GERSHWIN: RHAPSODY IN BLUE

GERSHWIN: RHAPSODY IN BLUE 

Als de “American way of life” ooit aardig muzikaal in beeld is gebracht, dan wel in George Gershwins Rhapsody in blue. Geboren en getogen in Brooklyn kende de zoon van Russisch-Joodse ouders New York als zijn broekzak en al op jonge leeftijd wist hij zijn indrukken in kwart-, achtsten- en zestienden noten om te zetten. Beginnend met die sluipende klarinetsolo kreeg dit met melodieën volgeladen symfonisch gedicht voor piano en orkest een klassieke status. De ideale pianist voor dit werk is degene die een instinctief gevoel voor de ritmen van een Broadway musical combineert met de beheersing, vingervaardigheid en kracht van de klassiek geschoolde pianist. Het andere vitale ingrediënt zijn een dirigent en een orkest met een soortgelijke mix van vaardigheden. 

Achtergronden

Paul Whiteman had veel succes geboekt met het verwateren van pure jazz om die aanvaardbaar te maken voor de blanke middenklasse Amerikaan. Met het bestellen van de Rhapsody in blue bij Gershwin wilde hij daarin nog een stap verder gaan door jazz ook respectabel te maken een publiek uit de wereld van de klassieke muziek. Zonder zich daarvan bewust te zijn, was Milhaud hem daarin al voorgegaan met zijn La création du monde.De New York Tribune van 4 januari 1924 was een optreden van de band van Paul Whiteman op het spoor die 12 februari (Lincolns verjaardag) een concert onder de titel “An experiment in modern music” met nieuwe Amerikaanse muziek in de New Yorkse Aeolian Hall zou geven. “George Gershwin werkt aan een jazzconcert”, meldde het artikel, “Irving Berlin schrijft een gesyncopeerd symfonisch gedicht..” Toen George Gershwin dat las, was hij de eerste die hiervan hoorde. Op 4 januari had hij namelijk nog geen noot geschreven.Gershwins stuk kwam tegen het eind van dat bewuste concert als een aangenaam blijk van exuberante en oorspronkelijke energie temidden van een programma dat met orkestarrangementen van populaire liedjes echt een doekje voor het bloeden was.Tijdslimieten hebben soms een merkwaardig inspirerend effect op de creatieve sappen. Drie weken later had hij een versie voor twee piano’s klaar van een werk voor ‘piano en jazz band’, een vrij, ritmisch geschakeerd, losjes geconstrueerd werk – met andere woorden een rapsodie – met elementen van Tschaikovsky, Liszt, Debussy, Ravel en Amerikaanse jazz die gefuseerd waren tot zijn eigen onnavolgbare melodische gaven en zijn vlotheid op de piano. Tezelfdertijd werkte hij koortsachtig aan de finishing touches van zijn muzikale komedie Sweet little devil.Paul Whitemans Palais Royal Band kon niet echt worden omschreven als een ‘jazz’ band: het ensemble bevatte ook violen, hoorns en verder accordeon, celesta, fluit en hobo als instrumenten die de 23 musici ter beschikking stonden. Whitemans huisarrangeur, Ferde Grofé, orkestreerde Gershwins werk; hij kende precies de samenstelling van Whitemans orkest, wist wat elke speler in zijn mars had en wie welk instrument kon verdubbelen. Gershwin zelf had maar een beperkte ervaring met orkestreren (hoewel hij in tegenstelling tot de gangbare opvatting bepaald geen nieuweling was zoals zijn uitgebreide kladbladen aantonen).De titel van het werk was een vondst van George’s broer Ira. Aanvankelijk zou het losjes in snel/langzaam/snel ingedeelde eendelige werk, in essentie een reeks geïnspireerde showmelodieën die onderling à la een pianoconcert van Liszt door virtuoze effecten waren verbonden, gewoon American rhapsody heten; maar dezelfde dag waarop George een gedeelte van het werk voor het eerst voorspeelde aan vrienden, was Ira naar een tentoonstelling met werk van Whistler geweest. Daar had hij Nocturne in blue and green en Harmony in grey and green gezien. Waarom dus niet Rhapsody in blue? Die titel klonk interessant en was ook heel descriptief voor de twee muzikale culturen die hier een amalgaam vormden: de Europese (rapsodie) en de Amerikaanse (blues).De Rhapsody was een haastklus – dermate gehaast dat sommige solopassages moesten worden geïmproviseerd tijdens de eerste uitvoering. Maar eenmaal af ging het stuk behoren tot de meest gespeelde twintigste eeuwse werken. Dat gebeurde dan in de oorspronkelijke gedaante, in de volledige orkestversie die Grofé in 1927 leverde of in de sindsdien ontstane myriade andere arrangementen. Welke van beide arrangementen van Grofé verkieslijk is, blijft een kwestie van persoonlijke voorkeur. Beide zijn op verschillend niveau effectief, maar het waren het samengaan van jazz – of tenminste de jazz van blanken – en de tweedehands Europese traditie plus de duidelijke onvolmaaktheden en naïviteit van de opzet die de Rhapsody tot een vorm doorbrekend werk maakten.  

De opnamen

Gershwin zelf was trots op zijn eigen opnamen van de Rhapsody in blue. Dat bevestigde hij telkens weer. Het lijkt erop te wijzen dat hetgeen we de componist zelf horen spelen heel duidelijk in overeenstemming moet zijn met hoe hij vond dat het stuk moest worden uitgevoerd. Als dat al klopt, is het verbazingwekkend vervolgens te moeten vaststellen dat zoveel pianisten en dirigenten het beter denken te weten. Waarom veronachtzamen ze anders tempo indicaties, dynamische aanduidingen, waarom veroorloven ze zich ‘verbeteringen’ en wekken ze de indruk dat het hier om een partituur gaat die straffeloos kan worden aangepast? Bij Liszt zouden ze dat nooit wagen. Waarom dan wel bij Gershwin?Even frappant is het aantal eersterangs pianisten dat Gershwin nooit aanraakt – Pollini, Brendel, Ashkenazy en Richter. Misschien vinden ze dit om welke reden dan ook beneden hun waardigheid.Niettemin valt de hieronder opgenomen waslijst met in principe leverbare cd opnamen van het werk zelfs zonder aanspraak te maken op volledigheid in de eerste plaats op door zijn lengte. Materiaal genoeg! Een splitsing vooraf naar de gebruikte versie helpt bij het uitsorteren. Maar vaak is de verstrekte documentatie bij de opnamen zo vaag dat het moeilijk is een exacte indeling te maken; foutjes in dit opzicht zijn derhalve denkbaar. Wat verder opvalt, is dat zich zoveel kaf onder het koren bevindt.Neem allereerst de versie met jazz band. Degenen die te zeer van de partituur afwijken zoals Andrew Litton als solist en dirigent op Carlton. Jammer eigenlijk want op twee cd’s geeft hij een fraai Gershwin overzicht, dat o.a. ook de versie voor twee piano’s met Peter Donohoe en Martin Roscoe bevat. Een ander uiterste biedt Wayne Marshall die een soort Liberace vertoning geeft; Michael Borishin valt af omdat het orkest in zijn opname een te dominante rol speelt. Michael Tilson Thomas is als dirigent en solist best stijlvol, maar toont niet de minste charme en James Levine verzorgt een verrassend liederlijke weergave van de solopartij, maar zijn Chicago band stoort zich te weinig aan Gershwins tempo indicaties. Ivan Davis is te gekunsteld, Pennario toont verve, maar blijft aan het oppervlak en Boriskin vertoont veel flair maar weinig gevoel. William Tritt last 48 maten in (waarvan 44 voor de pianosolo) die Gershwin na de eerste uitvoering schrapte. Fascinerend te horen – het is de enige opname die dit extra bevat – maar men begrijpt dra waarom Gershwin ze vervolgens wegliet en Tritt is te beleefd in zijn voordracht. Van Earl Wild bestaan drie opnamen. De oudste met het orkest van Whiteman is het aantrekkelijkst, maar niet de openbaring waarop men mocht hopen.Later, in de meer symfonische versie is hij bij het Boston Pops orkest onder Arthur Fiedler best speels, maar tamelijk ongeëngageerd en wordt hij geteisterd door dof geluid en een gebrek aan orkestraal detail. In de live uitvoering met Toscanini is hij beter, maar opnieuw is de klank erg pover. Verder valt Benny Goodman op die zijn hoge Es verknoeit in maat 10.Kurt Masur beschikte over de minst aantrekkelijke solist, Siegfried Stockigt, die geen enkele notie heeft van Gershwins idioom en die verder wordt gehandicapt door het onaantrekkelijke geluid dat hij voortbrengt. Stanley Black is solist en dirigent in een versie van olifantachtig formaat en met een overdaad aan klankweelde. Gwyneth Pryor is bleekjes en zonder verbeelding als solist, ook de klarinet is oninteressant; Eugene Liszt is een stuk evenwichtiger, maar zijn Telarc cd heeft het nadeel slechts 33’54” minuten muziek te bevatten.Boyan Vodenicharov zorgt verrassend genoeg voor een best karakteristieke vertolking met uitstekende Bulgaarse blazers solisten, maar de stereo opname klinkt vrij primitief. De versie van Leonard Bernstein uit 1959 met het Columbia symfonie orkest (het New York filharmonisch?) is door Sony telkens in andere vorm uitgebracht. Hij gebruikt de gecoupeerde uitgave van de pianosolo als uitgangspunt voor wat waarschijnlijk de meest toegeeflijke en vulgaire vertolking van het werk is; hij eindigt met een echt swinging van het slotoctaaf van het hoofdthema.Hij herhaalde dat later in Los Angeles voor DG. Van Philips is een aardig drietal ter beschikking. Werner Haas en het opera orkest uit Monte Carlo onder Edo de Waart zijn acceptabel zonder bijzonder te wezen; André Previn levert een teleurstellend routineuze, al te voorspelbare uitvoering en maakt een paar kwalijke coupures voor het langzame thema. Mischa Dichter en Neville Marriner lijken zich tenminste te amuseren en staan minder lang stil bij quasi fraaie momenten dan menig rivaal; er wordt met panache en veel muzikaal inzicht gespeeld. Jammer van die slechte bandlas na 13’52”. Het is slechts een greep uit de grote reeks opnamen, waarvan alleen de hierna gesignaleerde versies echt de moeite waard zijn.Natuurlijk moeten in de eerste plaats de twee bij Pearl verschenen cd’s van de componist zelf worden genoemd. Helaas, heel spijtig, bevatten ze beide dezelfde forse coupures: 32 maten vanaf 4’22” en daarna 103 maten tot aan cijfer 4 vóór het beroemde langzame thema. En dan nog eens 27 maten van het gedeelte met herhaalde noten en een deel van het coda. Ross Gorman, Whitemans eerste klarinet die vijf dagen lang moest experimenteren voordat hij het riet vond waarmee hij het beruchte glissando aan het begin kon realiseren, speelt in beide opnamen. (Overigens: noch Grofé, noch Gershwin voorzagen het 17 noten lange loopje van de aanduiding gliss; die komt pas voor het eerst voor in de volledige partituur uit 1927).Gershwins spel is koel, luchtig, onnadrukkelijk, moeiteloos. Een stijl die veel van de huidige solisten niet kunnen of willen volgen. In de tweede opname uit 1927 waarin wordt gebruik gemaakt van Grofé’s uitgebreidere orkestratie, klinkt de piano minder goed in beeld en lijken de orkestleden minder pret te hebben. De ‘lachende’ klarinet en de wha-wha trompet zijn er wel, maar gedempt, minder fris.David Schiff heeft in zijn goede Cambridge Music Handbook over de Rhapsody deze opname bestempeld als het origineel van wat later de “Hollywood Bowl” stijl van interpretatie zou worden. In een bestek van drie jaar was het werk al begonnen aan een reis van een rauw jazzy origineel naar een orkestraal showpiece concert.Wie de componist met een band het hele werk wil horen spelen beschikt daartoe over één mogelijkheid. Men moet zich dan onderwerpen aan de (kunstig ingedubde) Duo Art pianorol uit 1925/6, die werd gebruikt bij een uitvoering door Michael Tilson Thomas en de Columbia jazz band. De pianoweergave klinkt echt verschrikkelijk voor zover die te horen is boven de manische directie van Tilson Thomas uit. Lonender en onthullender is diezelfde pianorol in dezelfde onbewerkte vorm van het gehele werk op Nonesuch.Waar Gershwin de pianist uitnodigt om assai staccato, agitato e misterioso of sognando te spelen, deed hij dat niet voor de grap. Louis Lortie heeft niet alleen deze instructies gezien, hij heeft ze ook in zijn spel betrokken wat belangrijker is. Hij is onder andere op grond hiervan de meest overtuigende en muzikaal aantrekkelijkste solist in de versie uit 1924. Hij is fris en spontaan waar collega’s aarzelend en bij benadering te werk gaan. Van de ruim dertig solisten is hij ook een van de zeer weinigen die het lage D octaaf bij 6’06’ vier maten aanhoudt en die de subtiele accenten in de linkerhand na 7’12’, 7’59’ en nogmaals na 8’05’ in acht neemt: die passage wordt prachtig gespeeld. Het is mogelijk niet zo belangrijk als detail, maar wel wanneer men eens precies wil horen wat de componist schreef.Het uit violen en celli bestaande kwartet speelt het andantino heel mooi en elders is de tokkelende banjo goed te horen. Ook de tuba spelers kunnen zich duidelijk manifesteren en Harmen de Boer blaast helaas een onidiomatische klarinetsolo. Zo wordt Grofé’s kleurige arrangement veel recht gedaan. Grofé, zelf een vaardig banjospeler, betrok het instrument nadrukkelijk in dit werk, maar het is lang niet altijd goed te horen in de andere vertolkingen. Dirigent Richard Duffalo slaagt er heel goed in om de aandacht te richten op de dialoog tussen solist en band en hij zorgt voor een helder lijnenspel.Waar hij minder overtuigend is, geldt voor de tempo overgangen (vooral aan het begin waar het werk dreigt te desintegreren en de aanpak wat te zwaarwichtig is). Wat de versie voor pianosolo aangaat, is Louis Lortie (Chandos) ook de beste aanbeveling.De temperamentvolle Joanna MacGregor vormt met dirigent Carl Davis een winnend team in een versie die vrij gebruikelijk is gekoppeld met het pianoconcert en An American in Paris. Zowel de solist, de dirigent als het orkest weten kennelijk hoe ze zwier moeten brengen in hun interpretatie. Ze lijken veel schik te hebben in de onderneming. De twee grote Flatterzunge accoorden van het koper (3’38” en 14’32”) zijn tomeloos rauw terwijl de eerdere figuurtjes van klarinet en trompet het beeld van New York oproepen met stoom en al die uit de rioolput deksels opstijgt. Dit is een duidelijk onsentimentele aanpak van het werk, maar het ontbreekt waar nodig niet aan espressivo.Davis’ lichte toets laat hem alleen even in de steek in de più mosso behandeling van het eerste thema (7’54”) dat teleurstellend hoekig klinkt. Joanna MacGregor is naar verwachting een klasse apart; ze schotelt subtiele maar sprekende details op, bijvoorbeeld de vier halve noten in de rechterhand in maat 55 en 56 (2’36”) en de zes in de maten 58-60 (2’39”) die door een groot aantal rivalen eenvoudigweg worden overgeslagen.De enige haarkloverij betreft MacGregors smaakvolle doch onnodige versieringen van het vijfde thema (de passage die na 8’55” begint) en die ze bovendien niet zoals aangegeven a tempo speelt, doch niet zo langzaam als sommige andere, met name Amerikaanse pianisten die dit fragment om een of andere duistere reden opvatten als een piano blues. De in 1990 in de Londense Henry Wood Hall gemaakte opname klinkt resonant en ruimtelijk, maar met haast teveel galm.Dat is in laatste instantie waarover deze versie struikelt; het is te volgen aan het aandeel van het slagwerk, met name van het bekken: er is teveel van het orkest en onvoldoende van de jazz band. In wezen is deze ‘originele’ versie ook niet echt origineel, maar een soort hybride die enige toevoegingen uit de partituur voor groot orkest bevat, zoals de violen bij 11’09” waar Grofé slechts een solo specificeerde.De orkestbijdrage in de opname van Peter Donohoe en London Sinfonietta onder Simon Rattle levert deze interpretatie een plaats apart op. De opname is rijk aan detail en het orkest ontwikkelt veel vaart en verve. Bovendien wordt er met een glimlach gemusiceerd. De anonieme klarinettist zet de toon met een verrassende herschepping van Ross Gormans unieke voordracht van het 17 noten lange glissando aan het begin. Alleen in de oorspronkelijke opname van Gershwin en Whiteman zijn de soli van klarinet en trompet met zoveel blijk van humor gespeeld – het “lacheffect” was een populaire nieuwigheid destijds.Rattle geeft zijn solisten de nodige vrijheid, maar ze blijven toch aan de veilige kant, soms haast al te respectabel. Sinfonietta beschikt over een stel kostelijk gutturale saxofoons en lawaaierige trombones en tuba’s; ze wekken de indruk dat ze de wereld van Whiteman willen doen herleven. In een dergelijke partituur als een echt gefragmenteerde lappendeken is Rattle heel succesvol om de indruk te wekken dat het om een naadloze compositie gaat, hoewel zijn exuberante directie soms Donohoe dreigt te maskeren (luister naar het fragment dat na 14’41” begint). Mogelijk hadden de technici hier ook een vinger in de pap.Donohoe lukt het niet helemaal om zijn klassiek gevormde mantel af te schudden, wat voor menig pianist in dit werk geldt. Soms blijkt dat wat nadrukkelijk, zoals bijvoorbeeld na 7’20” en 9’53” vlak voor het andantino; hij is meer espressivo dan con moto in de solo die volgt op de grote melodie. Maar Donohoe levert wel een van de meest nauwkeurige en ritmisch levendige vertolkingen. Wat betreft een goed samenhangende lezing vormen Donohoe en Rattle een uitstekend team dat uitstekend overtuigt. De aanvulling bestaat uit voortreffelijke arrangementen voor solo piano van een 18-tal van zijn liederen.Howard Shelley en Yan Pascal Tortelier zorgen voor de in feite meest spirituele en rijke versie van de partituur uit 1927, de uiteindelijke Rhapsody in blue for piano and orchestra. Dit is een uiterst muzikale en kan daaraan worden toegevoegd intelligente affaire. Shelley kan even magistraal en dichterlijk als grillig en dartel zijn. De vleugel is in volmaakte balans met het orkest vastgelegd en Yan Pascal Tortelier belicht ieder detail uit Grofé’s partituur, zoals bijvoorbeeld de gong bij 4’23”, de lang aangehouden hoornnoten in het coda (15’54”-16’07”) en zelfs af en toe een glimp van de banjo. Dat zijn kleine kleurflitsen die elders helaas maar al te vaak verloren gaan maar die veel verschil maken in een opname die liefst goed tegen herhaling bestand moet zijn.De klarinettist doet zijn best met een imitatie van Ross Gorman en er is ook een heel ontroerende weergave van het andantino thema. De strijkers van het Philharmonia orkest ontwikkelen een prachtig passende klank en de grandioze herhaling van het hoofdthema bezorgt de luisteraar rillingen. Als extra bonus zijn daar nog even kernachtige uitvoeringen van het Pianoconcert en de Tweede rapsodie.Tot slot moet nog even melding worden gemaakt van de (moeilijk verkrijgbare) opname van Oscar Levant uit 1945. Die zal lang niet ieders cup of tea zijn, zeker niet vanwege de gebrekkige geluidskwaliteit, maar het is en blijft een waardevolle visie op het werk. Levant heeft als vriend van de componist de pianopartij wat geretoucheerd, hij bracht ook wat coupures aan en jaagt door het werk heen (met 12’47” is hij de snelste), maar gedurende dit proces slaagt hij er beter dan de meeste anderen in om de geest van het origineel uit 1924 te treffen terwijl hij de versie uit 1927 gebruikt.   

Conclusie

Het is grappig hoe smaken en opvattingen verschillen. In sommige recensiegidsen worden vooral de opnamen van Bernstein, Boriskin, Previn , Davis, Pennario, Pryor, Haas, Dichter en Wild aanbevolen. Uitvoeringen die hier voor een groot deel al in de eerste ronde sneuvelden. Hieruit blijkt de dominante rol die de eigen opvatting over het werk speelt. Op grond van het bovenstaande zijn het vooral Previn, Shelley en Donohoe en in iets mindere mate MacGregor en Lortie die de voorkeur verdienen, Lortie ook voor de soloversie. En Gershwin zelf blijft natuurlijk hors concours in de race. 

Discografie

 

Jazz band versie 1924

Michael Boriskin met het Eos orkest o.l.v. Jonathan Sheffer. BMG/Classic FM 75605-57012-2. 1998

Peter Donohoe met London Sinfonietta o.l.v. Simon Rattle. EMI CD PETER 2, 747.991-2, 754.280-2.

George Gershwin met de Paul Witeman band. Pearl GEMMCD 0022, GEMM CDS 9483. 1927

George Gershwin met de Columbia jazz band o.l.v. Michael Tilson Thomas. Sony 42240.

James Levine met leden van het Chicago symfonie orkest o.l.v. James Levine. DG 431.625-2. 1990

Andrew Litton met het Royal philharmonic orkest o.l.v. Andrew Litton. Carlton 30367-0106-2. 1987

Louis Lortie met het Nederlands Blazers ensemble e.a. Chandos CHAN 9210. 1993

Wayne Marshall met het City of London Sinfonia o.l.v. Richard Hickox. Virgin 759.520-2, 572.123-2

.Marcus Roberts met het Lincoln Center jazz orkest o.l.v. Robert Sadin. Sony 68488.

William Tritt met het Cincinnati jazz orkest o.l.v. Erich Kunzel. Telarc CD 80166, 80445. 1981

Earl Wild met het Paul Whiteman orkest. VOR 70702. 1945 

Orkestversie 1927

Daniel Adni met het Bournemouth symfonie orkest o.l.v. Kenneth Alwyn. Classics for Pleasure 9020.

Tzimon Barto met het Londens filharmonisch orkest o.l.v. Andrew Davis. EMI 749.495-2.

Leonard Bernstein met het Columbia symfonie orkest o.l.v. Leonard Bernstein. Sony 42619, 47529, 62738, 63086. 1958

Leonard Bernstein met het Los Angeles filharmonisch orkest o.l.v. Leonard Bernstein. DG 410.025-2, 439.425-2. 1982

György Cziffra met het Hongaars staatsorkest o.l.v. Zoltan Roznyai. Hungaroton HCD 31569. 1955

Stanley Black met het London festival orkest o.l.v. Stanley Black. Belart 450.062-2, Decca 433.616-2, 448.953-2. 1966

Ivan Davis met het Cleveland orkest o.l.v. Lorin Maazel. Decca 443.389-2. 1974

Mischa Dichter met Philharmonia orkest o.l.v. Neville Marriner. Philips 411.123-2.

Gary Graffman met het New York filharmonisch orkest o.l.v. Zubin Mehta. Sony 53549.

Werner Haas met het Monte Carlo opera orkest o.l.v. Edo de Waart. Philips 442.395-2.

Jenö Jandó met het Boedapest filharmonisch orkest o.l.v. János Sandor. Laser 15606.

Julius Katchen met het Londens symfonie orkest o.l.v. Istvan Kertesz. Philips 456.859-2. 1968

Raymond Lewenthal met het Metropolitan symfonie orkest o.l.v. Oscar Danon, Chesky CD 56.

Eugene List met het Eastman-Rochester orkest o.l.v. Howard Hanson. Philips 462.859-2 (2 cd’s) 1957

Eugene List met het Cincinnati symfonie orkest o.l.v. Erich Kunzel. Telarc CD 80058. 1981

Andrew Litton met het Dallas symfonie orkest o.l.v. Andrew Litton. Delos 1606.

Louis Lortie met het Montréal symfonie orkest o.l.v. Charles Dutoit. Decca 425.111-2.

Joanna MacGregor met het Londens symfonie orkest o.l.v. Carl Davis. Collins 11392.

Geoffrey Douglas Madge met het Rubinstein filharmonisch orkest o.l.v. Ilya Stupel. Danacord CD 412. 1992

Wayne Marshall met het Aalborg symfonie orkest o.l.v. Wayne Marshall. Virgin 561.247-2, 561.478-2. 1994

Cécile Ousset met het Omroeporkest Stuttgart o.l.v. Neville Marriner. Capriccio 10406, 492221. 1991

Leonard Pennario met het Hollywood Bowl symfonie orkest o.l.v. Leonard Slatkin. EMI 566.086-2. 1956

André Previn met het Londens symfonie orkest o.l.v. André Previn. EMI 569.577-2, 566.891-2. 1971

André Previn met het Pittsburgh symfonie orkest o.l.v. André Previn. Philips 412.611-2, 448.953-2. 1984

Gwenneth Pryor met het Londens symfonie orkest o.l.v. Richard Williams. BBC WMEF 0026/7.

Fazil Say met het New York filharmonisch orkest o.l.v. Kurt Masur. Teldec 3984-26202-2. 1998

Howard Shelley met het Philharmonia orkest o.l.v. Yan Pascal Tortelier. Chandos CHAN 9092.

Siegfried Stockigt met het Gewandhausorkest Leipzig o.l.v. Kurt Masur. DG 427.203-2, 439.425-2, Berlin Classics 0093-012. 1976

David Syme met het Mineria symfonie orkest o.l.v. Herrera de la Fuente. Carlton PCD 2025.

Jean-Yves Thibaudet met het BBC symfonie orkest o.l.v. Hugh Wolf. Decca 460.503-2. 1998

Michael Tilson Thomas met het Los Angeles filharmonisch orkest o.l.v. Michael Tilson Thomas. Sony 60028, 39699. 1983

Michael Tilson Thomas met het New World symfonie orkest o.l.v. Michael Tilson Thomas. RCA 09026-68798-2. 1997

James Tocco met het Londens symfonie orkest o.l.v. Geoffrey Simon. Cala CACD 0102 (6 cd’s).

Wiliam Tritt met het Hamilton filharmonisch orkest o.l.v. Boris Brott. CBC SMCD 5111.

Boyan Vodenicharov met de Philharmonia Bulgarica o.l.v. Jo Alfidi. Vanguard

Daniel Wayenberg met het Parijs’ Conservatorium orkest o.l.v. Georges Prêtre. EMI 569.308-2. 1962

Earl Wild en Benny Goodman  met het NBC symfonie orkest o.l.v. Arturo Toscanini. Rady RY 60. 1942

Earl Wild met het Boston Pops orkest o.l.v. Arthur Fiedler. RCA 74321-25820-2, 09026-68792-2.1959

Alicia Zizzo met het Boedapest symfonie orkest o.l.v. Michael Charry. Carlton 30366-00052.

Versie voor trompet en orkest

Timofei Dokshitzer met het Bolshoi theater orkest o.l.v. Alexander Lazarev. Melodia 74321-32045-2. 1978 

Versie voor 2 piano’s en orkest

Pianoduo Labèque met het Cleveland orkest o.l.v. Riccardo Chailly. Decca 417.326-2, 430.726-2. 1985 

Versie Dangain

Serge Dangain (klarinet) en Bernard Lerouge. Dante LYSC 006. 1999 

Versie Fell

Sylvia Kowalczuk (harp). Hungaroton HCD 31550. 1992 

Versie ?

Borah Minnevitch and his harmonica rascals. Sony 60648. 1933  

Pianoversie

Dag Achatz. BIS CD 500.404.

Donna Amato. Olympia OCD 352

Büchner. Connaisseur CS 4191

George Gershwin.  BR 690.07001, Nimbus 8813, Nonesuch 7559-79287-2. Oorspronkelijke pianorol 1925/6

Jack Gibbons. ASV CDWHL 2074.

Carol Honigberg. Pavane 507.287.

Jakob. Vereinigte Motor Verlage STE 27100050.

Jardon. Deutsche Schallplatten DS 1045-2.

Dorothy Lewis-Griffith. Etcetera KTC 1176. 1989

Louis Lortie. Chandos CHAN 8733.

Eugenie Russo. Campion RRCD 1337. 1994

Scharinger. Aricord CDA 18903.

Anna Stella Schic. Stolcise SOCCD 114.

Alicia Zizzo. Carlton 30366-0005-2. 1995

Versie voor 2 piano’s

Louis van Dijk en Hans Oudenaarden. Channel Classics CG 9104.

Serge Dangain en Bernard Lerouge. Forlane FF 043.

Peter Donohoe en Martin Roscoe. Carlton 30366-0068-2. 1994

Pianoduo Labèque. Philips 400.022-2.

Pianoduo Paratore. Schwann 31439-2. 1993 

Versie voor trompet en piano

Sergei Nakarjakov en Alexander Markovitch. Teldec 903177-705-2.

Steuart en Schlüter. Disco Center LAT 595.012

Edward Tarr en Elisabeth Westenholz. BIS CD 500152. 

Zangversie

Leo Nadelmann en André Desponds. Jecklin 0716-2.