HAYDN: DIE JAHRESZEITEN

HAYDN: DIE JAHRESZEITEN

 

Tussen het Weihnachtsoratorium van Bach en de Pastorale van Beethoven staan Haydns Jahreszeiten een oratorium uit 1801. Een werk waarin het gaat om losjes samengevoegde cantates enerzijds en om een ongestoord idyllische blik op de natuur en de wereld anderzijds.

 

Achtergronden

Toen bleek dat het oratorium Die Schöpfung een groot, haast sensationeel succes was bij de première in Wenen in 1798 zag librettist baron Gottfried van Swieten de kans schoon om nog eens zo’n succes te oogsten. Hij stelde Haydn een vrije aanpassing voor het pastorale epos van James Thomson uit 1728 dat op zijn beurt een uitvloeisel was van Vergilius’ tien bucolische gedichten uit Eclogae. De baron verplaatste het toneel van de handeling naar Haydns Burgenland, voegde een stel populaire Duitse gedichten toe en liet in een vlaag van zuiver Verlichtingsoptimisme de tragische details van Thomsons relaas over de in een sneeuwstorm doodgevroren zwerver weg.

In theorie was het gegeven precies Haydns cup of tea. Immers net als bij de Schöpfung gaat het om de viering van een goddelijk geordende natuurwereld, maar dan van breder opzet van een hertenjacht via een wijnovergoten graanoogst tot een lofzang op de almachtige.

Maar Haydn zag niet veel in het gegeven. Hij voelde zich er te oud en te moe voor. In vergelijking met Die Schöpfung vond hij het libretto te banaal en het vergde heel wat aansporing van Van Swieten om het werk op papier te krijgen. De componist beklaagde zich dat hij liever zou werken aan een stuk over het Laatste Oordeel; hij vond het gebruik van klankimitaties van kikkers en krekels belachelijk (“verFranste onzin”), hij spotte over het gebruik van het koor ter meerdere glorie van de wijn en het harde werken en merkte bits op dat de solisten in Die Schöpfung engelen waren en in Die Jahreszeiten boerenpummels.

Niettemin is in de praktijk niets te merken van ’s componisten tegenzin. Al is de tekst van Van Swieten wat aan de platte, prozaïsche kant, Haydn werd er toch door geïnspireerd tot heel verbeeldingsvolle muziek, getuigend van boeiende eigen waarnemingen en ervaringen. Zeker voor een bijna 70-jarige.

In essentie gaat het om een reeks liefdevol geschilderde muzikale fresco’s bij wijze van een dichterlijke en uitbundige viering van de rijke plattenlands natuur waarin Haydn als zoon van een wagenmaker het grootste deel van zijn leven woonde.

 

Bovendien had dit oratorium in tegenstelling tot het vorige een ongunstige ontvangst in de pers.

Landlieden en jagers dartelen, als afzonderlijke personages treden een pachter en zijn dochter plus een jonge boer naar voren. Al deze mensen zijn duidelijk doordrongen van de kringloop der natuur; het voorjaar is voor hen de tijd om te zaaien, de herfst de tijd om te oogsten. Dat de muziek nogal naïef aandoet is geen reden om er minder zorg aan te besteden. Vergeleken met Die Schöpfung is dit oratorium minder populair; het onderwerp van een schildering van het leven op het Oostenrijkse platteland eind achttiende eeuw is misschien ook minder interessant, maar de manier waarop Haydn allerlei taferelen en bezigheden muzikaal uitbeeldt is best de moeite waard.

    

De opnamen

 

Zo ongeveer de meest serieuze, de meest traditionele uitvoering komt van Böhm (DG 423.922-2, 457.713-2) met drie solisten die anno 1967 op het hoogtepunt van hun kunnen waren: Janowitz, Schreier en Talvela. Spontaner, hartelijker klinkt de vertolking van Davis (Philips 434.169-2), maar niet iedereen zal van de Engelse tekst gediend zijn. In dat geval biedt Dorati (Decca 448.101-2) een fraai onschuldig klinkend alternatief. Wat blijmoediger is dan weer Marriner (Philips 438.715-2).

Uiteraard zijn ook de interpretaties met oude instrumenten in opmars. De beste daaronder stammen van Weil (Sony 57965), Gardiner I (Archiv 431.818-2, 1990), Harnoncourt (Teldec 2292-42699-2), Gardiner II (Archiv 449.217-2) en Jabobs (Harmonia Mundi HMC 80.1829/30). Gardiner biedt zelfs wat alternatieven en toevoegingen extra in zijn tweede opname. Zowel Weil als Gardiner huldigen een verhalende stijl en nemen Haydns frisse naïviteit voor wat deze is: simpel en direct, ook in de vorm van klankschildering. Harnoncourts eigenzinnigheid zal eerder op bezwaren stuiten dan Gardiners wat nadrukkelijke charisma. Jacobs die zich van oude muziek man steeds meer ontpopt als een ideaal pleitbezorger voor de Weense klassieken, zorgt voor een geweldig enthousiaste, blijmoedige verklanking waarin ook de bezonnen en dramatischer momenten goed uit komen. De imitaties van natuurgeluiden klinken bij hem geestig en niet alleen maar naïef en de opname is nog wat frisser dan die van Archiv. De veiligste aanbevelingen lijken al met al Jacobs, met zijn haast jeugdig levenskrachtige, schilderachtige weergave en Gardiner II met zijn spontaan aandoende (maar o zo grondig voorbereide!), vrolijk-blije uiting van Arcadische pastorale onschuld en van de harmonie tussen mens en natuur.

 

Conclusie

Voor de Duitstalige versie komen vooral Gardiner (DG), Marriner (Philips) en Jacobs (Harmonia Mundi) in aanmerking, voor de Engelstalige met name Davis (Philips).

Discografie

Die Jahreszeiten

1942. Trude Eipperle, Julius Patzak en Georg Hann met koor en orkest van de Weense Staatsopera o.l.v. Clemens Krauss. Preiser 93053, Naxos (2 cd’s).

 

1956. Maria Stader, Ernst Häfliger en Josef Greindl met het Koor van de St. Hedwigs kathedraal Berlijn en het Berlijns Radio symfonie orkest o.l.v. Ferenc Fricsay. DG 474.383-2 (9 cd’s).

 

1965. Edith Mathis e.a. met het Zuidduits madrigaalkoor en het Beiers staatsorkest o.l.v. Wofgang Gönnenwein. EMI 764.548-2 (2 cd’s).

 

1967. Gundula Janowitz, Peter Schreier en Martti Talvela met de Wiener Singverein en het Weens symfonie orkest o.l.v. Karl Böhm. DG 437.940-2 (2 cd’s).

 

1972. Gundula Janowitz, Werner Hollweg en Walter Berry met het koor van de Duitse Opera en het Berlijns filharmonisch orkest o.l.v. Herbert von Karajan. EMI 769.224-2.

 

1972. Edith Mathis, Werner Hollweg en Franz Crass met het Symfonie orkest van de Beierse omrpep en –koor o.l.v. Rafael Kubelik. Orfeo C477982 (2 cd’s).

 

1977. Ileana Cotrubas, Werner Krenn en Hans Sotin met het Brighton festival koor en het Royal philharmonic orkest o.l.v. Antál Dorati. Decca 448.101-2 (2 cd’s).

 

1980. Edith Mathis, Siegfried Jerusalem en Dietrich Fischer-Dieskau met de Academy of St. Martin-in-the-Fields o.l.v. Neville Marriner. Philips 411.428-2 (2 cd’s).

 

1986. Masria Blasi, Josef Protschka en Robert Holl met het Schönberg koor en het Weens symfonie orkest  o.l.v. Nikolaus Harnoncourt. Teldec 2292-42699-2 (2 cd’s).

 

1990. Barbara Bonny, Anthony Rolfe Johnson en Andreas Schmidt met het Monteverdi koor en de English baroque soloists o.l.v. John Eliot Gardiner. Archiv 431.818-2 (2 cd’s).

 

1990. Krisztina Laki, Helmut Wildhaber, Peter Lika met het Koor van de Vlaamse Opera, Antwerpen en La petite bande o.l.v. Sigiswald Kuijken. Virgin 759.268-2 (2 cd’s).

 

1990. Arleen Auger, John Aler, Hakan Hagegard met het Minnesota Chorale en het St. Paul kamerorkest o.l.v. Joel Revzen. Koch 37065-2 (2 cd’s).

 

1992. Ruth Ziesak, Uwe Heilmann en René Pape met het Chicago symfonie orkest en –koor o.l.v. Georg Solti. Decca

 

1992. Annegeer Stumphius, Alexander Stevenson en Wolfgang Schöne met de Gächinger Kantorei en het Bach-Collegium Stuttgart o.l.v. Helmuth Rilling. Hännsler 98.982 (2 cd’s).

 

2003. Marlis Petersen, Werner Güra en Dietrich Henschel met het RIAS kamerkoor en de Freiburgse baroksolisten o.l.v. René Jacobs. Harmonia Mundi HMC 80.1829/30 (2 cd’s).

The seasons

1957. Elsie Morrison, Alexander Young, Michael Langdon met het Beecham koor en het Royal philharmonic orkest o.l.v. Thomas Beecham. EMI 586.118-2 (2 cd’s).

 

1968. Heather Harper, Ryland Davies en John Shirley-Quirk met o.l.v. Colin Davis. Philiips 434.169-2 (2 cd’s).