporkest o.l.v. Jerzy Maksymiuk. EMI 762.512-2.

1977. Elisso Virsaladze met het Staats filharmonisch orkest Moskou o.l.v. Dmitri Kitajenko. Melodiya MEL CD 1001819.

1977. Krystian Zimerman met het Pools symfonie orkest o.l.v. Jerzy Maksymiuk. Fidelio 1813.

1978. Krystian Zimerman met het Los Angeles filharmonisch orkest o.l.v. Carlo Maria Giulini. DG 415.970-2.

1979. Krystian Zimerman met het Concertgebouworkest o.l.v. Kyrill Kondrashin. DG 419.054-2, 427.702-2 (3 cd’s).

1979. Murray Perahia met het New York filharmonisch orkest o.l.v. Zubin Mehta. CBS MK 42400, 35DC 64.

1980. Bella Davidovich met het Londens symfonie orkest o.l.v. Neville Marriner. Philips 462.459-2.

1981. Shura Cherkassky met het BBC Schots orkest o.l.v. Christopher Adey. ICA Classics ICAC 5085.

1983. Jean-Claude vanden Eynden met het RTBF omroeporkest Brussel o.l.v. Edgar Doneux. Schwann 311111 G1.

1984. Jevgeny Kissin met het Moskou’s filharmonisch orkest o.l.v. Dmitri Kitajenko. Melodiya MEL CD 10.011994, MEL 46092-2, Eurodisc Ariola 259.203, RCA 09026-68378-2, Olympia OCD 149.

1985. Stanislav Bunin met   het Nationaal filharmonisch orkest Warschau o.l.v. Tadeusz Strugala. Capriccio CD 10217.

1985. Annerose Schmidt met het Gewandhausorkest Leipzig o.l.v. Kurt Masur. Berlin Classics BC 9300-2.

1986. Stanislav Bunin methet NHK omroeporkest Tokio o.l.v. Yuzo Toyama. Baltic KNIGA MK 418026.

1986. Krystian Zimerman met het Concertgebouworkest o.l.v. Kyrill Kondrashin. DG 419.054-2, 427.702-2 (2 cd’s).

1987. Setrak Yaruvyan met het Gdansk  Baltisch filharmonisch orkest o.l.v. Wojciech Rajski. Chant du monde LDC 27890-2.

1987. Sergio Daniel Tiempo met het Boedapest symfonie orkest o.l.v. Eduardo Marturet. Fidelio CD 8817, Verdi 555.460-2.

1987. Martha Argerich met het Londens symfonie orkest o.l.v. Claudio Abbado. DG 415.061-2, 477.8124 (7 cd’s).

1988. István Székely met het Boedapest symfonie orkest o.l.v. Gyula Németh. Naxos 8.550123.

1988. Charles Rosen met het Philharmonia orkest o.l.v. John Pritchard. CBS MYK 45504.

1989. Murray Perahia met het Israel filharmonisch orkest o.l.v. Zubin Mehta. Sony SK 44922.

1989. Fou Ts’ong met Warschau Sinfonia o.l.v. Muhai Tang. Meridian CDE 84488.

1989. Eugen Indjic met het Warschau nationaal filharmonisch orkest o.l.v. Kazimierz Kord. Claves CD 50-8911.

1989. Maria João Pires met het Operaorkest Monte Carlo o.l.v. Armin Jordan. Erato 2292-45927-2.

1989. Jorge Bolet met het Montréal symfonie orkest o.l.v. Charles Dutoit. Decca 425.859-2.

1990. Emil Gilels met het Staats filharmonisch orkest Moskou o.l.v. Kyrill Kondrashin. RCA GD 69097.

1990.  Idil Biret met het Slowaaks omroeporkest o.l.v. Robert Stankovsky. Naxos 8.554540, 8.508004 (8 cd’s).

1990. France Clidat met het Nationaal filharmonisch orkest Warschau o.l.v. Wojciech Michniewski. Forlane UCD 16624.

1990.  Idil Biret met het Slowaaks omroeporkest o.l.v. Robert Stankovsky. Naxos 8.520003, 8.554540, 8.508004 (8 cd’s).

1990. Christopher Kite met de Hanover Band o.l.v. Roy Goodman. Nimbus NI 5291.

1991. Seta Tanyel met het Philharmonia orkest o.l.v. Carlo Rizzi. Collins 1263-2.

1991. Marc Laforet met het Philharmonia orkest o.l.v. Rudolf Barshai. EMI 555.072-2.

1991. Tzimon Barto met het Royal philharmonic orkest o.l.v. Adam Fischer. EMI 754.648-2.

1991. Piotr Paleczny met het Nationaal filharmonisch orkest Warschau o.l.v. Kazimierz Kord. Canyon Classics EC 3650-2.

1992. Bruno Rigutto met het Boedapest filharmonisch orkest o.l.v. Erich Bergel. Denon CO 75637.

1992. Hélène Gal met het Filharmonisch Festival orkest o.l.v. Vladimir Petroschoff. Bella Musica BM 312029.

1993. Nikolai Demidenko met het Philharmonia orkest o.l.v. Heinrich Schiff. Hyperion CDH 55180.

1994. Eldar Nebolsin met het Duits symfonie orkest Berlijn o.l.v. Vladimir Ashkenazy. Decca 448.138-2.

1994. Anna Malikova met het Moskou’s symfonie orkest o.l.v. Konstantin Krimetz. Amadis 7148.

1994. Martino Trimo met het Philharmonia orkest o.l.v. Fedor Gluschenko. Conifer 75605-51247-2.

1994. Olli Mustonen met het San Francisco symfonie orkest o.l.v. Herbert Blomstedt. Decca 444.518-2.

1994. Oliver Triendl met het Pools nationaal omroeporkest o.l.v. Takao Ukigaya. Thorofon CTH 2236.

1994. Emanuel Ax met het Philadelphia orkest o.l.v. Eugene Ormandy. RCA RD 85317.

1995. Sequeira Costa met het Royal philharmonic orkest o.l.v. Gilbert Varga. Membran 222821-203.

1995. Dubravka Tomsic met  het Omroeporkest Ljubljana      o.l.v. Anton Nanut. Vox Allegretto ACD 8198.

1997. Vladimir Ashkenazy met het Duits symfonie orkest Berlijn. Decca 460.019-2.

1997. François-René Duchable met het Capitole orkest Toulouse o.l.v. Michel Plasson. EMI 556.682-2.

1997. Jan Simon met het Praags filharmonisch orkest o.l.v. Jirí Belohlávek. Supraphon SU 4001-2.

1998. Maria João Pires met het Europees kamerorkest o.l.v. Emmanuel Krivine. DG 457.585-2, 479.12576.

1998. Riccardo Castro met Sinfonia Varsova o.l.v. Gerhard Schmidt-Gertenbach. Arte Nova 74321-59217-2

1998. Martha Argerich met het Montréal symfonie orkest o.l.v. Charles Dutoit. EMI 556.798-2, 084.031-2 (4 cd’s).

1998. Anna Malikova met het Turijns filharmonisch orkest o.l.v. Julian Kovatchev. Real Sound RS 95.10019.

1998. Paolo Giacometti met het Rotterdams Jong filharmonisch orkest o.l.v. Arie van Beek. Brilliant 99160. 

1998. Elisabeth Leonskaja met het Tsjechisch filharmonisch orkest o.l.v. Vladimir Ashkenazy. Teldec 3984-23449-2.

1998. Emanuel Ax met het Orchestra of the age of enlightenment o.l.v. Charles Mackerras. Sony SK 60771.

1999. Krystian Zimerman met het Pools Festival orkest. DG 459.684-2 (2 cd’s).

1999. Andrei Ivanovitch met het Tblisi symfonie orkest o.l.v. Vakhtang Kakhidze. HD Classics INF 1027.

1999. Pawel Kowalski met het Chopin Academia orkest o.l.v. Tadeusz Wojciechowski. Dux DUX 0162.

2000. Stanislaw Drzewiecki met Sinfonia Varsovia o.l.v. Grzegorz Nowak. DuxDUX 0199.

2000. Jeffrey Swan met het Haydn orkest Bolzano en Trento o.l.v. Christoph Eberle. Agora AG 264, Muso MU 005 (5 cd’s).

2002. Elena Margolina met het Folkwang kamerorkest Essen o.l.v. Stefan Faas. Ars FCD 368.427.

2002. Abdel Rahman El Bacha met het Orkest van Bretagne o.l.v. Stefan Sanderling. Forlane 16833.

2003. Kun Woo Paik met het Nationaal filharmonisch orkest Warschau o.l.v. Antoni Wit. Decca 475.169-2 (2 cd’s).

2003. Ewa Kupiec met het SWF omroeporkest Saarbrücken o.l.v. Stanislaw Skrowaczewski. Oehms OC 326. 

2003. Christian Zacharias met het Kamerorkest Lausanne . MDG 340.1267-2.

2004. Olga Kern met het Nationaal filharmonisch orkest Warschau o.l.v. Antoni Wit. Harmonia Mundi HMU 80.7402.

2004. William Youn met het Neurenbergs symfonie orkest o.l.v. Friedemann Riehle. Ars ARS 38.058.

2004. Garrick Ohlsson met het Nationaal filharmonisch orkest Warschau o.l.v. Kazimierz Kord. Hyperion CDS 44351/6 (16 cd’s).

2004. Janina Fialkowska met de Chamber players of Canada. ATMA ACD 22291.

2004. Garrick Ohlsson met het Nationaal filharmonisch orkest Warschau o.l.v. Kazimierz Kord. Hyperion CDS 44351/6 (16 cd’s).

2005. Dang Thai Son met het Orkest van de achttiende eeuw o.l.v. Frans Brüggen. Narodowy instytot F. Chopina NIFCCD 004.

2005. Denis Pascal met Orkest Les siècles o.l.v. François-Xavier Roth. Polymnie POL 750.237.

2005. Ewa Kupiec met het Melbourne symfonie orkest o.l.v. Christopher Seaman. ABC 476.4836.

2006. Yundi Li met het Philharmonia orkest o.l.v. Andrew Davis. DG 477.840-2.

2007. Ida Cernecká met het Slowaaks filharmonisch orkest o.l.v. Libor Pesek. Zeta ZET CD 808.

2007. Boris Berezovsky met het Ensemble orchestral de Paris o.l.v. John Nelson. Mirare MIR 047.

2007. Janne Mertanen met het Stedelijk orkest Joensuu o.l.v. Hannu Koivula. Alba ABCD 247.

2007. Oxana Yablonskaya met het Moskou filharmonisch orkest o.l.v. Dnitry Yablonsky. Bel Air Music BAM 214.

2008. Sandor Falvai met het Boedapest filharmonisch orkest o.l.v. Andras Kórodi. Laser 14003.

2008. Lang Lang met het Weens filharmonisch orkest o.l.v. Zubin Mehta. DG 477.7449, 477.798-2, 47785767, 480.6368 (4 cd’s), 479.0058 (12 cd’s).

2008. Sa Chen met het Gulbenkian orkest Lissabon o.l.v. Lawrence Foster. Pentatone PTC 5186-341.

2008. Vassily Primakov met het Odense symfonie orkest o.l.v. Paul Mann. Bridge 9278.

2009. Jan Lisiecki met Sinfonia Varsovia o.l.v. Howard Shelley. Narodowy Instytur F. Chopina NIFCCD 200.

2009. Tatiana Shebanova met Sinfonia Iuventus o.l.v. Tadeusz Wojchiekowski. Dux DUX 0741.

2009. Nobuyuki Tsujii met het Fort Worth symfonie orkest o.l.v. James Conlon. Harmonia Mundi HMU 90.7547.

2009. Eldar Nebolsin met het Nationaal filharmonisch orkest Warschau o.l.v. Antoni Wit. Naxos 8.572335.

2009. Rafal Blechacz met het Concertgebouworkest o.l.v. Jerzy Semkow. DG 477.8088.

2010. Janina Fialkowska met het Vancouver symfonie orkest o.l.v. Bramwell Tovey. Atma ACD 22643.

2010. Martha Argerich met het Orkest van de Italiaans-Zwitserse omroep Lugano o.l.v. Jacek Kaspszyk. EMI 070.836-2 (3 cd’s).

2010. Lukas Geniusas met het Nationaal filharmonisch orkest Warschau o.l.v. Antoni Wit. Narodowy Instytut F. Chopina. NIFCCD 604/5 (2 cd’s).

2010. Yulianna Avdeeva met het Nationaal filharmonisch orkest Warschau o.l.v. Antoni Wit. Narodowy Instytut F. Chopina NIFCCD 600-601 (2 cd’s).

2010. Ingolf Wunder met het Nationaal filharmonisch orkest Warschau o.l.v. Antoni Wit. Narodowy Instytut F. Chopina NIFCCD 602-603 (2 cd’s).

2010. Danill Trifonov met het Nationaal filharmonisch orkest Warschau o.l.v. Antoni Wit. Narodowy Instytut F. Chopina NIFCCD 606-607 (2 cd’s).

2010. Evgeni Bozhanov met het Nationaal filharmonisch orkest Warschau o.l.v. Antoni Wit. Narodowy Instytut F. Chopina NIFCCD 608-609 (2 cd’s).

2010. François Dumont met het Nationaal filharmonisch orkest Warschau o.l.v. Antoni Wit. Narodowy Instytut F. Chopina NIFCCD 610-611 (2 cd’s).

2010. Daniel Barenboim met de Staatskapel Dresden o.l.v. Andris Nelsons. DG 477.9520.

2011. Leonora Armellini met het Nationaal filharmonisch orkest Warschau o.l.v. Jacek Kaspszyk. Narodowy Instytut F. Chopina NIFCCD 615.

2012. Yulianna Avdeeva met het Orkest van de achttiende eeuw o.l.v. Frans Brüggen. Narodowy Instytut F. Chopina NIFCCD 029. 

Voor piano en strijkkwartet (en contrabas)

1996. Funiko Shiraga met het Yggdrasil kwartet en Jan-Inge Håukas (cb). BIS CD 847.

1998. Jean-Marc Luisada met het Talich kwartet en Benjamin Berlioz (cb). RCA 74321-63211-2.

2001. Piotr Paleczny met het Prima Vista kwartet en Janusz Marynowski (cb). DuxDUX 0150B.

2004. Vesko Stambolov met Evgenia-Maria Popova (v), Zefira Valova (v), Petya Ivanova (va) en Christo Christov (vc). Meta Records META 029.

2006. Tamari Honma met het Vilnius strijkkwartet. Somm SOMMCD 061.

2010. Gianluca Luis met het Ensemble concertant Frankfurt. MDG MDG 903.1632-6.

2012. Iris Hond met Sophia Torrenga (v), Wim Ruitenbeek (v), Galahad Samson (va), Daniel Petrovitsch (vc), Ying-Lai Green (cb). Step 2012,00-2 (3 cd’s).

Bewerking voor viool en piano Wilhemj

1910. Arnold Rosé met anonieme pianobegeleiding. Arbiter 148.

Bewerking voor pianosolo

1925. Josef Hofmann. Nimbus NI 8819, Dante HPC 002, VAI VAIA/IPA 1002, Klavier Records 1108-2.

Video

1954. Samson François met het Monte Carlo Operaorkest o.l.v. Louis Frémaux. EMI 501.9009-6 (dvd).

1964. Annie Fischer met het Hongaars omroeporkest o.l.v. Peter Mura. Doremi DHR 7933-5 (2 dvd’s).

1988. Tzimon Barto met het Orkest van de Italiaans-Zwitserse omroep o.l.v. Roderick Brydon. Cascade 80008 (dvd), RTSI 230122 (10 dvd’s).

1990. Idil Biret met het Slowaaks omroeporkest o.l.v. Robert Stankovsky. Naxos DVDI 1020 (dvd).

2009. Marek Drewnowski met het Pools nationaal omroeporkest o.l.v. Antoni Wit. Warner 50-51865-7106-2 (dvd).

2010. Nikolai Demidenko met het Nationaal filharmonisch orkest Warschau o.l.v. Antoni Wit. Accentus ACC 20104 (dvd).

2010. Kevin Kenner het het Orkest van de achttiende eeuw o.l.v. Frans Brüggen. Glossa GVD 921114 (2 dvd’s).

2011. Jevgeny Kissin met het Israel filharmonisch orkest o.l.v. Zubin Mehta. Euro Arts 2059458 (7 dvd’s), 2059098 (2 dvd’s).

2011. Lang Lang met het BBC Symfonie orkest o.l.v. Edward Gardner. BBC BBCDVD 3673 (dvd).