DEBUSSY: PRÉLUDES (geactualiseerd)
Vergelijkende Discografieen

DEBUSSY: PRÉLUDES I en II

 

De in twee banden met elk twaalf cameo’s gebundelde Préludes uit 1910 en 1913 van Debussy zijn in zoverre een bijzonderheid in het piano repertoire dat ze in gelijke mate aantrekkelijk zijn voor amateur- en beroepspianisten. De pianistische moeilijkheden daargelaten is hun direct aansprekende charme als impressionistische beelden even krachtig als de blijvende fascinatie van hun constructieve complexiteit.

 

Achtergronden

 

Ook gerelateerd aan de pianoliteratuur is Debussy een van de centrale vertegenwoordigers van de klassieke modernen. Zijn belangrijke verzameling Préludes publiceerde hij in twee banden, die vaak cyclisch worden uitgevoerd. Het notenbeeld geeft onder de afzonderlijke stukken (maar dus niet als titel!) een verwijzing naar de aan het desbetreffende stuk ten grondslag liggende buitenmuzikale voorstelling. Net als bij een schilderij in een museum. Voorgesteld worden op deze manier totaal verschillende zaken als een meisje, voetsporen in de sneeuw en een verdronken kathedraal. Wel gaat het hier om de laatste descriptieve pianomuziek die Debussy schreef. Titels als La cathédrale engloutie wijzen op en zekere verwantschap met de zinspelende wereld van de Images, doch andere, zoals Feux d’artifice en La dance de Puck wijzen eerder op de uitgaanswereld. Sommige deeltjes maken zelfs gebruik van populaire muziekinvloeden uit die tijd zoals het Napolitaanse lied of music-hall nummers.

Debussy componeerde gedurende zijn hele loopbaan voor piano, maar zijn prestaties op pianogebied lijken merkwaardig genoeg achter te blijven bij de revolutionaire standaard van technische en esthetische vernieuwing die zijn composities in andere vormen en media op elk gegeven moment kenmerken. Terwijl bijvoorbeeld al meesterwerken als het strijkkwartet, de Prélude à l’après midi d’un faune, de 3 nocturnes en de opera Pelléas et Mélisande al in 1902 waren verschenen toen Debussy veertig werd, duurde het tot 1903 voordat met Estampes zijn eerste volkomen kenmerkende en rijpe pianowerk ontstond. Vergelijkbaar ging het toen Debussy in 1912 zijn laatste belangrijke orkestwerk, Jeux, voltooide en het nog drie jaar duurde voordat hij met de études de kroon op zijn piano oeuvre zette in 1915.

Waarom deze geleidelijke, verlate verschuiving van de aandacht in de richting van de piano, een instrument dat duidelijk minder flexibel is wat zijn dynamisch en coloristisch bereik is dan het veelsoortige en veelzijdige orkest en minder direct qua gevoelsuitdrukking dan de menselijke stem? Het korte en krachtige antwoord luidt dat de piano voor Debussy een steeds bruikbaarder medium werd voor esthetische experimenten en expressie omdat hij het daar zelf geschikt voor maakte. Aangespoord door zijn rivaliteit met Ravel en ongetwijfeld geïnspireerd door de verleidelijke virtuositeit van de Catalaanse pianist Riccardo Viñes die veel eerste uitvoeringen gaf van werk van beide componisten, toverde Debussy een breder klankbereik, meer suggestieve kracht en een veelzijdiger toucher uit de piano dan welke componist die vòòr hem pianowerken schreef.

Debussy’s inventiviteit in dit opzicht was nooit levendiger dan in de twee bundels Préludes die hij in de periode van 1909 tot 1912 schreef. Geen enkele componist voor hem had ooit zo’n veelomvattend begrip gedemonstreerd voor de vergrote mogelijkheden dankzij de manipulatie van de pedalen die afzonderlijk en samen werden gebruikt. Een heel nieuwe, veel rijkere wereld aan sonoriteiten ontstond, zwevend, gelaagd en ingegoten in een ruimte die was ontstaan dankzij Debussy’s soevereine beheersing op dit gebied van de pianotechniek.

Nieuw ook was de mate waarin Debussy eiste dat zijn muziek een heel breed gamma aan buitenmuzikale indrukken en effecten kon creëren. De bladmuziek van de Préludes is doorspekt met aanwijzingen die van de muziek vandaan naar de buitenwereld verwijzen, of juist naar binnen, naar een emotie of een gevoelstoestand. Zo is bijvoorbeeld aan het begin van Des pas sur la neige vermeld dat dit “de klankkwaliteit van een triest en ijzig landschap” moet hebben.. Twee arpeggio’s in La sérénade interrompue moeten “woedend” worden aangeslagen en in Minstrels wordt van de pianist verwacht dat hij beurtelings “geestig”, “ontspannen” en “spottend” speelt.

Geboden als deze vereisen een veel ruimer bereik aan emotionele en technische reactie dan welke groep pianowerken uit het verleden dan ook. De plotselinge, soms heftige overgangen van sfeer en stemming binnen een paar luttele maten binnen een enkel stuk kennen hun weerga niet en maken een abrupt einde aan de traditionele opvattingen over eenheid van structuur, vorm en tonaliteit binnen de wereld van de piano compositie.

Debussy’s Préludes klinken nog altijd vrij nieuw en verbeeldingsvol fris; ze blijven tot de lastigste goed uit te voeren pianowerken behoren. Zoals gezegd bundelde Debussy deze werken in twee livres met twaalf stuks elk. Er is geen bepaalde volgorde van toonsoort om ze te ordenen en Debussy zelf, die de eerste uitvoering gaf van heel wat van deze Préludes, speelde er gewoonlijk een handje vol na elkaar en heeft deze werkjes nooit gezien als gesloten cyclus.

Niettemin ontstaat een groot gevoel van artistieke eenheid wanneer de serie als geheel wordt uitgevoerd. Dat komt ten delen door de thematische verbindingen die zijn geschapen tussen de verschillende deeltjes door de titels die Debussy daaraan meegaf. De natuur speelt daarin een belangrijke rol met Le vent dans la plaine, Brouillards, Feuilles mortes, net als mensen Général Lavine, Hommage à S. Pickwick en plaatsen Les collines d’Anacapri, La puerta del vino.

Frappant genoeg kende Debussy deze titels dus toe aan het eind van elk stuk en stonden ze er niet boven, waarmee hij  hun betekenis als verklaring en uitleg voor de inhoud van elke prélude wilde afzwakken om zo juist te wijzen op hun gangbaarder rol als katalysator van de verbeelding van de componist waardoor een bepaalde emotionele gedachte of muzikale gedachtenstroom in gang werd gezet.

De eenheid die de Préludes samen bindt hangt meer samen met de persoonlijkheid van de componist zelf. Als fundamentele oorzaak van deze fascinerende veelzijdige scheppingen kan de manier gelden waarop hij de wereld beschouwde, een manier die heel ontvankelijk is voor de kortstondigheid van het leven, de vluchtige aard van sensuele waarnemingen en de geïsoleerdheid van de menselijke ziel.

De overdracht van dergelijke waarnemingen via een unieke precieuze pianostijl is de blijvende prestatie van de Préludes. Zij vormen een van de hoogste pieken in Debussy’s carrière als componist. Verder gaat het hier om Debussy’s laatste pianowerk met beschrijvende titels. Sommige daarvan roepen herinneringen op aan de Images, (La cathédrale engloutie), andere hebben iets heel eigens (Feux d’artifice) of passen geheel in het meer algemene aspect van de Préludes (La danse de Puck). Niet zelden wordt ook gebruik gemaakt van elementen uit de populaire muziek, zoals het Napolitaanse lied of music-hall nummers. Aan de ene kant zijn ze in technisch opzicht misschien wat toegankelijker dan de Images, aan de andere kant zijn ze in pianotechnisch opzicht veeleisender. Eigenlijk alleen de Etudes vergen nog meer van de pianist.

 

De opnamen

 

Als het er op aankomt een geschikte integrale opname van de Préludes te kiezen, zijn de geluidskwaliteit en de vraag wat een “authentieke”, op Debussy toegesneden uitvoeringsstijl is de twee belangrijkste criteria. Een helder, evenwichtig geluid is cruciaal willen de veelgelaagde complexiteit van Debussy’s schrijfwijze, de geparfumeerde weerklank en de geheimzinnige onderbrekingen passend gedifferentieerd en ontrafeld de oren van de luisteraar bereiken. Een tweede overweging is van economische aard: mee op grond van de tempokeus en de tussenpauzes vergen sommige uitgaven met een totale speelduur van tachtig minuten of meer twee cd’s (vaak met aanvulling), andere slechts eentje. Jammer genoeg zijn die versies op een cd zelden de beste, getuige o.a. Tateno, Tirimo en Thiollier. Gunstige uitzondering: Gieseking.

Een volgende overweging is of men opteert voor een volledige opname van alle 24 deeltjes, voor slechts één band of voor een selectie. Volledigheid lijkt een voor de hand liggende deugd in dit geval. Toch zijn er pianisten die zich tot één band of een selectie beperkten: Cortot (Biddulph) als eerste in de discografische geschiedenis in 1931 helaas, die net als Arnold (Ambitus), Deichmann (Con Brio), O’Rourke (Chandos) en Van Immerseel (Channel Classics) alleen de eerste band uitvoerde; van Nagai is er alleen een tweede. Dat Van Immerseel halverwege stopte valt extra te betreuren omdat hij op een Erard vleugel uit 1897 speelde, het soort instrument dat Debussy zelf benutte. De klank is bescheiden en wat omfloerst, maar heeft ook iets verleidelijks behalve in de forte passages. In het hoge register is de klank wat eenkleurig en droog, maar dat komt een stuk als La sérénade interrompue ten goede. Ook de schaduwwereld uit Des pas sur la neige wint hierbij. Maar verder is dit meer een uitgave voor specialisten.

Zoals gewoonlijk zijn sommige andere versies niet of nauwelijks leverbaar en vallen dus ook af. 

In geluidstechnisch opzicht heeft bijvoorbeeld de fraai geregistreerde opname van de onbekende Gordon Fergus-Thompson (ASV) een streepje voor. Deze Engelse pianist toont ook veel inzicht, maar het ontbreekt hem in laatste instantie toch teveel aan dat laatste beetje technisch en verbeeldingsvol raffinement. Min of meer hetzelfde geldt voor die andere Engelse pianist, Paul Crossley (Sony). Wel bijzonder fraai opgenomen in zijn hele Debussy reeks is Zoltan Kocsis (Philips), maar jammer genoeg toont de Hongaarse pianist zich uitgerekend hier wat routineus en haast ongeïnteresseerd. Hij negeert dynamische aanduidingen en uit zich nu eens op ongemotiveerde en explosieve wervelwinden, dan weer op eigenzinnige sforzati. Eigenzinnigheid troef, net of de muziek hem niet erg interesseert.

Versies van Antonioli (Claves), Arrau (Philips), Nagai (BIS), Haas (Philips), Diev (Arte Nova), Lasry (Arkadia), Lee (Auvidis), Meyer (EMI), Paraskivesko (Calig), Tateno (Pony Canyon), Thiollier (Naxos), Tichman (Wergo) en Varsi (Mediaphon) maken alle een meer dan plichtmatig competente indruk, maar overtuigen in laatste instantie ook niet volkomen. Martin Jones klinkt veelbelovend, maar de zwemmerige Nimbusopname bederft het voor hem. Michel Béroff is ook altijd erg goed en interessant, maar redt het hier evenmin.

De opname die Robert Casadesus dateert uit dezelfde tijd als die van Gieseking: 1953/4. Met name in het tweede livre blinkt hij uit: Brouillards, Feuilles mortes en de lichte virtuositeit in Feux d’artifice blijven in herinnering. Toch blijft het beeld van destijds overeind: Casadesus is op z’n best in de solowerken van Ravel, waarin hij Gieseking overtreft en bij Debussy is het omgekeerd door een haast onverwacht plus aan subtiliteit en sfeer bij de Duitse pianist. 

De Amerikaan Paul Jacobs die hier en daar een wat langzaam tempo kiest weet de sfeer van de meeste stukken raak te treffen en frappeert soms met bijzonder inzicht zoals in La danse de Puck met een heel luchthartige aanpak. Catherine Collard, die beschikt over een superieure technische beheersing, veel flair en een uitgesproken evocatieve verbeelding. Haar voordracht is indringend en rijk genuanceerd; de RCA opname klinkt uitstekend.

Dino Ciani was ooit een interessante debutant op DG, maar omdat hij een paar jaar later stierf, hebben we helaas niets meer van hem grehoord. Ook hij beschikt over een geweldige techniek, getuige Feu d’artifice en hij vertolkt de Préludes met smaak en intelligentie.

De te jong gestorven Joeri Egorov was een geweldige pianist met een volledige wapenrusting. Zijn techniek getuigde van meesterlijke beheersing, hij beschikte over een enorm stijlbesef en kon – zoals hier – enorm gevoelig en sfeervol spelen. De opname is aan de wat galmende kant.

Pascal Rogé profiteert om te beginnen van de prachtige registratie door Decca einde jaren zeventig van zijn prachtige pianotoon met een heel stevig basfundament. Kenmerkend voor hem zijn veel poëtisch gevoel, een heel communicatieve stijl en een erg genuanceerde benadering. 

Waarna voor de short-list de volgende kandidaten overblijven:

“Feilloos” is een begrip dat opkomt bij het luisteren naar Michelangeli. Maar die feilloosheid moet worden bekocht met heel wat onderkoeld en sfeerloos spel als het om de expressieve inhoud gaat. Het zijn vertolkingen die haast alleen tot extreme haat/liefde reacties leiden. Voiles bijvoorbeeld klinkt wonderbaarlijk door de manier waarop de klanklagen zijn gescheiden en de dynamiek is ingezet; in het potentieel chaotische Ce qu’a vu le vent de l’ouest klinkt uiterst beheerst en onder controle. In Brouillards wordt de gelijkmatigheid van Michelangeli’s articulatie in de pianissimo rechterhand benut om een storend en uit balans brengend effect te veroorzaken alsof de mist dreigend ronddraait, terwijl in Les tierces alternées de snelle zestienden tertsen kraakhelder worden afgepeld. Maar zoals opgemerkt: voor al deze technische perfectie en verbluffende effecten moet een hoge prijs worden betaald. Als levende, ademende Debussyvertolkingen gaat het hier om onpersoonlijk want koud vuur. Aanduidingen als “blij”, “licht”, “afstandelijk”, “teer”, “vriendelijk” en “treurig” worden over het hoofd gezien ter wille van meer objectivering. Het resultaat: technisch fabuleus spel, dat in gevoelsmatig opzicht te wensen overlaat.

Van de Hongaarse pianiste Livia Rév staan twee opnamen ter beschikking. De oudere daarvan uit 1980 is de beste.  De opname valt wat tegen: de opname klinkt erg direct met weinig ruimte er omheen en bevat meer ruis dan men mag verwachten. In interpretatief opzicht staat de pianiste tussen de zeer beeldende Gieseking en de indringende analyticus Michelangeli. Ze voegt een eigen element van humor en affectie toe. Haar voordracht van Le terasse des audiences du clair de lune is typerend voor de smaakvolle afweging van de gevoelswaarden, terwijl Canope ondanks een paar vreemde arpeggio’s aan de ene kant iets verontrustends en aan de andere iets zeldzaams en verstilds krijgt. Aan de lichtere kant wordt Général Lavine – eccentrique prachtig geobserveerd en is Hommage à S. Pickwick Esq. Vol spottende gewichtigdoenerij. Een zo gevoelige, humane aanpak verdient respect.

De andere pianist naast de succesvolle Rogé die grotelijks van Decca’s opnametechniek profiteert, is Jean-Yves Thibaudet. Het grote bereik aan toonkleur en dynamiek uit zijn spel komt haast spelenderwijs over. Er is een enorm gamma aan halftinten. Maar ook aan pure virtuositeit is geen gebrek, getuige het fantastische Feu d’artifice. Hij is uitstekend toegerust voor deze materie met een imposante techniek en het vermogen om uiterst vloeiend te spelen. Vooral zijn beheersing van kwijnende klanken is bijzonder, zoals aan het begin van La cathédrale engloutie. Waar het hooguit aanontbreekt, is aan een duidelijke, geprononceerde opvatting. Brouillards bijvoorbeeld klinkt heel gelikt en imposant, maar ook te terughoudend, ontdaan van zijn peinzend karakter. La puerta del vino, een extroverter stuk, klinkt bestudeerd met een gebrek aan doorstroming. In de eerste band is er soms eenzelfde gebrek aan kleur. Zowel Les collines d’Anacapri als Ce qu’a vu le vent de l’ouest zijn gedeeltelijk erg goed, maar toch wat te episodisch met gedeelten vol levendige, virtuoze verbeelding tegenover oppervlakkige, niet voldoende uitgewerkte passages.

Reeds gedurende de jaren dertig en veertig genoten de Debussyvertolkingen van Walter Gieseking een grote reputatie, maar pas in respectievelijk 1953 en 1954 zorgde hij voor een lp opname van alle Préludes. Het werd wel een opname die tot de dag van vandaag toe een “definitief” karakter had en heeft. Gieseking was waar het om Debussy gaat de haast onovertroffen sfeerschilder par excellence. Niemand herschept de kilte en het onheilspellende gehuil van Ce qu’a vu le vent de l’ouest met meer nabootsende waarheid en zowel Les sons et les parfums tournent dans l’air du soir als Les collines d’Anacapri kinetische kwaliteiten bezitten die in geen enkele andere vertolking voorkomen. La cathédrale engloutie is een bijzonder succes en bezit alle kwaliteiten die men zich maar kan wensen, plus een dosis spontaniteit. Er kunnen hooguit wat vraagtekens worden geplaatst bij sommige eerder abstracte, minder duidelijk gespecificeerde picturale préludes. Het naakte sneeuwlandschap uit Des pas sur la neige wordt nogal oppervlakkig betreden; Voiles wordt ook wat hard voortgestuwd en Feuilles mortes veroorzaakt niet de gewenste morbide en hypnotiserende stemming. Maar dit zijn slechts hyperkritische kanttekeningen bij een levendige en kleurige interpretatie waarvan de monoklank nog heel aanvaardbaar is. Dit is op zijn minst een in historisch opzicht bijzonder waardevolle uitgave.

Komen we tot slot aan de meesterlijke verklanking van Krystian Zimerman. De sleutel tot zijn succes is de bijzondere mate waarin hij vrijelijk, haast improviserend de locale details precies verwerkt in combinatie met een stevige greep op de totale vorm en structuur van ieder deeltje. La cathédrale engloutie bezit in de beginmaten een volmaakt rustige sfeer; de klokachtige effecten zweven als het ware en wekken een diep gevoel van melancholie. De pianist bouwt de climax spannend en sonoor op naarmate de legendarische kathedraal uit de omineuze diepte oprijst. La danse de Puck is opwindend dankzij het tere, elfjesachtige spel en Ce qu’a vu le vent de l’ouest is vol elementair natuurgeweld. Vaak wordt beweerd dat livre 2 muzikaal ongelijkmatiger is dan de eerste band, maar Zimerman lijkt haast het tegendeel te bewijzen, zoals onder andere het onvoorspelbare en wispelturige Les fées sont d’exquises danseuses illustreert. Tot slot geeft Zimerman in Feu d’artifice blijk van een enorme virtuositeit en verontrustende kracht. Wat Zimerman verder van de anderen onderscheidt, is zijn gevoelige reactie op de geheimzinnige en spirituele apartheid waarvan Debussy’s muziek hier is doortrokken, hoewel hij deze nooit obscuur laat worden. De opnamen klinken vrijwel ideaal.

Sfeervol, rijk geschakeerd komt uit onverwachte hoek een voortreffelijke lezing van de Brit Osborne. Hij weet zowel de intieme, verstilde als de uitbundige zonder virtuoze opsmuk weer te geven in spel dat getuigt van een heel natuurlijke spontaniteit: het is mede daardoor uitstekend bestand tegen veelvuldige herhalingen.

Als ervaren en idiomatisch vertolker van Frans pianorepertoire is Pascal Rogé niet te versmaden. Hier speelt hij met een haast improvisatorisch aandoende charme en dringt hij op simpele wijze door tot de kern der materie. Maar soms wil hij ook wat provoceren door veel controverses te zorgen. Probeer en vergelijk in dit verband de ‘Sérénade interrompue’ en ‘Minstrels’. Op andere momenten lijkt zijn technische beheersing niet optimaal en zo ontbreekt het tenslotte duidelijk wat aan karakter en distinctie.

Melvyn Tan met zijn moderne fortepiano is zoals meestal een geval apart. Zijn kennelijke enthousiasme gaat vaak op de loop met hem en dan gaat hij eigenzinnig te keer: luid, ongenuanceerd, prozaïsch. En wat erger is dikwijls ook heel slordig. Probeer het ten onrecht langsdaverende ‘Le vent dans la plaine’ en het nuchtere, onrustige ‘La cathédrale engloutie’, de chaotische ‘Danse de Puck’. Zelfs zijn bewonderaars kunnen hier niet blij mee zijn.

De voorlopig laatste nieuwe opname is die van Bavouzet met een stel uiterst liefevol en verzorgd gerealiseerde miniaturen. Onderweg vindt hij menige onvermoede nuance en laat hij tal van fraaie details uitkomen. De aanpak is enigszins aan de soft focus kant, maar klinkt heel aangenaam. Deze pianist hoeft de sterkste concurrentie niet te vrezen en de Chandos opname klinkt nagenoeg ideaal. Interessant dat hij de volle tachtig minuten speelduur benut door ook nog te verrassen met de onlangs teruggevonden Prélude ‘Les soirs illuminés par l’ardeur du charbon’.

Wat de paar afzonderlijke opnamen van Band I betreft, is de opname van Michelangeli natuurlijk heel bijzonder. Ogawa speelt die band helder en verfijnd, nu eens lichtelijk mysterieus, dan weer teveel abstraherend, alles aan de tere, zachte kant. Vervelend dat de opname zo direct en opdringerig klinkt.

Bij Jos van Immerseel schuilt het aparte en bekoorlijke in het gebruik van een oude Erard vleugel uit 1897. Authentiek mag dat wezen, maar het resultaat met vrij lelijke forti klinkt te eenkleurig en saai. Interessant voor een keertje.

 

Tot zover ging de discografie in december 2007. Najaar 2015 is een goed moment voor een poging tot actualiseren. Niet alleen nieuwe uitgaven konden worden toegevoegd, ook werden nog wat eerder verschenen exemplaren gevonden die een plaatsje kregen in de discografie. Maar veel bleef ook slechts op papier voort te leven en geconfronteerd met de grote totale hoeveelheid ontbrak het aan geduld en moed (en geld) om ze maar proberen te lenen. Dat is een handicap, maar er is wel aanleiding om nog wat opmerkingen toe te voegen.

De opname van de grote Mozart en Debussyvertolker Hans Henkemans wekt dierbare herinneringen omdat ik hem hem herhaaldelijk heb horen spelen. Voor Joeri Egorov geldt iets dergelijks. Enigszins tegen de verwachting in troffen ook Håkon Austbö en de Australiër Duncan Gifford met hun voordracht. En waarom niets naders over Pollini ? Omdat hij hier simpelweg erg teleurstelt.

 

Conclusie

 

Een uitgesproken voorkeur voor Zimerman met zijn zo boeiende, telkens raak getroffen miniaturen is evident. Gieseking moet men ook gehoord hebben.  Michelangeli is meer voor bijzondere gelegenheden, Osborne en Bavouzet zijn het proberen waard, Rév heeft de pech van een minder goed klinkende opname, Thibaudet en Rogé profiteren daarentegen van prachtig geluid, maar dringen interpretatief niet echt door tot de top. Van hen is Thibaudet met zijn extra dosis panache in het voordeel en dè keus voor een optimum van interpretatie en geluidskwaliteit voor degenen die de geluidskwaliteit voorop stellen. Kocsis veroverde ook ooit een warme plek in mijn gemoed.

Bij de video opnamen biedt de dvd van Barenboim alleen de eerste band. Zijn pianospel is op zichzelf fraai omlijst door gefotografeerde fragmenten uit de correspondentie van de componist, gefilmde herinneringen van tijdgenoten en natuurimpressies. Helaas blijkt Barenboim geen ideaal Debussyvertolker te zijn: zijn aanpak is weinig subtel en intiem zodat geen al te vleiend beeld van de muziek ontstaat.

Jammer dat de stijlvollere Frank Braley zich maar tot een paar nummers beperkte.

Wie ikzelf als cd favorieten steeds klaar heb staan? Gieseking, Zimerman en Aimard. Zij drieën belichten samen alle aspecten van deze vierentwintig stukken van alle kanten. 

 

 Discografie

 

Compleet

 

1931. Alfred Cortot. (Gedeelten). Biddulph LHW 006

 

1952/3. Hans Henkemans. Philips 462.083-2 (2 cd’s), Decca 478.311-2.

 

1953/4. Robert Casadesus. Sony 60795 (2 cd’s). 

 

1953/7. Friedrich Gulda. Philips 456.817-2 (2 cd’s).

 

1953/4. Walter Gieseking. EMI 761.004-2 (1 cd mono), 565.855-2 (4 cd’s), 567.233-2 (2 cd’s).

 

1953/6. Albert Ferber. EMI 083.380-2 (2 cd’s).

 

1955. Friedrich Gulda. Philips 456.817-2 (2 cd’s).

 

1956. Marcelle Meyer. EMI 767.405-2 (6 cd’s). 

 

1958. Dinorah Varsi. Mediaphon 72158 (2 cd’s).

 

1962. Ilja Hurnik. Panton 81.9025-2 (2 cd’s).

 

1962. Werner Haas. Philips 438.718-2 (2 cd’s), Teldec 4509-94827-2 (4 cd’s). 

 

1963. Monique Haas. Erato 4509-94827-2 (2 cd’s).

 

1968/70. Samson François. EMI 568.988-2, 769.434-2 (2 cd’s).

 

1970. Jean Boguet. Tudor CD 731/4 (4 cd’s).

 

1971. Noel Lee. Auvidis Valois V 4440 (4 cd’s).

 

1971. Alexei Lubimov. Melodiya MEL 10.0200-2 (2 cd’s).

 

1972. Dino Ciani. DG 453.070-2 (2 cd’s). 

 

1974. Aldo Ciccolini. EMI 754.448-2 (2 cd’s).

 

1976/80. Theodore Paraskivesco. Calliope CAL 9831/4, Indésens INDE 041 (4 cd’s).

 

1977. Paul Jacobs. Nonesuch 7559-79474-2 (2 cd’s).

 

1978/9. Arturo Benedetti Michelangeli. DG 4449.438-2.

 

1979. Claudio Arrau Philips 432.304-2 (2 cd’s). 

 

1979. Pascal Rogé. Decca 443.021-2 (2 cd’s).

 

1980. Livia Rév. Saga EC 3377-2 (2 cd’s). 

 

1981. Philippe Cassard. MusiDisc 242.082 (2 cd’s).

 

1982. Arturo Benedetti Michelangeli (Band I). BBC Legends BBCL 4043-2.

 

1983.  Joeri Egorov. Classics for pleasure CFP 4805, EMI 573.656-2 (2 cd’s). 

 

1984. Jacques Rouvier (Band I). Denon C37-7121).

 

1985. Cécile Ousset. EMI 747.608-8,  573.535-2 (2 cd’s).

 

1985. Alain Planès. Harmonic 8506/7 (2 cd’s).

 

1985. Anker Blyme. Danacord DACOCD 505.

 

1986. Jean-François Antonioli. Claves 50-9008 en 8607 (2 cd’s).

 

1987/8. Yukie Nagai. BIS CD 371 en 405 (2 cd’s).   

 

1988. Arturo Benedetti Michelangeli. DG 449.438-2 (2 cd’s), Mediaphon D 999.101 (2 cd’s).

 

1988. Izumi Tateno. Pony Canyon classics PCCL 00122.

 

1988. Martin Jones. Nimbus 5162 (2 cd’s).

 

1988/9. Izumi Tateno. Canyon Classics PCCL 00122, Finlandia FACD 411.

 

1989. Jeni Zaharieva. AVM AVMCD 1012.

 

1989/90. Jean-Bernard Pommier. Virgin 261.421-2.  

 

1990. Gordon Fergus-Thompson. ASV CDDCS 5-06 (5 cd’s). 

 

1990. Martino Tirimo. Carlton 30367-0079-2.

 

1990. Philippe Cassard. Adda 581.223 (2 cd’s), Decca 476.4770 (4 cd’s).

 

1991. Aldo Ciccolini. EMI 754.448/9-2 (2 cd’s).

 

1991. Krystian Zimerman. DG 435.773-2 (2 cd’s). 

 

1990/1. Livia Rév. Hyperion 44061/3 (3 cd’s). 

 

1992. Paul Crossley. Sony 52583, 53111 (2 cd’s).

 

1993. Jos van Immerseel. Channel Classics 1098 (4 cd’s). 

 

1993. Catherine Collard. RCA 74321-49185 (2 cd’s).

 

1993. Robert Groslot. Vanguard 089102.

 

1994. Gerald Gifford. Walsingham Classics WAL 80162-2.  

 

1994. Nina Tichman. Wergo CD 6243/4-2 (2 cd’s).

 

1994. Duncan Gifford. ABC 476.290-0 (2 cd’s).

 

1994/5. Jean-Yves Thibaudet. Decca 452.022-2 (2 cd’s). 

 

1995. Stefan Arnold. Ambitus 97930. 

 

1996. François-Joël Thiollier. Naxos 8553293.

 

1996. Alain Planès. Harmonia Mundi HMX 2908209.13 (5 cd’s).

 

1996. Stany David Lasry. Arcadia 63 (2 cd’s). 

 

1996/7. Zoltan Kocsis. Philips 456.568-2 (2 cd’s). 

 

1997. Michel Dalberto. BMG 4321-60629-2.

 

1997. Jan Michels. Eufoda 1276 (2 cd’s).

 

1998. Valerie Tryon (Band I). Paradisum CD 10.

 

1999. Tamas Vesmas. Atoll ACD 599.

 

1999. Bruno Canino. Stradivarius STR 33364.

 

1999. Jean-Pierre Armengaud. Arts 47576-2.

 

1999. Andrei Diev. Arte Nova 74321-34053 (2 cd’s).

 

1999. Maurizio Pollini. DG 561.421-2 (2 cd’s).

 

2001. Fou Ts’ong. Meridian CDE 84483/4-2 (2 cd’s).

 

2002. Wojciech Switala. Bearton CDB 024/5 (2 cd’s).

 

2002/5. Noriko Ogawa. BIS CD 1205, 1355, (2 cd’s).

 

2003. Georges Pludermacher. Transart TR 128 (2 cd’s).

 

2003. Evgeni Koroliov. Tacet 131 (2 cd’s).

 

2004. Michel Béroff. Denon CO 78848 (2 cd’s).

 

2004. Pascal Rogé. Onyx ONYX 4004.

 

2004. Melvyn Tan. Deux-Elles DXL 1092. 

 

2005. Håkon Austbö. Simax PSC 1251 (2 cd’s).

 

2006. Steven Osborne. Hyperion CDA 67530.

 

2006. Jean-Efflam Bavouzet. Chandos CHAN 10421.

 

2006/7. Jorge Federico Osorio. Cedille CDR 90000.098 (2 cd’s).

 

2007. Catherine Kautsky. Centaur CRC 3308.

 

2007. Denis Pascal. Eloquentia EL 0814.

 

2008. Jean-Bernard Pommier. Hyperion 44061/3 (3 cd’s).

 

2010. Hiroko Sasaki. Piano Classics PCL 0064.

 

2011. Alexeï Lubimov. ECM 472.2241/2 (2 cd’s).

 

2011. Michael Korstick. Hänssler CD 93.290/1 (2 cd’s).

 

2012. Gilead Mishory. Neos 21303/4 (2 cd’s).

 

2012. Philippe Bianconi. La dolce volta LDV 07.

 

2012. Pierre-Laurent Aimard. DG 477.998-2.

 

Fragmenten

 

1913. Fragmenten uit Band I (pianorollen). Debussy. Dal Segno DRSCD 001, Piano Circus PERIANO 001. 

 

1961. Band 1 (ged.). Sviatoslav Richter. BBC Legends BBCL 4021-2.

 

1968. Band 2. Sviatoslav Richter. Nuova Era 2311.

 

1969. Band 1. Yvonne Lefébure. Vogue 672004, Solstice SOCD 239.

 

1970. Band 1. Dino Ciani. Istituto discografico Italiano IDIS 6468/9 (2 cd’s).

 

1971. Band 1. Vladimir Ashkenazy. As Disc 121.

 

1988.Band 1. Marita Viitasolo. Ondine ODE 732-2.

 

1989. Band 1. Dang Thai Son. Victor VICC 31.

 

1992. Band 1. Miceàl O’Rourke. Chandos 9078.

 

1992. Band 1. Jos van Immerseel. Channel Classics CCS 4892.

 

1993. Band 1. Francine Kay. Analekta FL 23135.

 

1994. Band 1. Oleg Maisenberg. Glissando 779.030-2.

 

1998. Band 1. Peter Donohoe. Global Music Network GMNC 01.06.

 

1998. Band 1. Alice Ader. Pianovox PIA 517-2.

 

2000. Band 1. François Chaplin. Pierre Verany PV 700031.

 

2001. Band 1. Sergey Schepkin. Centaur CRC 2644.

 

2003. Helena Ginès. Anacrusi AC 043 (2 cd’s).

 

2005. Band 1. Takayuki Ito. Arion ARN 63755.

 

2005. Band 2. Russell Sherman. Avie AV 2164.

 

2007. Band I. Spencer Myer. Harmonia Mundi HMU 90.7477.

 

2008. Band 1 : Nelson Freiere. Decca 478.111

 

2009. Band 1. Yeol Eum Son. Harmonia Mundi HMU 90.7507. 

 

2011. Band 1. Amir Tebenkhin. Genuin GEN 12227.

 

2011. Band 2. Chenyin Li. Genuin GEN 12228.

 

2012. Band 2. Ivo Kaltchev. Gega New GD 369.

 

2013. Band 1. Nino Gvetadze. Orchid ORC 100041.

 

Video

 

2001. Daniel Barenboim (band I). TDK DVDOCEQY (dvd).

 

2005. Frank Braley. (Korte selectie) Naïve DR 2114 (dvd).